ECLI:NL:RBDHA:2026:1824

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
C/09/687965 / HA ZA 25-595
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:166 BWArt. 6:212 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling en financiële afwikkeling tussen ex-samenwoners na beëindiging relatie

Partijen, ex-samenwoners met een minderjarige zoon, zijn in geschil geraakt over de verdeling van hun gezamenlijke inboedel, de spaarrekening van de minderjarige, een lening en zorgkosten na een incident waarbij de man werd mishandeld.

De rechtbank oordeelt dat de spaarrekening van de minderjarige wordt opgeheven en het saldo wordt verdeeld conform de tussen partijen bereikte overeenstemming. De vordering tot verdeling van de inboedel wordt deels afgewezen omdat de man geen beschikking meer heeft over de gevorderde goederen en de subsidiaire vordering wegens overbedeling onvoldoende is onderbouwd.

De vordering tot terugbetaling van de lening wordt afgewezen omdat de rechtbank aannemelijk acht dat de lening contant is terugbetaald en tijdens de relatie is geconsumeerd. De vrouw krijgt wel gelijk in haar vordering tot vergoeding van zorgkosten die zij voor de man heeft betaald, omdat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hiervoor een redelijke grond bestond.

In reconventie wordt de vrouw veroordeeld tot betaling van een bedrag wegens onrechtmatige onttrekkingen van de gezamenlijke rekening, terwijl de vordering van de man tot vergoeding van een belastingnaheffing wordt afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst deels vorderingen toe en wijst deels af, met compensatie van proceskosten en veroordeling tot betaling van zorgkosten en onrechtmatige onttrekkingen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/687965 / HA ZA 25-595
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. G. Alkilic te Den Haag,
tegen
[de man]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
advocaat: mr. M.W. Kuiper te Den Haag.
Partijen zullen hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 2 juli 2025, met producties 1 tot en met 8;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 21;
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025;
- de aanvullende productie aan de zijde van de man.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten in conventie en in reconventie

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben samen een minderjarige zoon (hierna: de minderjarige). Partijen hebben daarnaast ieder een kind uit een eerdere relatie.
2.2.
Partijen zijn samen eigenaar geweest van een woning (hierna: de woning). Op 9 januari 2019 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten. Daarin is voor zover van belang het volgende bepaald:
“DEFINITIES
Artikel 2
Inboedel
Onder inboedel wordt in deze overeenkomst verstaan de roerende zaken die dienen tot huisraad, stoffering en meubilering van de door partijen gezamenlijk bewoonde woning, alsmede:
- computers met toebehoren;
- audiovisuele apparatuur;
- voor de gewone gang van de huishouding bestemde apparatuur;
- auto’s (en vaartuigen).
Onder inboedel worden niet begrepen verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard.
(…)
INBOEDEL
Artikel 6
Partijen zijn overeengekomen dat de inboedel die door partijen tot op heden is verkregen, gezien hun samenwoning en de daaruit voortvloeiende wederzijdse verzorgingsverplichting, aan hen gezamenlijk toekomt. Op grond hiervan draagt ieder van hen voor zover nodig de helft van de hem toebehorende goederen zonder vergoeding aan de ander over. Het voorgaande geldt niet indien partijen bij de aanschaf van een goed schriftelijk uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen.”
2.3.
Partijen hebben op 20 september 2020 een leningsovereenkomst gesloten met de heer [naam] , waarbij partijen een bedrag van € 25.000 aan hem hebben uitgeleend.
2.4.
Op 13 september 2022 is de man door (in ieder geval) de vader van de vrouw mishandeld, waarna de man per ambulance naar de eerste hulp van het ziekenhuis is vervoerd. De zorgverzekeraar heeft het daarop verschuldigde eigen risico van € 833,66 van de rekening van de vrouw afgeschreven.
2.5.
Na het incident op 13 september 2022 is aan de vrouw een huisverbod opgelegd voor de periode van 13 september 2022 tot 24 september 2022.
2.6.
