ECLI:NL:RBDHA:2026:18246

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/09/699222 / HA RK 26-80
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 196 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopig getuigenverhoor en gedeeltelijke inzage financiële stukken in leninggeschil

In deze civiele procedure vordert [verzoekers sub 1], een financiële holding, inzage in financiële stukken en een voorlopig getuigenverhoor tegen [verweerders], waaronder een groothandel in koffie en thee en haar bestuurders. [Verzoekers sub 1] stelt dat zij een lening van €460.000 aan [verweerders sub 1] heeft verstrekt, waarvan slechts een deel is terugbetaald, en vermoedt dat activiteiten zijn voortgezet in een andere vennootschap om verhaal te frustreren.

De rechtbank weegt het verzoek tot voorlopige bewijsverrichtingen af aan de hand van artikel 196 Rv Pro en concludeert dat het belang van [verzoekers] voldoende is, ondanks het verweer van [verweerders] dat het om een investering gaat en niet om een lening. De rechtbank wijst het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor toe en beveelt gedeeltelijke inzage in jaarrekeningen en winst- en verliesrekeningen van [verweerders sub 1] en [verweerders sub 4], met een dwangsom bij niet-naleving.

De rechtbank wijst het verzoek tot inzage in andere financiële overzichten af, omdat het bestaan daarvan niet is vastgesteld. Tevens wordt bepaald dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en dat partijen hun beschikbaarheid moeten doorgeven. De beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en op 22 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank beveelt een voorlopig getuigenverhoor en gelast gedeeltelijke inzage in financiële stukken met een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/699222 / HA RK 26-80
Beschikking van 22 juni 2026
in de zaak van

1.[verzoekers sub 1] B.V. te [vestigingsplaats 1] ,2. [verzoekers sub 2] te [woonplaats 1] ,

verzoekers,
hierna: [verzoekers sub 1] en [verzoekers sub 2] , samen: [verzoekers] ,
advocaten: mrs. B.Z. Loonstein en J.X. ten Velden,
tegen

1.[verweerders sub 1] B.V. te [vestigingsplaats 1] ,2. [verweerders sub 2] B.V. te [vestigingsplaats 2] ,3. [verweerders sub 3] te [woonplaats 2] ,4. [verweerders sub 4] B.V. te [vestigingsplaats 1] ,

verweerders,
hierna: [verweerders sub 1] , [verweerders sub 2] , [verweerders sub 3] en [verweerders sub 4] , samen: [verweerders] ,
[verweerders sub 3] is in persoon verschenen, ook namens de andere verweerders.

1.De procedure

1.1.
Op 6 februari 2026 heeft de rechtbank het verzoekschrift, met productie 1 tot en met 30, ontvangen.
1.2.
Op 12 mei 2026 is de zaak tijdens de mondelinge behandeling met partijen besproken.
1.3.
Op 19 mei 2026 heeft [verweerders sub 3] de rechtbank een e-mail met bijlagen gestuurd. Omdat deze e-mail na het sluiten van de behandeling is verzonden en partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld om nadere stukken toe te zenden, heeft de rechtbank hier geen acht meer op geslagen.
1.4.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekers sub 1] is een financiële holdingmaatschappij waarvan [verzoekers sub 2] enig bestuurder en aandeelhouder is.
2.2.
[verweerders sub 1] is opgericht in maart 2019 en is een groothandel in koffie en thee. Enig bestuurder en aandeelhouder van [verweerders sub 1] is [verweerders sub 2] . Enig bestuurder en aandeelhouder van [verweerders sub 2] is [verweerders sub 3] .
2.3.
[verweerders sub 4] is opgericht in december 2022 en verricht onder meer activiteiten op het gebied van verkoop van koffie en thee. Enig bestuurder en aandeelhouder van [verweerders sub 4] is [verweerders sub 2] .
2.4.
In 2021 en 2022 heeft [verzoekers sub 1] in totaal een bedrag van € 460.000,- overgemaakt aan [verweerders sub 1] . Deze overboekingen waren voorzien van verschillende beschrijvingen zoals (onder meer) lening, investering, bijdrage voorfinanciering en verhuizing. Nadien heeft [verweerders sub 1] verschillende bedragen overgemaakt aan [verzoekers sub 1] .
2.5.
In de periode van juli 2024 tot en met maart 2025 is tussen [verweerders sub 3] en de zoon van [verzoekers sub 2] gecorrespondeerd over terugbetalingen door [verweerders sub 1] aan [verzoekers sub 1] .
2.6.
Bij brieven van 19 september 2025, 6 oktober 2025 en 23 oktober 2025 heeft de advocaat van [verzoekers] gesommeerd tot terugbetaling van een bedrag van (uiteindelijk) € 266.766,92. Bij separate brieven van dezelfde data heeft de advocaat van [verzoekers] [verweerders sub 3] verzocht om toe te staan dat dat [verzoekers sub 2] goederen die zich in een opslag van [verweerders sub 3] bevinden op te halen.
2.7.
Bij brief van 4 december 2025 heeft de advocaat van [verzoekers sub 1] [verweerders sub 2] en [verweerders sub 3] aangesprakelijk gesteld uit hoofde van onrechtmatige daad. In die brief heeft [verzoekers sub 1] – samengevat – zich op het standpunt gesteld dat [verweerders sub 2] en [verweerders sub 3] namens [verweerders sub 1] een terugbetalingsverplichting zijn aangegaan terwijl zij wisten of er niet aan hoefden te twijfelen dat [verweerders sub 1] niet of niet binnen redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Daarnaast heeft [verzoekers sub 1] [verweerders sub 2] verweten dat zij misbruik maakt van het identiteitsverschil, door het voortzetten van de activiteiten van [verweerders sub 1] in [verweerders sub 4] , met als oogmerk het verijdelen van verhaal.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoekers] hebben de rechtbank, zakelijk weergegeven, verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen en om [verweerders] te bevelen om een afschrift van de in het verzoek genoemde financiële stukken te verstrekken, op straffe van een dwangsom.
3.2.
Aan het verzoek hebben [verzoekers] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoekers sub 1] heeft geld geleend aan [verweerders sub 1] , waarvan [verweerders sub 1] slechts een deel heeft terugbetaald. [verzoekers sub 1] heeft daarom een vordering op [verweerders sub 1] ter hoogte van € 266.766,92. Het vermoeden bestaat dat [verweerders sub 3] / [verweerders sub 2] de activiteiten van [verweerders sub 1] hebben voortgezet in [verweerders sub 4] , om zo het verhaal door [verzoekers sub 1] op [verweerders sub 1] te frustreren. [verzoekers] overwegen [verweerders] in rechte te betrekken en willen hun rechtspositie bepalen. Daarom verzoeken zij dat er een voorlopig getuigenverhoor wordt bevolen en dat [verweerders] worden veroordeeld tot het verstrekken van een afschrift van diverse (financiële) stukken. Daarnaast wenst [verzoekers sub 2] getuigen te mogen horen over de eigendommen van [verzoekers sub 2] die [verweerders sub 3] onder zich heeft. [verweerders sub 3] weigert hierover informatie te verstrekken en [verzoekers sub 2] wil onderzoeken welke eigendommen nog beschikbaar zijn en wat er is gebeurd met de overige eigendommen.
3.3.
[verweerders] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van relevant, ingegaan.

