ECLI:NL:RBDHA:2026:18173

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/09/699132
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.J-A. Seinen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:1 BWArt. 5:2 BWArt. 7A:1777 BWArt. 1781 lid 1 BWArt. 1785 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming woning op grond van bruikleenovereenkomst tussen vader en zoon

Eiser, de biologische vader, heeft in 2001 een woning gekocht waarin gedaagde, zijn zoon, bijna zestien jaar heeft gewoond zonder huur te betalen. Gedaagde stelt dat de woning aan hem zou worden overgedragen, maar de rechtbank oordeelt dat sprake is van een bruikleenovereenkomst waarbij ook eiser en andere pleegkinderen gebruik mochten maken van de woning.

Eiser mocht de bruikleenovereenkomst opzeggen vanwege het feit dat gedaagde hem in 2024 uit de woning heeft gezet, hem de toegang heeft ontzegd en zonder toestemming ingrijpende wijzigingen aan de woning heeft aangebracht. De rechtbank achtte de opzegging gerechtvaardigd gezien de dringende redenen, waaronder de kwetsbare positie van gedaagde en de nood van eiser zelf.

De vordering van eiser om de woning te ontruimen wordt toegewezen met een termijn van vier maanden. De vorderingen van gedaagde tot overdracht van de woning worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Daarnaast wordt een bedrag van €925 aan buitengerechtelijke kosten toegewezen aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de vader toe en veroordeelt de zoon tot ontruiming van de woning binnen vier maanden.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/699132 / HA ZA 26-145
Vonnis van 1 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[partij A]te [woonplaats 1],
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. R. de Mooij,
tegen
[partij B]te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie, eiser in reconventie
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. M.J.S. Spanjersberg.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
[partij A] is de biologische vader van [partij B]. [partij B] woont (bijna) zestien jaar in een woning die [partij A] in 2001 heeft gekocht. [partij A] wil dat [partij B] deze woning verlaat, maar volgens [partij B] hebben partijen afgesproken dat deze woning aan hem zou worden overgedragen.
1.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de afspraak tussen partijen inhield dat [partij A] de woning tijdelijk en voor niets aan [partij B] in gebruik heeft gegeven, waarbij ook [partij A] zelf en zijn andere (pleeg)kinderen van de woning gebruik mochten maken. Dit betekent dat, juridisch gezien, sprake is van een bruikleenovereenkomst. [partij A] mocht deze bruikleenovereenkomst opzeggen, omdat [partij B] hem in 2024 uit de woning heeft gezet, hem de toegang tot de woning heeft ontzegd en omdat hij de woning zonder [partij A] toestemming ingrijpend heeft gewijzigd. De rechtbank wijst daarom [partij A] vordering dat [partij B] de woning moet verlaten toe. [partij B] krijgt daarvoor een termijn van vier maanden. In dit vonnis licht de rechtbank deze oordelen nader toe.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 3 februari 2026, met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met daarbij het verzoek (spoedig) een mondelinge behandeling te bevelen voor het horen van een getuige, met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met productie 14;
- het bericht van de rechtbank van 11 mei 2026 waarin de rechtbank:
aan [partij B] heeft bevolen om schriftelijke verklaringen die getuigen eerder al op papier hadden gezet over te leggen,
partijen toestemming heeft gegeven om de zaak aan het begin van de mondelinge behandeling gedurende maximaal 10 minuten toe te lichten aan de hand van spreekaantekeningen, en
heeft laten weten dat tijdens de mondelinge behandeling van 29 mei 2026 geen getuigen zouden worden gehoord;
- de akte overlegging stukken van [partij B], met producties 5, 5a, 5b, 5c, 5ba en 5ca.
2.2.
Op 29 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben hun standpunten toegelicht, mr. De Mooij aan de hand van spreekaantekeningen die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Verder hebben partijen vragen van de rechtbank beantwoord en hebben zij op elkaar kunnen reageren.
2.3.
Ten slotte is de datum waarop dit vonnis wordt gewezen bepaald op vandaag.