Op 13 december 2022 zijn twee kort gedingen tussen partijen gevoegd en ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank behandeld. Tijdens deze zitting hebben partijen overeenstemming bereikt, die is neergelegd in een (door partijen ondertekend) proces-verbaal (hierna: de minnelijke regeling). Voor zover relevant zijn partijen overeengekomen:
“(…)
1.
Vanaf heden heeft de man voorlopig het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning van partijen aan de [adres] (…)
2.
De man dient zorg te dragen voor betaling van de woonlasten totdat partijen tot een verdeling zijn gekomen en zolang hij in de woning verblijft, met dien verstande dat de vrouw vanaf 1 januari 2023 maandelijks een bedrag ter grootte van de helft van de maandelijkse aflossing zal overmaken, te weten een bedrag van €294,--. (…)
3.
De woning zal op verzoek van beide partijen worden getaxeerd door makelaar [bedrijf] (…) Die taxatie zal plaatsvinden tegen verkoopwaarde in vrije staat. De taxateur zal de taxatie als bindend adviseur verrichten en de taxatie zal tussen partijen dus als bindend hebben te gelden. Zodra het taxatierapport voorhanden is zal de man nagaan of hij bereid en in staat is de woning voor de getaxeerde waarde over te nemen. Daarbij dient hij na te gaan of hij de vrouw kan doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en het aan haar toekomende deel van de overwaarde kan voldoen. De man heeft maximaal drie maanden na ontvangst van het taxatierapport de tijd om een en ander te realiseren. (…) Zodra hij duidelijkheid heeft over het al of niet overnemen van de woning dient hij dat (gedocumenteerd) aan de vrouw kenbaar te maken. In voorkomend geval dient hij de notaris in te schakelen voor de levering. Indien hij niet in staat is de vrouw uit te kopen zal de woning in opdracht van partijen moeten worden verkocht. (…)
4. De eerder ingeschakelde taxerende makelaar zal zo nodig de verkoopopdracht van
partijenkrijgen. (…)
5. De zorgregeling met [minderjarige] zal voorlopig luiden als volgt. [minderjarige] is in de oneven weken
van vrijdag uit school tot zondag 16.00 uur bij de man en in de even weken op
woensdag uit school tot vrijdag naár school bij de man.(…)
6. De man zal maandag aanstaande de skelter van [minderjarige] en de gitaar van de vrouw afleveren
bij de woning van de moeder van de vrouw.
7. De man zal ten titel van voorlopige kinderalimentatie maandelijks, te beginnen met
Januari 2023, een bedrag van € 294,-- betalen aan de vrouw, in afwachting van nadere
vaststelling van de kinderalimentatie door de bodemrechter.(…)
8. Partijen hebben na uitvoering van deze regeling met betrekking tot dit geschil over en weer niets meer van elkaar te vorderen en verlenen elkaar reeds nu voor alsdan over en weer finale kwijting.
(…)”
2.7.
De man heeft vervolgens de woning overgenomen.

3.Het geschil in conventie en in reconventie

in conventie
3.1.
De vrouw vordert - samengevat - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de man zijn medewerking moet verlenen aan de opzegging van de spaarrekening van de minderjarige en dat het eindsaldo tussen partijen wordt verdeeld in die zin dat eerst € 150 van het saldo aan de vrouw wordt terugbetaald en het restant bij helfte wordt verdeeld;
II. te bepalen dat primair de inboedel tussen partijen wordt verdeeld in die zin dat deze aan de man wordt toegedeeld met uitzondering van één tv met beugel, het koffiezetapparaat en de geluidsboxen en subsidiair de volledige inboedel aan de man wordt toebedeeld waarbij de man uit hoofde van overbedeling € 7.000 aan de vrouw moet voldoen;
III. te bepalen dat de man een bedrag van € 12.500, vermeerderd met wettelijke rente, aan de vrouw dient te betalen uit hoofde van de lening die aan hem is afgelost;
IV. te bepalen dat de man gehouden is zijn eigen zorgkosten te voldoen en € 833,66 aan de vrouw voldoet.
3.2.
