ECLI:NL:RBDHA:2026:18222
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken feitelijke gezinsband in nareisprocedure
Eiseres, met de Jemenitische nationaliteit, verzocht via referent om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Verweerder wees de aanvraag af omdat de familierechtelijke relatie niet aannemelijk was gemaakt; de overgelegde kopie van de traditionele huwelijksakte kon niet op echtheid worden onderzocht en het wettelijke huwelijk bestond nog niet bij binnenkomst van de referent.
Eisers voerden aan dat het besluit in strijd was met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, artikel 8 EVRM Pro en de Gezinsherenigingsrichtlijn, en dat er wel degelijk sprake was van een feitelijke gezinsband. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het voordeel van de twijfel had gegeven maar dat eiseres en referent niet aannemelijk hadden gemaakt dat er op het peilmoment een feitelijke gezinsband bestond, mede omdat zij niet samenwoonden en de relatie was verbroken.
De rechtbank vond het bestreden besluit niet onredelijk hard en oordeelde dat verweerder de motivering omtrent het niet ambtshalve toetsen aan artikel 8 EVRM Pro deugdelijk had gegeven, verwijzend naar het toepasselijke beleid. De overige beroepsgronden boden geen aanleiding tot vernietiging van het besluit.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eisers kregen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.