ECLI:NL:RBDHA:2026:18257

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/09/696574
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E. Voorrips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 GrondwetArt. 7 GrondwetArt. 8 EVRMArt. 10 EVRMArt. 6:162 Burgerlijk Wetboek
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding na onrechtmatige negatieve review over rijschool

Eiser exploiteert een rijschool en vordert schadevergoeding van gedaagde wegens een negatieve review op Google Reviews, waarin grensoverschrijdend gedrag werd beweerd. Gedaagde had de review na politiecontact aangepast en uiteindelijk verwijderd.

De rechtbank weegt het recht op bescherming van eer en goede naam van eiser af tegen het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde. De eerste drie zinnen van de betwiste alinea worden als mening en niet onrechtmatig beoordeeld. De vierde zin, waarin gesteld wordt dat hetzelfde gedrag bij bijna elke vrouwelijke leerling en minderjarige leerlingen plaatsvond, is onrechtmatig wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing.

Echter, het causaal verband tussen deze onrechtmatige uitlating en de door eiser gestelde omzetdaling is niet voldoende aangetoond. De rechtbank wijst daarom de vordering tot schadevergoeding af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige negatieve review wordt afgewezen wegens onvoldoende causaal verband.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/696574 / HA ZA 25-1145
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiser] handelende onder de naam [rijschool]te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. M.P. Harten te Rotterdam,
tegen
[gedaagde]te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. A. Vijftigschild te Leidschendam.
Partijen worden hierna ook [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 5 december 2025 met producties 1 t/m 9;
- de conclusie van antwoord van 4 maart 2026 met producties 1 t/m 4; en
- het tussenvonnis van 25 maart 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 20 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen tijdens de zitting hebben gezegd. Na de mondelinge behandeling is een datum bepaald voor het wijzen van vonnis.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is werkzaam als rij-instructeur en exploiteert de rijschool [rijschool] als eenmanszaak. [gedaagde] heeft autorijles gevolgd bij [eiser] van 15 februari 2024 tot en met 2 juni 2025.
2.2.
Tussen partijen is een conflict ontstaan naar aanleiding waarvan [gedaagde] met de rijles bij [eiser] is gestopt.
2.3.
Op 3 juni 2025 heeft [gedaagde] op Google Reviews een review geplaatst over de rijschool. [gedaagde] heeft de rijschool beoordeeld met één uit vijf sterren. In die openbare recensie heeft [gedaagde] geschreven dat zij ontevreden was over de rijles bij [eiser] , onder meer voor wat betreft de wijze van lesgeven en de communicatie. In die review stond onder meer de volgende tekst:
“Rij instructeur en eigenaar van [rijschool] dhr. [eiser] raakte tijdens de les meermaals zonder duidelijke reden mijn dijen aan onder het mom van “remmen aangeven”. Toen ik aangaf dat ik dit niet prettig vond en dat hij moest stoppen, reageerde hij defensief en maakte hij het persoonlijk. Dit voelde voor mij als zeer grensoverschrijdend en onprofessioneel. Overigens vertoonde hij hetzelfde gedrag bij bijna elke vrouwelijke leerling, ook bij minderjarige leerlingen.”
2.4.
[eiser] heeft naar aanleiding van de review aangifte gedaan van smaad en laster. De politie heeft daarop telefonisch contact opgenomen met [gedaagde] . Op 29 september 2025 heeft [gedaagde] de review aangepast door de zin “
Overigens vertoonde hij hetzelfde gedrag bij bijna elke vrouwelijke leerling, ook bij minderjarige leerlingen”te wijzigen in
“Overigens vertoonde hij hetzelfde gedrag bij andere vrouwelijke leerlingen”.
2.5.