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
De man vordert - samengevat - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 4.452,46 dient te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente;
II. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 5.010 dient te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.5.
De vrouw voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

in conventie
Spaarrekening minderjarige (vordering I.)
4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de spaarrekening op naam van de minderjarige. Partijen zijn het erover eens dat de huidige spaarrekening op naam van de minderjarige wordt opgeheven, waarbij het actuele saldo wordt overgemaakt naar de rekeningen van partijen waarbij de vrouw € 150 meer zal ontvangen dan de man, en dat partijen ieder afzonderlijk een nieuwe spaarrekening op naam van de minderjarige openen waarop zij het door hen ontvangen deel van het saldo zullen storten. De rechtbank behoeft dus niet meer op vordering I. te beslissen.
Finale kwijting?
4.2.
Ten aanzien van de overige vorderingen van de vrouw (onder II., III. en IV.) voert de man het verweer dat de vrouw niet-ontvankelijk is, omdat partijen elkaar met de minnelijke regeling over en weer finale kwijting hebben verleend. Hierop stuiten de vorderingen van de vrouw reeds af, aldus de man.
4.3.
De vrouw stelt dat partijen elkaar in de minnelijke regeling uitsluitend finale kwijting hebben verleend voor wat betreft de onderwerpen die daarin zijn opgenomen. De vrouw stelt dat de minnelijke regeling geen betrekking heeft op de vorderingen die zij in deze procedure heeft ingesteld.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minnelijke regeling betrekking heeft op de verdeling van de woning. In de minnelijke regeling valt niet te lezen dat de vrouw ook afstand heeft gedaan ten aanzien van de vorderingen die zij in deze procedure stelt te hebben. De man heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waarop zou kunnen worden gebaseerd dat partijen, ondanks de bewoordingen en inhoud van de minnelijke regeling, ook de bedoeling hadden om elkaar finale kwijting te verlenen ten aanzien van hetgeen de vrouw thans vordert onder II., III. en IV. Anders dan de man heeft aangevoerd kan uit de omstandigheid dat partijen in de minnelijke regeling een praktische afspraak hebben gemaakt over de afgifte van de skelter van de minderjarige en de gitaar van de vrouw, niet worden afgeleid dat de minnelijke regeling ook ziet op de verdeling van overige roerende zaken. Daarbij komt dat de man tijdens de mondelinge behandeling zelf heeft verklaard dat partijen na afloop van de mondelinge behandeling van de kort geding procedures nog afspraken moesten maken over de inboedel en dat hij in dit kader een voorstel heeft gedaan om deze te laten taxeren.
Inboedel (vordering II.)
4.5.
De vrouw stelt in deze procedure dat de inboedel nog niet is verdeeld. Volgens de vrouw vertegenwoordigt de inboedel een waarde van € 35.077,71. De vrouw wil dat de gehele inboedel aan de man wordt toebedeeld met uitzondering van één tv met beugel, het koffiezetapparaat en de geluidsboxen of dat de man haar vanwege overbedeling een bedrag van € 7.000 betaalt.
4.6.
De man stelt zich op het standpunt dat de inboedel is verdeeld, omdat de vrouw al veel spullen uit de woning heeft meegenomen. De man geeft aan dat de vrouw de inboedelgoederen te hoog heeft gewaardeerd. Ook voert de man aan dat de zaken die de vrouw toebedeeld wenst te krijgen zijn privé-eigendom zijn, omdat deze zijn betaald van zijn zakelijke rekening dan wel met een schenking van zijn moeder.
4.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn in artikel 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst overeengekomen dat de inboedel aan hen gezamenlijk toekomt. Dat de tv, het koffiezetapparaat en de geluidsboxen privé-eigendom zijn van de man, heeft hij onvoldoende onderbouwd. De man heeft daarnaast onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waarop zou kunnen worden gebaseerd dat de inboedel al is verdeeld. Dit betekent dat de vrouw in beginsel verdeling van de inboedel kan vorderen. De primaire vordering van de vrouw is echter niet toewijsbaar, omdat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard geen beschikking meer te hebben over de zaken die de vrouw wenst te krijgen toebedeeld.