3.De feiten

Op grond van de processtukken en wat er tijdens de zitting is besproken, gaat de rechtbank bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
[partij A] is de biologische vader van [partij B].
3.2.
[partij B] heeft als tiener en als jongvolwassene jarenlang gewerkt in de nachtclub [nachtclub], waar [partij A] ook werkte.
3.3.
[partij B] ontvangt al meerdere jaren een Wajong-uitkering.
3.4.
[partij B] woont (bijna) zestien jaar in een woning aan de [straatnaam] te [plaats] die [partij A] in 2001 heeft gekocht (hierna: de woning). [partij B] betaalt [partij A] hiervoor niet. Gedurende bepaalde periodes hebben [partij A] en [partij B] samen in de woning verbleven. Ook de dochter en een andere broer van [partij B] hebben periodes in de woning gewoond, deels op momenten waarop [partij B] ook in de woning woonde.
3.5.
Tijdens zijn verblijf in de woning heeft [partij B] ingrijpende wijzigingen in de woning aangebracht.
3.6.
In 2024 is [partij A] weer in de woning komen wonen, nadat hij daar langere tijd niet had gewoond. Na korte tijd heeft [partij B] [partij A] toen de toegang tot de woning ontzegd.
3.7.
Bij brief van 23 september 2024 heeft (de advocaat van) [partij A] aan [partij B] geschreven dat, aangezien hij hem in het verleden toestemming heeft gegeven voor het gebruik van zijn woning, sprake is van een bruikleenovereenkomst. [partij A] heeft bij die brief de bruikleenovereenkomst opgezegd met een opzegtermijn van vier maanden.
3.8.
Op 16 december 2024 heeft [partij B] een verzoekschrift ingediend voor een voorlopig getuigenverhoor. Bij beschikking van 19 februari 2025 heeft de rechtbank het verzoek van [partij B] tot een voorlopig getuigenverhoor toegewezen, waarbij het aantal te horen getuigen is gemaximeerd op vijf.
3.9.
Op 12 maart 2025 heeft een voorlopig getuigenverhoor aan de zijde van [partij B] plaatsgevonden. Als getuigen zijn gehoord:
- [partij B];
- [broer 1], de broer van [partij B] (hierna: [broer 1]);
- [de oom], de oom van [partij B] (hierna: de oom);
- de moeder van [partij B] (hierna: de moeder); en
- [partij A].
Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
3.10.
Bij beschikking van 17 april 2025 heeft de rechtbank het verzoek van [partij B] tot voortzetting van het voorlopig getuigenverhoor en van [partij A] tot horen van getuigen in voorlopig getuigenverhoor afgewezen en het verhoor gesloten.
3.11.
Bij vonnis in kort geding van 1 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [partij A] om [partij B] te veroordelen de woning te ontruimen afgewezen.

