ECLI:NL:RBDHA:2026:18222

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL25.26127
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 29, tweede lid, onder a, Vreemdelingenwet 2000Artikel 8 EVRMRichtlijn 2003/86/EGInformatiebericht 2024/7
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken feitelijke gezinsband in nareisprocedure

Eiseres, met de Jemenitische nationaliteit, verzocht via referent om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Verweerder wees de aanvraag af omdat de familierechtelijke relatie niet aannemelijk was gemaakt; de overgelegde kopie van de traditionele huwelijksakte kon niet op echtheid worden onderzocht en het wettelijke huwelijk bestond nog niet bij binnenkomst van de referent.

Eisers voerden aan dat het besluit in strijd was met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, artikel 8 EVRM Pro en de Gezinsherenigingsrichtlijn, en dat er wel degelijk sprake was van een feitelijke gezinsband. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het voordeel van de twijfel had gegeven maar dat eiseres en referent niet aannemelijk hadden gemaakt dat er op het peilmoment een feitelijke gezinsband bestond, mede omdat zij niet samenwoonden en de relatie was verbroken.

De rechtbank vond het bestreden besluit niet onredelijk hard en oordeelde dat verweerder de motivering omtrent het niet ambtshalve toetsen aan artikel 8 EVRM Pro deugdelijk had gegeven, verwijzend naar het toepasselijke beleid. De overige beroepsgronden boden geen aanleiding tot vernietiging van het besluit.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eisers kregen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26127

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

[referent]¸ geboren op [geboortedatum 1] 1997, eiser/referent (hierna: referent)
samen: eisers
(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Flach).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Suleman als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 2000 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Referent heeft namens eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet aannemelijk is gemaakt. De overgelegde huwelijksaktes zijn hier onvoldoende voor, omdat de kopie van de traditionele huwelijksakte niet op echtheid kan worden onderzocht en het wettelijke huwelijk nog niet bestond toen referent Nederland binnen kwam. Verweerder heeft aan eiseres en referent het voordeel van de twijfel gegeven, maar zij hebben volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat er tussen hen op het peilmoment sprake was van een feitelijke gezinsband. Verder heeft verweerder niet doorgetoetst aan artikel 8 van Pro het EVRM [1] omdat eiseres een reguliere aanvraag kan doen.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eiseres en referent zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst beschouwen zij het namens hen ingediende bezwaarschrift als herhaald en ingelast. Ten tweede is het bestreden besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, artikel 8 van Pro het EVRM en de Gezinsherenigingsrichtlijn [2] . Ten derde heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat er tussen eiseres en referent op het peilmoment geen sprake was van een feitelijke huwelijksrelatie. Ten vierde heeft verweerder ten onrechte nagelaten om een belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Ten slotte is het bestreden besluit onevenredig hard.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Feitelijke gezinsband
5. Aan de partner van iemand met een verblijfsvergunning asiel kan een afgeleide asielvergunning worden verleend indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de referent in Nederland behoorde tot diens gezin. [3] De bewijslast om de feitelijke gezinsband aannemelijk te maken rust op eiseres en referent. [4]
5.1.
Voor zover eisers betogen dat de overgelegde kopie van de traditionele huwelijksakte voldoende moet zijn om de familierechtelijke relatie tussen hen aan te tonen, volgt de rechtbank dit niet. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat het document niet op echtheid kan worden onderzocht, omdat eisers alleen een kopie hebben overgelegd. Verweerder heeft vervolgens het voordeel van de twijfel mogen geven aan eisers en de feitelijke gezinsband kunnen beoordelen. De stelling van eisers dat zij er niets aan kunnen doen dat de originele traditionele huwelijksakte niet kan worden overgelegd, maakt deze conclusie dus niet anders.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres en referent niet aannemelijk hebben gemaakt dat er op het peilmoment tussen hen sprake was van een feitelijke gezinsband. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiseres en referent zowel voor als na het gestelde traditionele huwelijk een paar keer samen zijn geweest, niet hebben samengewoond en geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daarnaast heeft verweerder van belang kunnen vinden dat eiser heeft verklaard dat voorafgaand aan het peilmoment de relatie tussen hem en eiseres was verbroken en het traditionele huwelijk was ontbonden. De stelling van eiser tijdens de zitting dat hij dit door de stress heeft verklaard en dit niet bedoelde te verklaren, kan niet worden gevolgd. Eiser heeft namelijk ondubbelzinnig en op verschillende momenten verklaard dat de relatie was beëindigd. [5] De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de overgelegde bewijsstukken, omdat verweerder deze stukken voldoende heeft betrokken.
5.3.
Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat het bestreden besluit onredelijk hard is. Eiser voert aan dat onredelijk hard is dat er zo veel gevolgen worden gehangen aan het feit dat hij (maar) een keer heeft verklaard dat zijn relatie was verbroken. Volgens eiser is een nieuwe reguliere procedure, met leges, wachttijd en mogelijke inkomenseisen, een onevenredige drempel. De rechtbank overweegt dat eiser niet slechts een keer maar meerdere keren heeft verklaard dat zijn relatie was verbroken. Ook heeft eiser niet nader toegelicht waarom de negatieve gevolgen onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 8 van Pro het EVRM
6. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [6] volgt dat in een nareisaanvraag altijd een impliciet beroep op artikel 8 van Pro het EVRM besloten ligt. Verweerder moet daarom in elke nareiszaak deugdelijk motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van Pro het EVRM of een mvv met het oog op die vergunning. Verweerder kan voor deze motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve aan artikel 8 van Pro het EVRM heeft getoetst. In het bestreden besluit heeft verweerder gewezen op het Informatiebericht 2024/7 [7] dat hij heeft opgesteld naar aanleiding van een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. In lijn met dit informatiebericht heeft verweerder geen ambtshalve toets aan artikel 8 van Pro het EVRM uitgevoerd, omdat er een regulier kader bestaat voor de aanvraag van eisers.
Overige beroepsgronden
7. De rechtbank ziet in de overige beroepsgronden geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Uit de algemene stelling van eisers dat het bezwaarschrift als herhaald en ingelast wordt beschouwd, kan de rechtbank namelijk niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Hetzelfde geldt voor de algemene stelling van eisers dat het bestreden besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, artikel 8 van Pro het EVRM en de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
2.Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
3.Artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2151, r.o. 5.1.
5.Zie pagina 8 van het verslag van het aanmeldgehoor op 9 november 2021, pagina 8 van het verslag van het gehoor nareis in de aanvraagfase op 2 mei 2024, pagina 5 van het verslag van het gehoor nareis in de bezwaarfase op 15 mei 2025.
7.Ambtshalve doortoetsen aan 8 EVRM bij nareis.