4.8.
Ten aanzien van de subsidiaire vordering van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt. Bij verdeling dienen partijen ieder een gelijke waarde van de (inboedel)zaken toegedeeld te krijgen. De man voert aan dat de vrouw al veel inboedelgoederen heeft meegenomen, en zelf heeft kunnen uitkiezen welke inboedelgoederen zij wenste mee te nemen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij alleen persoonlijke bezittingen heeft meegenomen. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt filmopnames overgelegd. Daarop is te zien dat de vrouw in meerdere (bestel)auto’s een aanzienlijke hoeveelheid spullen uit de woning heeft meegenomen. De man heeft onweersproken gesteld dat op de filmopnames te zien is dat de vrouwen goederen inpakt, waaronder speelgoed en boeken. Anders dan de vrouw heeft aangevoerd behoort speelgoed tot de in de samenlevingsovereenkomst opgenomen definitie van “inboedel” en is dit gezamenlijk eigendom van partijen. Ook heeft de vrouw op een later moment nog een gitaar en een elektrische fiets opgehaald. De rechtbank stelt daarmee vast dat de vrouw wel inboedelgoederen heeft meegenomen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat de waarde van de in de woning achtergebleven inboedel meer dan de helft van de waarde van de inboedel vertegenwoordigt en dat zij nog iets van de man te vorderen heeft. De vrouw heeft aldus onvoldoende aanknopingspunten gegeven om uit te kunnen gaan van het door haar gestelde bedrag van € 7.000, zodat de rechtbank de subsidiaire vordering zal afwijzen omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
Terugbetaling lening (vordering III.)
4.9.
De vrouw voert aan dat de aan de heer [naam] verstrekte lening door contante betaling aan de man is afgelost. De vrouw stelt dat zij haar deel van de hoofdsom niet van de man heeft ontvangen en maakt aanspraak op dit bedrag.
4.10.
De man stelt zich op het standpunt dat de lening begin 2021 in bijzijn van partijen contant is afgelost door de heer [naam] . Volgens de man hebben partijen dit contante geld gedurende de relatie geconsumeerd, onder andere door uitgaven aan vakanties, attractieparken en een hond. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de man een aantal facturen en bonnen overgelegd.
4.11.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is in geschil of de lening al is terugbetaald. De heer [naam] was aanwezig bij de mondelinge behandeling en heeft in antwoord op vragen van de rechtbank verklaard dat hij de volledige lening in het bijzijn beide partijen contant heeft terugbetaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de heer [naam] te twijfelen. Daarbij komt dat uit de door de man overgelegde facturen en bonnen volgt dat partijen gedurende hun relatie diverse grotere uitgaven, waaronder vakanties, contant hebben betaald. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling een onvoldoende objectief toetsbare verklaring gegeven over een alternatieve herkomst van dit contante geld. Daarnaast heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat partijen tijdens hun relatie een conflict hadden over de terugbetaling van de geldlening, maar heeft zij geen verklaring gegeven over waarom zij dit op een gegeven moment heeft laten rusten. Dit ondersteunt het standpunt van de man dat de oorzaak van het conflict, te weten: de terugbetaling van de geldlening, al was opgelost. Gelet op het voorgaande heeft de vrouw onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de geldlening contant is terugbetaald en dat partijen dit geld gedurende de relatie hebben aangewend voor de kosten van de huishouding. Nu daarmee niet is komen vast te staan dat de vrouw nog enige aanspraak jegens de man heeft met betrekking tot de geldlening, wordt de vordering van de vrouw afgewezen.
Zorgkosten (vordering IV.)
4.12.
