ECLI:NL:RBDHA:2026:18226

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL25.12845 en NL25.12847
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 20 VWEUArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 9 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende afhankelijkheidsrelatie

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn Nederlandse echtgenote te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat er sprake was van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat zij niet gescheiden konden worden, zoals vereist volgens het arrest K.A. tegen België.

Tijdens de beroepsprocedure overleed de echtgenote. Eiser voerde aan dat verweerder de uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie had miskend en de hoorplicht had geschonden. Tevens stelde hij dat zijn aanvraag ook op grond van artikel 8 EVRM Pro getoetst moest worden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken en voldoende had gemotiveerd dat er geen uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie bestond. De medische stukken ondersteunden niet dat eiser de noodzakelijke zorg verleende. Ook was de belangenafweging in het kader van het gezins- en privéleven zorgvuldig gemaakt. De hoorplicht was niet geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.12845 en NL25.12847
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),
en
de minister van Asiel en Migratie,
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER [1] en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 februari 2023 afgewezen. Met het besluit van 9 augustus 2023 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Met de brief van 4 januari 2024 is het besluit van 9 augustus 2023 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 24 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.K. Umar als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend om bij zijn echtgenote [naam] (referente), met de Nederlandse nationaliteit, te verblijven.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser niet had aangetoond dat er tussen hem en referente sprake was van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eiser en referente op geen enkele wijze gescheiden konden worden. Ten slotte heeft verweerder geconcludeerd dat de uitzetting van eiser niet in strijd was met eisers recht op familie- en privéleven [2] .
3.1.
Op 11 november 2025 is referente overleden.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert aan dat verweerder heeft miskend dat er tussen eiser en referente sprake was van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie in de zin van het arrest K.A. Eiser was namelijk getrouwd met referente en referente was vanwege haar medische situatie afhankelijk van de zorg van eiser. Als verweerder de aanvraag had ingewilligd, zou eiser inmiddels recht hebben gehad op duurzaam verblijf. Verder is eiser van mening dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Daarnaast betoogt eiser dat zijn aanvraag ook ziet op toetsing aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Verder voert eiser aan dat uit jurisprudentie volgt dat bij een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER eerst moet worden gekeken of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van nationaal recht. Tot slot verwijst eiser naar verschillende uitspraken van nationale rechtbanken, het EHRM [3] , het HvJEU [4] en een handleiding van de Europese Commissie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Procesbelang
6. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser nog belang heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroep. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat eiser geen proces-belang heeft. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat eiser procesbelang heeft.
Afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro
7. Uit het arrest K.A. tegen België [5] volgt dat een afgeleid verblijfsrecht kan ontstaan op grond van artikel 20 van Pro het VWEU als een derdelander verblijf beoogt bij een meerderjarig familielid dat burger van de Unie is. Er moet dan sprake zijn van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen twee volwassen familieleden, dat de meerderjarige derdelander en de meerderjarige Unieburger op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden en dat een verblijfsweigering ertoe zal leiden dat de Unieburger verplicht is om het grondgebied van de Unie te verlaten.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er niet is gebleken van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het arrest K.A. waarbij sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eiser en referent op geen enkele wijze van elkaar konden worden gescheiden. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser in bezwaar geen actuele bewijsstukken heeft overgelegd om de afhankelijkheidsrelatie tussen hem en referente te onderbouwen en niet heeft gemotiveerd waarom er geen bewijsstukken overgelegd zouden kunnen worden. Hierbij heeft verweerder ook mogen betrekken dat eiser specifiek op het belang van de ontbrekende stukken is gewezen. [6] Eiser heeft niet met stukken of andere objectieve bewijsmiddelen onderbouwd dat hij referente verzorgde omdat zij gezien haar psychische en medische klachten niet voor zichzelf kon zorgen. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat uit de tijdens de hoorzitting in bezwaar afgelegde verklaringen en de in bezwaar overlegde stukken niet blijkt dat referente toen onder medische of psychische behandeling stond. Ook heeft verweerder mogen overwegen dat op basis van diezelfde informatie niet blijkt waarom juist eiser voor referente moest zorgen. De enkele stelling van eiser dat het snel slecht zou gaan met referente als eiser en referente niet meer samen zouden kunnen zijn, heeft verweerder onvoldoende mogen achten voor het aannemen van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat referente gedwongen zou worden om het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser geen verblijfsvergunning zou worden verleend. De medische stukken van referente die eiser vlak voor de zitting heeft overgelegd, geven geen aanleiding voor een andere conclusie. Hieruit volgt namelijk ook niet dat referente voor medische zorg afhankelijk was van eiser.
Gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM
8. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt in het kader van het gezinsleven [7] . De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en de belangenafweging voldoende heeft gemotiveerd. Zo heeft verweerder de regelgeving en het restrictieve toelatingskader in het nadeel van eiser kunnen wegen. Verweerder heeft het feit dat eiser een inkomen heeft waarmee hij zichzelf kan onderhouden, in zijn voordeel betrokken. Verweerder heeft echter kunnen tegenwerpen dat wanneer eiser in Nederland komt wonen, eiser toegang krijgt tot alle voorzieningen in Nederland die vanuit de algemene middelen worden betaald. Ook heeft verweerder in het nadeel van eiser kunnen wegen dat niet is gebleken van een objectieve of subjectieve belemmering of andere redenen die het onmogelijk maakten om het gezinsleven in Nigeria uit te oefenen. Daarbij is van belang dat dat eiser in Nigeria is geboren en daar familie heeft. Ook heeft verweerder wat betreft de medische situatie mogen verwijzen naar hetgeen verweerder eerder in het bestreden besluit heeft overwogen. De in beroep overgelegde medische stukken van referente maken dit niet anders, omdat ze geen ander licht werpen op de situatie van referente ten tijde van het bestreden besluit. Ten slotte heeft verweerder mogen meewegen dat er sprake is van eerste toelating en dat eiser het gezinsleven met referente heeft opgebouwd terwijl hij geen verblijfsvergunning in Nederland had.
Privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken voor de beoordeling of weigering van de verblijfsvergunning in strijd is met het privéleven onder artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eisers verblijf niet rechtmatig is geweest op grond van een verblijfsdocument, en dat eiser aan de opgebouwde banden tijdens illegaal verblijf of onzekere verblijfsrechtelijke status, geen rechten kan ontlenen. Ook heeft verweerder mogen overwegen dat eiser niet heeft uitgelegd waarom de Guidance van de Europese Commissie [8] voor eisers aanvraag van belang is, en waarom dit zou moeten leiden tot een gegrond bezwaar.
Hoorplicht
10. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. Eiser en referente zijn op 18 april 2024 in het bijzijn van eisers gemachtigde gehoord in verband met de behandeling van het bezwaar. Daarmee heeft verweerder aan de hoorplicht in bezwaar voldaan.
Overige beroepsgronden
11. De rechtbank is van oordeel dat de overige beroepsgronden niet slagen. De rechtbank kan hieruit namelijk niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is, omdat de overige gronden niet nader zijn geconcretiseerd en/of onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond.
13. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [9] .
14. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.In de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.Uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 mei 2018 (K.A. tegen België), ECLI:EU:C:2018:308.
6.Per brief van 13 januari 2025 van verweerder, waarin verweerder eiser in de gelegenheid heeft gesteld om zijn bezwaarschrift te actualiseren en hiertoe stukken te overleggen. Hierin is nogmaals aangegeven dat het aan eiser is om aan te tonen en toe te lichten welke zorg nodig is, en dat referente specifiek zorg nodig heeft van eiser.
7.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
8.Van 3 april 2014.
9.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.