4.De beoordeling

Het beoordelingskader van de verzochte voorlopige bewijsverrichtingen
4.1.
Op grond van artikel 196 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen. Het voorlopig getuigenverhoor en de afschriften van bepaalde stukken zoals [verzoekers] die verzoeken zijn zulke bewijsverrichtingen. De rechter wijst een dergelijk verzoek in beginsel toe, tenzij:
de verlangde informatie onvoldoende bepaald is;
er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
het verzoek in strijd is met de goede procesorde;
er sprake is van misbruik van bevoegdheid;
r andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
4.2.
Ten aanzien van het verzoek tot het verstrekken van een afschrift van bepaalde stukken gelden in aanvulling op het vorenstaande en op grond van artikel 194 Rv Pro de volgende voorwaarden:
degene die informatie van een ander verlangt moet partij zijn bij een rechtsbetrekking;
de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn;
degene van wie inzage wordt verlangd moet over de gevraagde informatie beschikken.
Als degene die om informatie vraagt aan de voorwaarden voldoet, kan de rechter het verzoek alleen afwijzen als degene die over de gegevens beschikt een wettelijk verschoningsrecht heeft, of gewichtige redenen zich tegen het geven van een afschrift verzetten.
Het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen
4.3.
De rechtbank zal een voorlopig getuigenverhoor bevelen. Het verweer van [verweerders] dat een deugdelijke grondslag voor de gestelde vordering van [verzoekers] op haar ontbreekt – waarmee ook het belang bij een voorlopige bewijsverrichting zou ontbreken – slaagt niet. [verweerders] heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake was van een lening door [verzoekers sub 1] aan [verweerders sub 1] , maar van een investering door [verzoekers sub 2] in de online activiteiten van [verweerders sub 1] . Omdat er geen verplichting tot terugbetaling bestaat is er ook geen aanleiding voor onderzoek naar de gestelde verhaalsfrustratie volgens [verweerders] Ten aanzien van de goederen in de opslag geldt volgens [verweerders sub 3] dat er geen spullen meer in de opslag staan die aan [verzoekers sub 2] moeten worden geretourneerd, omdat [verzoekers sub 2] al heeft opgehaald wat van hem was en afstand heeft gedaan van het overige. Het verweer komt neer op een betwisting van het bestaan van de gestelde vorderingen, en daarmee de slagingskans van die vorderingen in een bodemprocedure. De toewijsbaarheid van de in te stellen vorderingen ligt bij het verzoek om een voorlopige bewijsverrichting echter niet ter toetsing voor. Dat is alleen anders als er duidelijke aanwijzingen zijn dat er sprake is van een kansloze vordering, maar dat daarvan sprake zou zijn is niet gebleken. Dat partijen van standpunt verschillen over hoe een en ander is verlopen, onderstreept naar het oordeel van de rechtbank juist het belang van [verzoekers] bij de verzochte voorlopige getuigenverhoren.
Het verzoek om afschrift van stukken wordt gedeeltelijk toegewezen
4.4.
Het verzoek tot het verstrekken van een afschrift van diverse financiële stukken wordt gedeeltelijk toegewezen. Aan het verweer van [verweerders] dat inzage in de stukken niet relevant is omdat [verzoekers sub 1] geen deugdelijk onderbouwde vordering op hen heeft wordt voorbijgegaan. Daarvoor is redengevend dat, zoals hiervoor uiteengezet, de toewijsbaarheid van de in te stellen vordering niet ter toetsing voorligt en dat de verschillende standpunten van partijen het belang bij de voorlopige bewijsverrichtingen juist onderstrepen. De rechtbank zal de veroordeling tot afgifte van stukken echter wel beperken tot de stukken waarvan het bestaan vaststaat. Dat betekent dat de veroordeling zich niet uitstrekt tot de overzichten van de door [verweerders sub 1] uitgekeerde managementvergoedingen, door [verweerders sub 1] aan derden uitgeleende gelden en betalingen gedaan door [verweerders sub 1] aan [verweerders sub 4] , [verweerders sub 2] en [verweerders sub 3] . De informatie die [verzoekers] uit deze stukken hoopten te vinden zou volgens hen evenwel ook moeten blijken uit de jaarrekeningen en winst- en verliesrekeningen van [verweerders sub 1] en [verweerders sub 4] . Daarom zal de rechtbank het verzoek alleen ten aanzien van die laatstgenoemde stukken toewijzen.