De vrouw maakt aanspraak op betaling van de door zorgverzekeraar bij haar in rekening gebrachte kosten ten aanzien van het eigen risico wegens het vervoer van de man per ambulance naar aanleiding van het incident op 13 september 2022. De zorgverzekeraar heeft deze kosten van de rekening van de vrouw afgeschreven, omdat deze destijds was gekoppeld aan de zorgverzekering. De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat de man ongerechtvaardigd is verrijkt omdat zij een schuld van de man heeft betaald. Hiermee is de vrouw verarmd en de man verrijkt.
4.13.
De man betwist dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt. Hij voert aan dat het vervoer per ambulance nodig was, omdat de vrouw hem samen met haar vader heeft mishandeld. De man vindt daarom dat de vrouw de zorgkosten op grond van de redelijkheid en billijkheid moet dragen.
4.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Als de één wordt verrijkt ten koste van de ander dan kan dat ongerechtvaardigd zijn als daarvoor geen redelijke grond aanwezig was. In dat geval bestaat er een verplichting om schade te vergoeden tot het bedrag van de verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW Pro). Als er voor de verrijking wel een redelijke grond aanwezig was, dan is van ongerechtvaardigde verrijking dus geen sprake.
4.15.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een vordering van de zorgverzekeraar op de man heeft betaald. Dit kan worden aangemerkt als een verarming van de vrouw, waardoor de man is verrijkt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een redelijke grond voor de verrijking van de man. Partijen hebben ieder een eigen lezing van het incident zodat de rechtbank geen duidelijkheid heeft gekregen over de precieze rol van de vrouw daarin. De vrouw heeft weersproken dat zij de man letsel heeft toegebracht en heeft aangevoerd dat zij slechts heeft geprobeerd om de man en haar vader uit elkaar te halen. Hoewel de man heeft toegelicht dat hij eerst door de vrouw van voren is aangevallen, waarna de vader hem in zijn rug heeft aangevallen, en hij daardoor niet in staat was zich te verweren tegen de fatale klap die de vader van de vrouw aan hem heeft toegebracht, heeft hij onvoldoende onderbouwd door wie welk letsel is toegebracht en waarom de vrouw – eventueel naast haar vader – voor de ontstane schade aansprakelijk is. Dat aan de vrouw een huisverbod is opgelegd betekent nog niet zonder meer dat zij aansprakelijk kan worden gehouden voor het letsel dat haar vader aan de man heeft toegebracht. Ook het beroep op groepsaansprakelijkheid (artikel 6:162 BW Pro jo. artikel 6:166 BW Pro) dat de man ter zitting heeft gedaan, is om dezelfde redenen onvoldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.16.
Het voorgaande brengt mee dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat er een redelijke grond voor de verrijking aanwezig was, zodat de man ten aanzien van de zorgkosten ongerechtvaardigd is verrijkt. Dit betekent dat de vordering van de vrouw wordt toegewezen.
in reconventie
Onttrekkingen gezamenlijke rekening (vordering I.)
4.17.
De man stelt dat de vrouw zonder overleg en instemming van de man in de periode van 4 mei 2022 tot en met 29 oktober 2022 (in totaal) een bedrag van € 8.904,92 van de gezamenlijke rekening heeft overgeboekt naar haar privérekening en die van haar dochter. De man voert aan dat hiermee sprake is van ongerechtvaardigde verrijking dan wel strijd met de redelijkheid en billijkheid. De man vordert dat de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van de helft van dit bedrag, te weten € 4.452,46.
4.18.
De vrouw betwist niet dat zij een bedrag van € 8.904,92 aan de gezamenlijke rekening heeft onttrokken, maar voert aan dat zij dit bedrag apart heeft gezet om daarmee terugvorderingen van toeslagen en kindgebonden budget te betalen over de jaren 2021 en 2022.
