ECLI:NL:RBDHA:2026:18186

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL26.10890
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.6ba VreemdelingenbesluitArt. 64 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag atheïst uit Turkije wegens onvoldoende schrijnende situatie

Eiser, een atheïst van Turkse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat hij in Turkije discriminatie ondervond vanwege zijn atheïsme, wat leidde tot stress en verslechtering van zijn medische toestand, waaronder diabetes. Eiser vreesde bij terugkeer opnieuw discriminatie en onvoldoende medische zorg.

De minister wees de aanvraag af omdat de discriminatie niet zodanig ernstig was dat eiser niet kon functioneren op sociaal en maatschappelijk gebied. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat eiser toegang had tot medische zorg, huisvesting en onderwijs, ondanks enkele incidenten. De algemene informatie over discriminatie in Turkije maakte niet aannemelijk dat eiser zich niet kan handhaven.

Daarnaast stelde eiser dat uitzetting tot een schrijnende situatie zou leiden vanwege zijn werk, relatie en taalontwikkeling in Nederland. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden niet bijzonder of schrijnend genoeg zijn om een verblijfsvergunning te rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de afwijzing van de asielaanvraag.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende schrijnende situatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10890

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Inleiding

1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, W. Woning als tolk en de gemachtigde van de minister.
4. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat afwijzing van de asielaanvraag in stad kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is opgegroeid als atheïst in Turkije. Eiser stelt gedurende zijn leven discriminatie mee te hebben gemaakt vanwege zijn atheïsme. Eiser is bijvoorbeeld gestopt met zijn opleiding omdat medeleerlingen en docenten vervelende opmerkingen hebben gemaakt. Tevens heeft eiser eenmaal pas medische hulp in een ziekenhuis kunnen ontvangen nadat eerdere hulpverleners hadden geweigerd hem te behandelen. De discriminatie heeft geleid tot veel stress bij eiser. De medische gezondheid van eiser is daarom achteruit gegaan. Dit is de aanleiding voor eiser geweest om Turkije te verlaten. Bij terugkeer vreest eiser wederom discriminatie te ervaren vanwege zijn atheïsme.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege atheïsme.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide asielmotieven geloofwaardig zijn. De minister vindt deze problemen echter onvoldoende zwaarwegend om eiser een asielvergunning te verlenen. De minister erkent dat eiser discriminatie heeft ervaren in Turkije. De discriminatie is echter niet van dien aard geweest dat eiser niet in staat is geweest om sociaal en maatschappelijk te functioneren. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft gevonden dat eiser, ondanks de discriminatie, kan functioneren op sociaal en maatschappelijk gebied. De minister heeft namelijk onvoldoende rekening gehouden met de invloed van de discriminatie op de medische situatie van eiser. Eiser heeft veel stress gekregen door discriminatie op het gebied van onderwijs, werk en gezondheidszorg. Dit heeft geresulteerd in verergering van zijn diabetes. Daarnaast is onzeker of eiser nog wel de benodigde medische hulp kan krijgen in Turkije, aangezien sommige hulpverleners eerder hebben geweigerd hem te behandelen. Hoewel eiser uiteindelijk wel is geholpen, vreest hij dat hulpverleners in de toekomst hiertoe niet bereid zullen zijn.
8. De rechtbank stelt vast dat geloofwaardig wordt geacht dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege zijn atheïsme. Echter niet iedere beperking van de mensenrechten wordt per definitie als een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdag gezien. Er zal sprake moeten zijn van een bepaalde intensiteit van de schending van het betreffende mensenrecht. Discriminatie is beschermingswaardig onder het Vluchtelingenverdrag als sprake is van een zodanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden dat een vreemdeling onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren Daarom wordt bekeken of iemand zorg kon ontvangen, onderdak heeft gehad en kon werken.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, ondanks discriminatie, heeft kunnen functioneren op sociaal en maatschappelijk gebied. Eiser heeft namelijk toegang gehad tot medische zorg. Er werd eiser door een arts weliswaar zorg vlak voor vertrek geweigerd, maar eiser is uiteindelijk wel door een arts behandeld. Eiser noemt ook maar één incident en heeft alle andere keren wel zorg ontvangen. Daarnaast zijn de ervaringen van eiser op zijn opleiding onvoldoende want hieruit blijkt niet dat het vanwege de discriminatie onmogelijk was om de opleiding af te ronden. Hier komt bij dat eiser zeker was van huisvesting gedurende zijn verblijf in Turkije. Tot slot leiden de overgelegde bronnen door eiser met algemene informatie over discriminatie in Turkije niet tot een ander oordeel van de rechtbank. Want het maakt niet aannemelijk dat specifiek eiser zich niet kan handhaven. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Eiser voert ook aan dat de minister een verblijfsvergunning heeft moeten verlenen aan eiser omdat de uitzetting van eiser zou leiden tot een schrijnende situatie als bedoeld in artikel 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit (hierna: Vb). Eiser heeft namelijk werk bij een verzorgingstehuis in Nederland, leert de taal en heeft een vriendin terwijl eiser in Turkije weer slachtoffer zal worden van discriminatie.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning vanwege een schrijnende situatie. Volgens artikel 3.6ba Vb kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. De door eiser gestelde omstandigheden die zien op werk, relatie en taal, zijn gelet op aard en duur zowel niet bijzonder als niet schrijnend, zodat van een schijnende situatie geen sprake is. Voor zover eiser medische omstandigheden heeft aangevoerd stelt de rechtbank vast dat eiser op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000 uitstel van vertrek heeft, en dat de procedure omtrent artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000 los staat van het bestreden besluit in de voorliggende zaak. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 1 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.