4.5.
De rechtbank ziet aanleiding om aan deze veroordeling tot afgifte van stukken dwangsommen te verbinden. Deze zullen worden gematigd en gemaximeerd zoals hierna in de beslissing vermeld.
De verdere gang van zaken
4.6.
Het komt de rechtbank efficiënt voor dat [verzoekers] eerst inzage krijgen in de verzochte stukken voordat het voorlopig getuigenverhoor wordt gehouden. De rechtbank zal de termijn voor afgifte vaststellen op twee weken na betekening van deze beschikking.
4.7.
[verweerders] hebben nog aangevoerd dat zij, wanneer er een getuigenverhoor zou worden bepaald, ook getuigen wensen te horen om zo hun kant van het verhaal onder de aandacht van de rechtbank te brengen. Het staat [verweerders] vrij om de rechter-commissaris voor wie het voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden te verzoeken om getuigen te mogen horen in contra-enquête. De beslissing daarover is aan de rechter-commissaris en niet aan de rechtbank in deze procedure, met dien verstande dat het verzoek tot het horen van een beperkt aantal relevante getuigen in contra-enquête doorgaans wordt toegewezen.
4.8.
Aan partijen zal worden verzocht hun verhinderdata over de komende vier maanden toe te zenden aan de rechtbank. Aan de hand van deze verhinderdata zal de rechtbank een datum bepalen voor het verhoor en een rechter-commissaris aanzoeken die het verhoor zal leiden. Vervolgens zal een datum worden gepland voor het horen van de getuigen, welke verhoren ook doorgang zullen vinden als [verweerders] niet blijken te hebben voldaan aan de veroordeling onder 5.1.
4.9.
De ervaring leert dat veelal voor het horen van de eerste getuige minimaal een uur uitgetrokken dient te worden en voor andere getuigen drie kwartier. De rechtbank verzoekt [verzoekers] met het oproepen van de getuigen hiermee rekening te houden en een oproepingsschema tijdig voor het verhoor aan de griffier toe te zenden. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt [verweerders] om een afschrift te verstrekken van:
- de jaarrekening van [verweerders sub 1] B.V. over 2024 en 2025 en over de winst- en verliesrekeningen, althans een overzicht van de opbrengsten en kosten van [verweerders sub 1] B.V. over de jaren 2021 tot en met 2025;
- de jaarrekeningen van [verweerders sub 4] over de jaren 2022, 2023, 2024 en 2025 en over de winst en verliesrekening, althans een overzicht van de opbrengsten en kosten van [verweerders sub 4] over de jaren 2021 tot en met 2025;
op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat zij in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,-;
5.2.
bepaalt dat [verzoekers] uiterlijk twee weken na heden een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of exploot moet laten toekomen aan [verweerders]
5.3.
bepaalt dat het verstrekken van een afschrift van de gegevens moet plaatsvinden uiterlijk binnen twee weken na betekening van deze beschikking aan [verweerders] door toezending van de stukken aan de advocaat van [verzoekers] ;
5.4.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor en bepaalt dat het verhoor zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie te Den Haag aan de Prins Clauslaan 60 op een nader te bepalen datum en tijdstip ten overstaan van een nader te bepalen rechter als rechter-commissaris;
5.5.
bepaalt dat partijen binnen drie weken na heden hun verhinderdata over de komende vier maanden dienen op te geven aan de rechtbank.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.
2184