Op 5 december 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] de dagvaarding in de onderhavige zaak doen uitbrengen, waarin hij onder meer vordert dat zij de review verwijdert op straffe van een dwangsom. Op 11 december 2025 heeft [gedaagde] de review van Google Reviews verwijderd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – na eisvermindering – veroordeling van [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 27.006, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag der algehele betaling, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Zowel de oorspronkelijke als de aangepaste review vormt een directe en ernstige inbreuk op de eer en goede naam van [eiser] en zijn rijschool. [gedaagde] heeft daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . Als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft [eiser] schade geleden, omdat de omzet van de rijschool is gekelderd en de aanmeldingen zijn opgedroogd. De schade bestaat uit gederfde winst in het derde en vierde kwartaal van 2025 ten bedrage van € 27.006.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde] heeft de review weliswaar verwijderd, maar zij staat daar nog volledig achter. De review is niet onrechtmatig. [gedaagde] betwist dat de omzetdaling van [eiser] kan worden toegeschreven aan de review en betwist de hoogte van de gestelde schade.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kern van het geschil tussen partijen wordt gevormd door een botsing van twee fundamentele rechten: het recht van [eiser] op de bescherming van eer en goede naam (artikel 10 Grondwet Pro en artikel 8 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)) tegenover het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Grondwet Pro en artikel 10 EVRM Pro) van [gedaagde] .
4.2.
Het recht op de vrijheid van meningsuiting kan op grond van artikel 10 lid 2 EVRM Pro worden beperkt, als dit in de wet is geregeld en in een democratische samenleving nodig is, bijvoorbeeld om de (bedrijfs- of beroepsmatige) reputatie van anderen te beschermen. Van zo’n toegestane beperking is sprake als de uitlatingen onrechtmatig zijn (artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek).
4.3.
Bij de beoordeling of een uiting onrechtmatig is komt het aan op een afweging van de belangen van beide partijen. Daarbij wegen alle relevante omstandigheden van het geval mee. Het belang van [gedaagde] is er met name in gelegen dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over haar ervaringen met [eiser] . Ook als die ervaringen negatief zijn. Daartegenover staat het belang van [eiser] dat er met name in is gelegen dat hij niet wordt blootgesteld aan ongefundeerde verdachtmakingen, die zijn naam en reputatie onnodig schaden.
4.4.
Voor de beoordeling van de (on)rechtmatigheid is bovendien van belang dat de gewraakte tekst een review is, waarbij het voor een lezer in beginsel voldoende duidelijk is dat de inhoud slechts de mening van de schrijver weergeeft. Binnen een vrije maatschappij waarin vrij (maatschappelijk) debat mogelijk moet zijn, komt aan uitlatingen via social media een bijzondere betekenis toe, waarbij mening en opinies moeten kunnen worden gedeeld. Daarbij staat voorop dat ook iemand die meent dat hem of haar een slechte behandeling ten deel is gevallen, vrij is om die onvrede publiekelijk te uiten.
Het stevig aanzetten van de mening en het enigszins overdrijven, zij het niet ongelimiteerd, is daarbij geoorloofd en het beginsel van hoor en wederhoor is daarbij niet aan de orde.
Onrechtmatigheid
4.5.
Voor de omvang van het geschil is het volgende van belang. In de dagvaarding heeft [eiser] gesteld dat de gehele review in zowel de oorspronkelijke als de aangepaste vorm onrechtmatig is. Ter zitting is verduidelijkt dat het geschil zich toespitst op de rechtmatigheid van de tweede alinea, die in rov. 2.3 geciteerd is. De rechtbank zal daarom de toetsing beperken tot de betreffende alinea.
4.6.
In deze alinea beschrijft [gedaagde] eerst een eigen ervaring: zij stelt dat [eiser] meermaals haar dijen heeft aangeraakt tijdens de rijles. Vervolgens deelt [gedaagde] haar mening en gevoel over dat voorval (de tweede en derde zin). In de laatste zin van de alinea stelt [gedaagde] dat [eiser] dit ook bij andere leerlingen heeft gedaan. De rechtbank zal de vier zinnen hierna beoordelen op hun rechtmatigheid.
4.7.