4.Het geschil

In conventie
4.1.
[partij A] vordert in conventie – samengevat – dat de rechtbank [partij B] veroordeelt:
I. om de woning te verlaten en te ontruimen en bezemschoon en geheel leeg, onder afgifte van alle sleutels, in behoorlijke staat ter vrije beschikking van [partij A] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden binnen vier weken na het vonnis;
II. tot betaling van € 925 aan buitengerechtelijke kosten;
III. in de proceskosten, te vermeerderen met rente.
4.2.
[partij A] legt aan zijn vordering onder I ten grondslag dat hij de woning tijdelijk en om niet aan [partij B] in gebruik heeft gegeven. Op grond van artikel 5:1 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW), gelezen in samenhang met artikel 5:2 BW Pro, is [partij A] bevoegd zijn eigendom op te eisen.
4.3.
Voor zover de rechtbank oordeelt dat het gebruik van [partij B] is gebaseerd op een (stilzwijgende) overeenkomst, stelt [partij A] zich op het standpunt dat die kwalificeert als een bruikleenovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 23 september 2024 heeft [partij A] de bruikleenovereenkomst wegens zwaarwegende gronden opgezegd per 20 januari 2025. Hij heeft daarbij met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid een ruime opzegtermijn van vier maanden gehanteerd.
4.4.
[partij A] heeft geen vaste verblijfplaats meer sinds [partij B] hem de toegang tot de woning heeft ontzegd in 2024. Hij slaapt afwisselend op de bank van zijn dochter of in het kantoor van zijn halfbroer. Hij heeft de woning daarom dringend zelf nodig. Hij is bijna 73 jaar en ontvangt slechts een AOW-pensioenuitkering en een zeer beperkt aanvullend pensioen.
4.5.
[partij A] vreest voor de staat en het behoud van de woning bij voortgezet gebruik door [partij B]. [partij B] onderhoudt de woning zijns inziens niet en heeft de woning daarnaast zonder toestemming ingrijpend (bouwkundig) aangepast. Als de rechtbank oordeelt dat de opzegging niet rechtsgeldig is, vindt [partij A] dat de bruikleenovereenkomst op die grond moet worden ontbonden.
4.6.
Aan zijn vordering onder II legt [partij A] ten grondslag dat zijn advocaat verschillende werkzaamheden heeft verricht om het geschil buitengerechtelijk te regelen.
4.7.
[partij B] voert verweer.
In reconventie
4.8.
[partij B] vordert in reconventie – samengevat – dat de rechtbank:
  • een mondelinge behandeling gelast, waarbij [broer 2], de broer van [partij B] (hierna: [broer 2]), kan worden gehoord over het bestaan van de schuld van [partij A] aan [partij B] en dat [partij A] de woning aan [partij B] heeft overgedragen en waarbij de moeder kan verklaren dat [partij A] de woning in eigendom heeft overgedragen aan [partij B] ter aflossing van zijn schuld;
  • [partij A] veroordeelt om zijn medewerking te verlenen aan het passeren van een leveringsakte ten behoeve van de notariële overdracht van de woning aan [partij B];
  • bepaalt dat, indien [partij A] niet voldoet aan deze veroordeling, het vonnis in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte van [partij A] tot (eigendoms)overdracht;
  • [partij A] veroordeelt om al hetgeen te doen teneinde te bewerkstelligen dat het op de woning rustende recht van hypotheek wordt doorgehaald, op straffe van een dwangsom;
  • voor zover nodig alle (kandidaat-)notarissen van Just Notarissen te Zoetermeer machtigt om namens [partij A] alle handelingen te verrichten die volgens gemachtigden nuttig, wenselijk of noodzakelijk zijn voor het verlijden van de leveringsakte, het doorhalen van het recht van hypotheek en het verrichten van alle hiermee samenhangende handelingen; en
  • [partij A] veroordeelt in de kosten die verband houden met de levering van de woning aan [partij B].
4.9.
Aan de vorderingen in reconventie legt [partij B] het volgende ten grondslag.
Partijen hebben afgesproken dat [partij A] de woning zou overdragen aan [partij B], ter aflossing van de schuld die is ontstaan toen [partij A] als [partij B] leidinggevende bij [nachtclub] zijn loon inhield. Lange tijd waren partijen in de veronderstelling dat de woning niet op naam van [partij B] kon worden gezet in verband met zijn Wajong-uitkering, maar in 2024 kwam [partij B] tot de conclusie dat dit wel mogelijk was. De afspraak tussen partijen moet worden nagekomen, zo stelt [partij B]. Voor het geval [partij A] medewerking weigert, wordt gevorderd dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking. [partij A] moet ook de kosten van de overdracht van de woning dragen, in verband met de aflossing van de schuld. Ook moet [partij A] zorgdragen voor doorhaling van het op de woning rustende recht van hypotheek, zodat onbezwaarde levering kan plaatsvinden. Volledigheidshalve vordert [partij B] ook een machtiging.