4.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat gedurende de samenleving alle inkomsten van partijen op de gezamenlijke rekening werden gestort en dat daarvan alle kosten van de huishouding werden betaald. De rechtbank leidt hieruit af dat tussen partijen een stilzwijgende afspraak heeft bestaan om alle inkomsten en kosten als gezamenlijk te beschouwen. Dit brengt mee dat het saldo op de bankrekening aan partijen gezamenlijk toekomt en het de vrouw niet vrij stond om gelden aan de gezamenlijke rekening te onttrekken. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de vrouw dat zij gerechtigd was de op de gezamenlijke rekening gestorte alimentatie (4 keer € 225) voor haar dochter over te maken naar de spaarrekening van haar dochter. De rechtbank gaat er namelijk vanuit dat de uitgaven die in de betreffende periode ten behoeve van de dochter van de vrouw zijn gedaan ook van de gezamenlijke rekening zijn betaald. Nu de vrouw zonder recht of titel een bedrag van € 8.904,92 heeft overgeboekt naar zichzelf c.q. haar dochter, is sprake van een onrechtmatige onttrekking. De vrouw is op grond van artikel 6:162 BW Pro verplicht om de schade die de man als gevolg hiervan lijdt te vergoeden. De vrouw moet daarom in beginsel de helft van € 8.904,92 aan de man moet (terug)betalen. Dit bedrag moet worden verrekend met het bedrag dat de vrouw in verband met terugvorderingen van door partijen ontvangen toeslagen aan de belastingdienst heeft betaald, voor zover dit ziet op de periode van samenwonen. Partijen zijn het erover eens dat dit een bedrag van € 1.982 betreft. De man heeft nog aangevoerd dat de vrouw van de Belastingdienst over het jaar 2023 ook nog kindgebondenbudget heeft ontvangen, en de man daar ook nog aanspraak op zou kunnen maken, maar de man heeft niet concreet gemaakt welk bedrag hij in dit verband van de vrouw vordert. De rechtbank kan met deze stelling dan ook geen rekening houden. Gelet op het voorgaande wordt de vrouw veroordeeld om een bedrag van € 3.461,46 (€ 8.904,92 – € 1.982 / 2) aan de man te betalen.
4.20.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente afwijzen. De wettelijke rente gaat pas lopen indien een partij in verzuim is geraakt met de betaling van een schuld die opeisbaar is geworden. De man heeft niet concreet gemaakt wat volgens hem de ingangsdatum van de wettelijke rente is. Daarnaast geldt dat de rechtsbetrekking tussen samenwonenden mede wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Ook op grond daarvan komt de rechtbank tot het oordeel dat het niet redelijk zou zijn de wettelijke rente in te laten gaan, reeds voordat de omvang van de vorderingen is vastgesteld. De rechtbank zal daarom de vrouw veroordelen om het bedrag van € 3.461,46 aan de man te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis.
Naheffing belastingaanslag (vordering II.)
4.21.
De man voert aan dat de vrouw de aangifte Inkomstenbelasting (ib) en bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) over 2021 ten onrechte heeft laten aanpassen waardoor aan hem een naheffingsaanslag van (in totaal) € 5.010 is opgelegd. De man stelt dat hij hierdoor schade heeft geleden en dat de vrouw gehouden is dit bedrag aan hem te vergoeden.
4.22.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij heeft ingestemd met het aanpassen van de belastingaangifte, terwijl zijn boekhouder hem erop heeft gewezen dat hij hiertoe niet verplicht was. De man heeft aangegeven dat hij desondanks heeft ingestemd, omdat hij onder tijdsdruk stond in verband met de overname van de woning. Het is alleszins voorstelbaar dat de man het belang om duidelijkheid te verkrijgen over de mogelijkheid om de woning over te nemen zwaarder heeft laten wegen dan de belangen gemoeid met het aanpassen van de belastingaangifte, maar dit betekent niet dat er een grondslag bestaat om het bedrag van de naheffing op de vrouw te verhalen. De rechtbank zal deze vordering daarom als onvoldoende onderbouwd afwijzen.
Proceskosten
4.23.
Het is in dit soort zaken tussen ex-partners gebruikelijk om de proceskosten te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet in deze zaak geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt de man om aan de vrouw een bedrag van € 833,66 te voldoen;
5.2.
verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.4.
veroordeelt de vrouw om aan de man een bedrag van € 3.461,46 te voldoen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden;
5.5.
verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
verder in conventie en in reconventie
5.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
3219