De stelling van [gedaagde] dat [eiser] haar dijen heeft aangeraakt is overwegend feitelijk van aard. Dit voorval wordt door [eiser] ontkend, maar [gedaagde] heeft dit voorval in haar conclusie van antwoord en ter zitting toegelicht, waarbij zij ook verwijst naar een verklaring van haar zus die ook rijles bij [eiser] heeft gevolgd en eenzelfde voorval omschrijft. Gelet op dit alles is niet gebleken dat de bewering van [gedaagde] evident onjuist is. Dat [gedaagde] dit voorval als grensoverschrijdend beschouwt, is haar persoonlijke kwalificatie van haar eigen ervaringen met [eiser] . De tweede en derde zin hebben vervolgens nadrukkelijk het karakter van een persoonlijke mening. Dat is voor de lezer ook duidelijk. [gedaagde] vermeldt in de review immers dat zij haar eigen ervaring deelt met als doel om toekomstige leerlingen te informeren. Bovendien is de tekst geplaatst op Google Reviews, waarvan voor de lezer duidelijk is dat het een platform is voor persoonlijke ervaringen en waarop een beoordeling tot 5 sterren kan worden gegeven. [gedaagde] heeft weliswaar stevige bewoordingen gekozen, maar deze zijn niet onnodig grievend. Dit alles in samenhang bezien leidt tot de conclusie dat de eerste drie zinnen van de tweede alinea niet als onrechtmatig kunnen worden beschouwd.
4.8.
Ten aanzien van de vierde zin overweegt de rechtbank het volgende. Het gaat over ‘het gedrag’ van [eiser] – bedoeld wordt het aanraken van de dijen – bij andere leerlingen. De vierde regel luidde in de oorspronkelijke versie van de review:
“overigens vertoonde hij dit gedrag bij bijna elke vrouwelijke leerling, ook bij minderjarige leerlingen.”De bewering over hetzelfde gedrag bij andere vrouwelijke leerlingen staaft [gedaagde] met een verklaring van één andere vrouwelijke leerling (haar zus). Verder zegt [gedaagde] dat zij zelf heeft gezien dat [eiser] de dijen van andere leerlingen aanraakte, wanneer [gedaagde] op de achterbank van de lesauto zat en na haar rijles werd thuisgebracht. Anders dan haar zus heeft geen van die andere cursisten een verklaring daarover willen opstellen. Wel heeft ook de zus verklaard dat ook zij heeft gezien dat [eiser] dit gedrag bij een andere leerling vertoonde. [eiser] heeft dit alles weersproken. Dat het zou gaan om
bijna elkevrouwelijke leerling heeft [gedaagde] niet verder onderbouwd. [eiser] heeft daarentegen uitgelegd dat [gedaagde] les had in een lesauto met automaat, waar maar een beperkt deel van de leerlingen in reed, zodat [gedaagde] geen zicht kan hebben gehad op bijna elke vrouwelijke leerling van [eiser] . Ten aanzien van de
minderjarigeleerlingen heeft [gedaagde] verklaard dat zij slechts doelde op één voorval met een minderjarige leerling, maar dat zij door een typfout ‘leerlingen’ in meervoudsvorm heeft geschreven. Het voorval met de minderjarige leerling heeft [gedaagde] niet zelf waargenomen. [gedaagde] zegt van haar zus te hebben gehoord dat [eiser] heeft verteld dat een vader van een minderjarige leerling telefonisch zijn beklag bij hem heeft gedaan over een vergelijkbaar incident, waarbij [eiser] aangaf dat die beschuldiging onterecht was. [eiser] heeft verklaard dat noch het voorval noch het telefoongesprek zich heeft voorgedaan.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat het hier niet gaat om een mening maar om constateringen van feitelijke aard. Dat hetzelfde gedrag is vertoond bij andere vrouwelijke leerlingen, acht de rechtbank gelet op [gedaagde] verklaring uit eigen waarneming en die van haar zus, niet evident onjuist. De constateringen over “bijna elke” vrouwelijke leerling en over de minderjarige leerlingen vinden echter onvoldoende basis in de feiten. De rechtbank gaat niet mee in de bewering dat de meervoudsvorm van “minderjarigen” is veroorzaakt door een typfout – in dat geval zou de rest van de zinsnede immers ook anders geformuleerd zijn. Waar een persoonlijke mening mag worden overdreven, geldt dat niet zonder meer voor dit soort feitelijke stellingen, als daarvoor onvoldoende feitelijke aanknopingspunten zijn. Daarbij is van belang dat in deze constateringen de insinuatie besloten ligt dat het gaat om grensoverschrijdend gedrag. Dat gedrag kan in dit geval een misdrijf opleveren, zowel ten aanzien van meerderjarigen als minderjarigen. Een dergelijke verdachtmaking kan de persoonlijke en professionele reputatie van [eiser] ernstig schaden. Gelet op dit alles weegt het belang van [eiser] tot bescherming van zijn reputatie tegen deze verdachtmakingen in dit geval zwaarder dan het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] . De oorspronkelijke versie van de vierde zin van de tweede alinea van de review is onrechtmatig jegens [eiser] .