4.10.
Zijn broer [broer 2] kan volgens [partij B] getuigen dat [partij A] loon van hem heeft ingehouden, dat [partij A] een schuld bij hem heeft en dat [partij A] de woning in eigendom aan [partij B] heeft overgedragen. Dit geldt ook voor de moeder, aldus [partij B].
4.11.
[partij A] voert verweer.
4.12.
Op de stellingen van partijen in conventie en in reconventie wordt hierna, voor zover nodig, bij de beoordeling nader ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie en in reconventie
5.1.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie ziet de rechtbank aanleiding deze tegelijk te behandelen.
De woning
5.2.
Niet ter discussie staat dat [partij A] de woning in 2001 heeft gekocht en deze (nog) niet heeft overgedragen aan [partij B]. De stand van zaken is dus dat [partij A] de eigenaar is van de woning in de zin van artikel 5:1 BW Pro.
5.3.
Evenmin staat ter discussie dat tussen partijen een afspraak heeft bestaan op grond waarvan [partij B] ooit in de woning is gaan wonen. Zij zijn het er niet over eens of er een afspraak bestaat op grond waarvan [partij B] nog steeds in de woning mag wonen, en of die afspraak inhoudt dat [partij A] de woning aan [partij B] moet overdragen.
Afspraak partijen: stellingen van partijen
5.4.
Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. Een aanbod en de aanvaarding van dat aanbod hoeven niet schriftelijk of uitdrukkelijk te gebeuren, maar mogen in elke vorm en kunnen ook blijken uit iemands gedragingen. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen en zo ja, met welke inhoud.
Als partijen het niet eens zijn over de vraag over afspraken die zij (wel of niet) hebben gemaakt, moet de rechtbank die afspraken uitleggen. Daarbij moet de rechtbank kijken naar wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. [1]
5.5.
De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor de uitleg van [partij B] dat tussen partijen een afspraak is gemaakt dat de woning zijn eigendom zou worden.
5.5.1.
Zelfs als de rechtbank ervan uitgaat dat [partij A] loon heeft ingehouden van [partij B] – wat de rechtbank op basis van de ingediende stukken niet kan vaststellen – heeft [partij B] onvoldoende concreet gesteld dat, hoe en wanneer is afgesproken dat [partij A] de vordering wegens ingehouden loon zou inlossen door de eigendom van de woning aan [partij B] over te dragen.
5.5.2.
Daarbij komt dat de stellingen van [partij B] over die afspraak ook niet geheel consequent zijn. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft hij verklaard dat partijen het over de afspraak hadden gehad toen hij 18/19 was, terwijl hij tijdens de zitting heeft gezegd dat het was toen hij 16/17 was. Ook heeft hij tijdens de zitting enerzijds gezegd dat het ging om een afspraak die partijen maandelijks bespraken, anderzijds dat het ging om een afspraak die dagelijks werd besproken.
5.5.3.
Verder heeft [partij B] ter zitting gezegd dat zijn vordering uit ingehouden loon een half miljoen euro bedroeg; hoe dit bedrag zo snel zo hoog heeft kunnen oplopen – al toen hij 16 à 19 was – terwijl hij een deel van zijn loon wel kreeg uitbetaald, heeft [partij B] na vragen van de rechtbank ook niet uitgelegd.
5.6.
De enige verklaring die het bestaan van de door [partij B] gestelde afspraak bevestigt, is de schriftelijke verklaring van zijn moeder van 11 mei 2026 waarin staat dat [partij A] altijd heeft gezegd dat de woning van [partij B] was en dat die zou worden overgeschreven zodra het Wajong-probleem was opgelost. Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om het bestaan van de gestelde afspraak aan te nemen, en wel om de volgende redenen.
5.6.1.
De moeder heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat de kinderen van [partij A] zo lang in de woning mochten wonen als zij wilden, maar dat [partij A] niets over het eigendom van de woning had gezegd. In haar schriftelijke verklaring van 11 mei 2026 heeft zij daarover geschreven dat zij extreem gespannen en emotioneel wordt in het bijzijn van [partij A], [partij A] tijdens het voorlopig getuigenverhoor achter haar zat en zij geen beveiliging zag. Ook als de rechtbank ervan uitgaat dat de moeder om die reden onjuist heeft verklaard tijdens het voorlopig getuigenverhoor, kan de rechtbank niet op basis van haar schriftelijke verklaring van 11 mei 2026 vaststellen dat de tussen partijen gemaakte afspraak inhield dat de woning aan [partij B] zou worden overgedragen.
5.6.2.
