ECLI:NL:RBDHA:2026:1822

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
NL25.24333
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 28 Vw 2000Art. 29, eerste lid, aanhef en onder b, VwArt. 3.109, vijfde en zesde lid, VbArt. 3.113, eerste lid, Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken medisch advies en nader gehoor

Eiser diende op 1 november 2024 een asielaanvraag in die aanvankelijk werd afgewezen. Na vernietiging van het eerste besluit door de rechtbank Den Haag, wees de minister de aanvraag opnieuw af in een verlengde procedure (spoor vier). Eiser vordert vernietiging van deze afwijzing omdat de minister geen medisch advies heeft ingewonnen en geen nader gehoor heeft gehouden, wat volgens eiser wel vereist is in spoor vier.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat het eerdere aanmeldgehoor zonder meer kon worden gebruikt zonder verdere procedurele waarborgen. De eerdere uitspraak betrof alleen het aanmeldgehoor in relatie tot de geloofwaardigheidstoets en sprak niet over nader gehoor of medische advisering in het kader van de vrees bij terugkeer.

De rechtbank stelt dat volgens de werkinstructie en het vreemdelingenbesluit in spoor vier een rust- en voorbereidingstermijn geldt waarin een medisch advies en nader gehoor verplicht zijn, ongeacht of er aanknopingspunten zijn voor onvolledige verklaringen. Omdat de minister dit niet heeft gedaan, is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 3:2 Awb Pro en wordt het vernietigd.

De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser ter hoogte van €1.868,-. De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier D.G. van den Berg op 4 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van medisch advies en nader gehoor.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24333