Ten eerste ontbreken in deze schriftelijke verklaring details, zoals op welke momenten en waar [partij A] heeft gezegd dat hij de woning aan [partij B] zou overdragen. Verder is niet geconcretiseerd hoe en wanneer het ‘Wajong-probleem’ – waarvan beide partijen destijds dachten dat het bestond – dan zou worden opgelost.
5.6.3.
Ook blijkt uit die schriftelijke verklaring van gedragingen van [partij A] die er juist op wijzen dat hij [partij B] niet als (toekomstig) eigenaar zag: zo heeft [partij A] de woning volgens de moeder geprobeerd te verkopen, en wilde hij op een andere locatie een kamer voor [partij B] maken. Die gedragingen staan op gespannen voet met de verklaring dat [partij A] altijd heeft gezegd dat de woning van [partij B] was.
5.7.
Bovendien wijzen de verklaringen van de andere getuigen juist in de richting van de door [partij A] voorgestane uitleg, namelijk dat
alzijn (pleeg)kinderen (tijdelijk) van de woning gebruik mochten maken.
5.7.1.
[broer 1] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij rond zijn veertiende in de woning is komen wonen, hij op een gegeven moment is weggegaan en weer is teruggekomen. Volgens [broer 1] heeft [partij B] die laatste keer wel gezegd dat de woning van hem was, maar [broer 1] heeft dat niet van [partij A] gehoord.
5.7.2.
[broer 2] heeft in zijn schriftelijke verklaring van 12 mei 2026 geschreven dat [partij A] hem heeft gevraagd om in de woning te gaan wonen. In de ongedateerde schriftelijke verklaring van [broer 2] staat dat [partij A] in vele situaties en gesprekken heeft herhaald dat hij de woning voor zijn kinderen heeft gekocht.
5.7.3.
[pleegzoon], pleegzoon van [partij A], heeft op 4 maart 2025 schriftelijk verklaard dat hij in de woning heeft gewoond en dat [partij B] [partij A] tegen diens wil uit de woning heeft gezet. Ook [zus], zus van [partij B], heeft in haar schriftelijke verklaring van 19 maart 2025 aangegeven dat zij in de woning heeft gewoond.
5.8.
De oom heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij niet weet wat er is afgesproken over de woning. Volgens hem heeft [partij A] gezegd dat hij een huis moest regelen voor [partij B].
5.9.
Met uitzondering van de schriftelijke verklaring van de moeder van 11 mei 2026, die niet strookt met haar verklaring tijdens het voorlopig getuigenverhoor, ziet de rechtbank dus geen aanknopingspunten voor de door [partij B] voorgestane uitleg.
De door [partij A] voorgestane uitleg van de afspraak tussen partijen strookt met de (niet betwiste) bewoning van de woning door [broer 1], [zus] en [pleegzoon] en door [partij A] zelf. [partij B] stelt weliswaar dat deze bewoning heeft plaatsgevonden voordat partijen hadden afgesproken dat [partij B] eigenaar van de woning zou worden en dat hij daarna alleen [broer 1] nog toestemming heeft gegeven om in de woning te wonen en [partij A] om er te logeren. Dit heeft [partij B] echter in het geheel niet onderbouwd, ook niet nadat [partij A] dit had betwist. [partij B] heeft daarom niet voldoende gesteld om tot bewijs te worden toegelaten. Dat betekent dat de rechtbank zijn bewijsaanbod passeert.
Uitleg afspraak door de rechtbank: bruikleen voor onbepaalde tijd
5.10.
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen en gezien de in het geding gebrachte verklaringen is de rechtbank van oordeel dat de afspraak tussen partijen inhield dat [partij A] de woning tijdelijk en om niet aan [partij B] in gebruik heeft gegeven. Daarbij was een gegeven dat ook [partij A] zelf en zijn andere (pleeg)kinderen de woning mochten gebruiken: dit was al zo voordat [partij B] in de woning trok en ook daarna is dit meermaals voorgekomen.
5.11.
Deze afspraak is aan te merken als bruikleen in de zin van artikel 7A:1777 BW. Dat [partij B] verbouwingen aan de woning heeft betaald, doet hier niet aan af, omdat kosten voor gebruik en onderhoud van het geleende ten laste van de bruiklener komen. [2]
5.12.
Partijen hebben geen termijn afgesproken voor de bruikleen van de woning; de bruikleen is dus voor onbepaalde tijd aangegaan.
Verjaring
5.13.
Van de door [partij B] tijdens de zitting opgeworpen verjaring is geen sprake, reeds omdat bij gebruik als bruiklener geen sprake is van bezit maar van houderschap.
Opzegging
5.14.
De uitlener kan de bruikleenovereenkomst voor onbepaalde tijd in beginsel met inachtneming van een redelijke, aan de omstandigheden aangepaste, termijn opzeggen wanneer hem dit goeddunkt, maar de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de overeenkomst alleen kan worden opgezegd als de bruiklener daarvoor een dringende reden heeft. [3]
5.15.
In dit geval brengen de omstandigheden van het geval naar het oordeel van de rechtbank mee dat de overeenkomst alleen kan worden opgezegd als [partij A] daarvoor een dringende reden heeft. Daarbij acht de rechtbank van belang dat [partij B] al (bijna) zestien jaar in de woning woont en het blijkens de hierboven weergegeven verklaringen ook de intentie van [partij A] was dat [partij B] een dak boven zijn hoofd zou hebben. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat [partij B] psychisch en sociaaleconomisch kwetsbaar is.
5.16.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] echter wel dringende redenen om de bruikleenovereenkomst op te zeggen.
5.16.1.
[partij B] heeft toegegeven dat hij [partij A] in 2024 de woning heeft uitgezet en hem vervolgens de toegang tot de woning heeft ontzegd. De afspraak tussen partijen hield echter niet in dat [partij B] exclusief van de woning gebruik mocht maken (zie 5.10).
5.16.2.
[partij B] heeft ingrijpende wijzigingen in de woning aangebracht zonder de toestemming van [partij A]. [partij B] vond dat hij dit kon doen omdat de woning zijn eigendom was, maar dit was dus niet zo.
5.16.3.
Daarbij komt dat [partij A] op leeftijd is en dat hij al enige tijd bij anderen moet logeren. [partij A] heeft weliswaar twee appartementen in eigendom, maar deze zijn verhuurd. Omdat huurders rechten hebben, is niet aannemelijk dat [partij A] op korte termijn over (een van) deze appartementen zal kunnen beschikken.
5.16.4.
Samenwonen in de woning is geen optie: partijen zijn erg kwaad op elkaar en dit heeft al meer dan eens tot een handgemeen geleid.
Tussenconclusie
5.17.
De rechtbank zal de vordering in conventie onder I toewijzen, met dien verstande dat [partij B] een termijn van vier maanden na dit vonnis zal worden gegeven om de woning te ontruimen. De vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen.
5.18.
Aan de overige stellingen en verweren in conventie en reconventie komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet toe.
Proceskosten
5.19.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In conventie
Buitengerechtelijke incassokosten
5.20.
De rechtbank toetst de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten aan het rapport BGK-integraal. Op grond daarvan moet voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten sprake zijn van verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.
5.21.
[partij B] betwist niet dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. In het dossier bevindt zich een brief van 26 augustus 2024 waarin de advocaat van [partij A] vraagt of [partij B] de woning vrijwillig wil verlaten. Gelet op deze brief en de brief van 23 september 2024, is voldoende vast komen te staan dat (de advocaat van) [partij A] diverse werkzaamheden heeft verricht en kosten heeft gemaakt om buiten de rechter tot een oplossing van het geschil te komen. Dit zijn werkzaamheden die meer omvatten dan de werkzaamheden die moeten worden verricht ter voorbereiding van de procedure.
5.22.
[partij B] stelt dat [partij A] na de eerdere procedures 1,5 jaar heeft gewacht met het uitbrengen van een nieuwe dagvaarding zonder dat een minnelijk traject is doorlopen. De rechtbank merkt daarover op dat het kort-gedingvonnis van 1 april 2025 dateert en dat de dagvaarding in deze procedure minder dan een jaar daarna is uitgebracht. Dat in de tussentijd geen minnelijk traject is doorlopen, neemt bovendien niet weg dat [partij A] kosten heeft gemaakt voor de werkzaamheden die onder 5.21 zijn omschreven.
5.23.
Het gevorderde bedrag van € 925 sluit aan bij het uitgangspunt voor zaken waarin, zoals hier, geen concreet bedrag als hoofdsom wordt gevorderd. De vordering in conventie onder II zal worden toegewezen.

6.De beslissing

De rechtbank
In conventie
6.1.
veroordeelt [partij B] om de woning te verlaten en te ontruimen en deze bezemschoon en geheel, onder afgifte van alle sleutels, in behoorlijke staat ter vrije beschikking van [partij A] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, binnen vier maanden na de datum waarop dit vonnis wordt gewezen;
6.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 925 ter zake van de buitengerechtelijke kosten;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In reconventie
6.5.
wijst de vorderingen af;
In conventie en in reconventie
6.6.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026
type: 3053

Voetnoten

1.Hoge Raad 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5352.
2.Zie de artikelen 1781 lid 1 en 1785 BW; Hoge Raad 16 april 1982, NJ 1982/580, r.o. 3.6.
3.Hoge Raad 15 april 1966, NJ 1966/302, Hoge Raad 21 april 1995, NJ 1995/437, Hoge Raad 13 februari 1976, NJ 1976/343 en Hoge Raad 7 september 1984, NJ 1985/32.