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 1 november 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 7 november 2024 heeft eiser een besluit ontvangen waarin zijn aanvraag kennelijk ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag heeft op 18 februari 2025 het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
2.1.
De minister heeft met het besluit van 13 mei 2025 nogmaals besloten op de aanvraag en deze in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van eiser verzocht om aanhouding omdat geen tolk Wolof beschikbaar was om te tolken tijdens de zitting. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de beschikbaarheid van tolken Wolof beperkt is. De zitting heeft in de eerdere procedure(s) ook meermaals geen doorgang kunnen vinden omdat er geen tolk Wolof beschikbaar was. Hoewel het gebrek aan beschikbaarheid van deze tolken eiser niet aan te rekenen is, wil de rechtbank voorkomen dat dit de procedure blijft vertragen en partijen onnodig belast. Het verzoek om aanhouding is daarom afgewezen. De rechtbank heeft proces-verbaal opgemaakt van hetgeen ter zitting is besproken en de gemachtigde van eiser de gelegenheid gegeven om hetgeen ter zitting is besproken aan eiser terug te koppelen en aan eiser, indien gewenst, de gelegenheid geboden schriftelijk te reageren. Op 4 februari 2026 heeft de rechtbank de schriftelijke reactie van eiser ontvangen. Hierna is het onderzoek ter zitting op dezelfde dag gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij na het overlijden van zijn ouders een huis heeft geërfd. Dit leidde tot problemen met zijn halfbroer en halfzus, waarbij hij door hen is mishandeld en in het ziekenhuis is beland. Hierna heeft hij aangifte tegen hen gedaan, waarna hij met de dood is bedreigd. Bij terugkeer naar Senegal vreest eiser voor zijn leven vanwege deze bedreigingen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende motieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met halfbroer en halfzus.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, evenals de problemen met zijn halfbroer en halfzus. De minister stelt echter dat uit de verklaringen van eiser niet volgt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Senegal komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn en de geloofwaardig geachte asielmotieven zijn verder niet te herleiden tot één van de gronden van het Verdrag. Bovendien is niet gebleken dat eiser niet de hulp van de Senegalese autoriteiten kan inroepen en eiser heeft dit eerder ook al gedaan. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet (Vw).
Had de minister eiser een medisch advies moeten aanbieden en hem opnieuw moeten horen?
5. Eiser meent dat de minister ten onrechte stelt dat hij niet gehouden was eiser een medisch onderzoek en nader gehoor aan te bieden. Nu de aanvraag als gevolg van de vernietiging van het eerdere besluit in spoor vier – niet langer in spoor twee - wordt afgedaan, moet alsnog rust- en voorbereidingstijd worden geboden, moet ambtshalve medisch advies ingewonnen worden en dient eiser nader gehoord te worden. Dit is ook het geval als er geen aanknopingspunten zijn waaruit blijkt dat eiser niet volledig heeft kunnen verklaren. Dat het gehoor veilig land van herkomst goed is verlopen betekent niet dat de procedurele waarborgen van spoor vier aan de kant geschoven kunnen worden.
5.1.
De minister stelt dat geen medisch advies is aangeboden omdat uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag volgt dat eiser niet nogmaals gehoord hoefde te worden. [2] In die uitspraak oordeelt de rechtbank immers dat het niet voldoen aan de bepaalde procedurele waarborgen onvoldoende is voor de conclusie dat de gehoren opnieuw moet worden afgenomen en dat niet gesteld of gebleken is dat eiser niet volledig heeft kunnen verklaren. Dit staat in rechte vast. De minister heeft het gehoor dus kunnen gebruiken en op basis van dit gehoor heeft de minister de conclusie getrokken dat er genoeg lag om te beslissen, zonder opnieuw te horen en aanvullende waarborgen te geven. Omdat niet nogmaals gehoord hoeft te worden, hoeft ook geen medisch advies gevraagd te worden. Een dergelijk advies zou immers geen toegevoegde waarde hebben.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om eiser nogmaals te horen en hem een medisch advies aan te bieden. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat zij de minister niet volgt in zijn stelling dat uit de uitspraak van de rechtbank/zittingsplaats Den Haag volgt dat eiser niet nogmaals gehoord hoefde te worden. Daarbij wijst de rechtbank op hetgeen in r.o. 6 van die uitspraak wordt overwogen:
‘(…)
Hoewel geen uitvoering is gegeven aan de procedurele waarborgen zoals opgenomen in Werkinstructie 2022/145, hetgeen als onzorgvuldig handelen moet worden aangemerkt, is dat in deze zaak echter onvoldoende voor de conclusie dat de gehoren opnieuw moeten worden afgenomen. Niet gesteld of gebleken is dat eiser niet volledig heeft kunnen verklaren. […]. In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat verweerder beide asielmotieven van eiser geloofwaardig heeft geacht.’
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt in deze overweging geen rechtsoordeel besloten waaruit volgt dat eiser in het eventuele verdere verloop van zijn procedure niet meer gehoord hoeft te worden. In de geciteerde rechtsoverweging wordt slechts geoordeeld dat er onvoldoende aanleiding is voor het oordeel dat het aanmeldgehoor opnieuw moet worden afgenomen. De minister mag dit gehoor dus gebruiken, maar dat ontslaat hem er naar het oordeel van de rechtbank niet van om verdere procedurele waarborgen te handhaven.
5.5.
De rechtbank acht daarbij ook relevant dat de rechtbank/zittingsplaats Den Haag in haar uitspraak expliciet noemt dat zij tot dit oordeel komt, omdat de minister de beide asielmotieven van eiser geloofwaardig heeft geacht. In zoverre in rechte vaststaat dat er geen nieuw gehoor hoeft plaats te vinden, ziet dit dus op het aanmeldgehoor in relatie tot de geloofwaardigheidstoets. Daarmee heeft de rechtbank/zittingsplaats Den Haag zich dus niet uitgelaten over een eventueel nader gehoor of over eisers verklaringen in het kader van zijn vrees bij terugkeer.
5.6.
Uit WI 2024/9 volgt dat vreemdelingen van wie de eerste asielaanvraag in spoor 4 wordt behandeld, gedurende de rust- en voorbereidingstermijn een medisch advies horen en beslissen aangeboden krijgen. [3] Hiervoor hoeft de vreemdeling geen aanknopingspunten aan te dragen; artikel 3.109, zesde lid, Vreemdelingenbesluit (Vb) is immers niet van toepassing. Uit artikel 3.113, eerste lid, Vb volgt daarnaast dat vreemdelingen op de eerste dag aan een nader gehoor worden onderworpen. De rechtbank is van oordeel dat nu de aanvraag van eiser in spoor vier is behandeld, de minister rekenschap had moeten geven aan de daarbij horende procedurele waarborgen en dus gehouden was om eiser een medisch advies en een nader gehoor aan te bieden. De minister heeft dit ten onrechte niet gedaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.886,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zaaknummers: NL24.43945 en NL24.43946.
3.Conform artikel 3.109, vijfde lid, Vb.