4.10.
Na het aanpassen van de vierde zin is de bewering afgezwakt tot “
overigens vertoonde hij hetzelfde gedrag bij andere vrouwelijke leerlingen.”Gelet op het voorgaande is deze nieuwe versie niet onrechtmatig jegens [eiser] .
4.11.
De conclusie is dat de oorspronkelijke versie van de vierde zin van de tweede alinea van de review van [gedaagde] , die op Google Reviews heeft gestaan van 3 juni 2025 tot 29 september 2025, onrechtmatig is geweest jegens [eiser] .
Causaliteit
4.12.
Vervolgens moet worden beoordeeld of er een causaal verband bestaat tussen het onrechtmatige gedeelte van de recensie en de door [eiser] gestelde schade. Om het causaal verband vast te stellen tussen de onrechtmatigheid en de gestelde schade, is in beginsel een conditio sine qua non-verband vereist. Met andere woorden: als de onrechtmatige handeling wordt weggedacht, zou de schade zich dan ook hebben voorgedaan?
4.13.
[eiser] vordert vergoeding van een bedrag van € 27.006 aan schade door gemiste omzet in het jaar 2025. [eiser] stelt dat hij minder omzet heeft gemaakt dan geprognosticeerd was. Dit is het gevolg van de review van [gedaagde] , aldus [eiser] , want vóór de publicatie was sprake van een succesvolle rijschool met uitsluitend 5-sterren reviews en een stabiele omzet. Direct na de publicatie is de omzet gekelderd en zijn de aanmeldingen opgedroogd.
4.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens [eiser] is de omzet direct na de publicatie gekelderd en hij overlegt ter onderbouwing van deze stelling een verklaring en berekening van zijn boekhouder. De rechtbank merkt op dat de boekhouder uitgaat van een omzetdaling in het tweede, derde en vierde kwartaal van 2025. In de cijfers van het tweede kwartaal wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen de periode vóór en na de plaatsing van de review op 3 juni. De berekening van de boekhouder dateert bovendien van 3 november 2025, terwijl deze wel al de omzetderving tot eind 2025 omvat. Dat gezegd zijnde, kan aan [eiser] worden toegegeven dat in het overzicht in deze periode alsnog een aanzienlijke omzetdaling zichtbaar is in de periode na de review. Nu het gaat om de omzet van een rijschool, waarbij leerlingen over een langere lesperiode pakketten afnemen en in termijnen betalen, is de vraag hoe het verband tussen review en omzetdaling inzichtelijk kan worden gemaakt. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat dit volgt uit een daling van het aantal aanmeldingen, specifiek van vrouwelijke en/of minderjarige leerlingen, na de review. Dat er een daling is geweest van het aantal aanmeldingen en dat dit specifiek om vrouwen en minderjarigen gaat, kan de rechtbank echter nergens uit opmaken. [eiser] heeft ter zitting uitgelegd dat hij nog steeds vrouwelijke en minderjarige leerlingen heeft en hij overlegt ook een positieve verklaring van een vrouwelijke leerling die dateert van november 2025. Maar ook als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen, dan staat het causaal verband met de onrechtmatigheid daarmee nog niet zonder meer vast. [eiser] heeft in de dagvaarding en ter zitting gezegd dat de negatieve review van [gedaagde] en de beoordeling met 1 van de 5 sterren een vernietigend effect heeft, onder meer op het gemiddelde van de 5-sterrenbeoordeling die [eiser] aanvankelijk was toegekend op Google Reviews. Hoewel het voorstelbaar is dat een negatieve review effect heeft op het aantal aanmeldingen, is daarbij van belang dat een negatieve review op zichzelf niet onrechtmatig is, zoals is uiteengezet in rov. 4.4. Het gaat in dit geval immers om één zin uit de review die onrechtmatig was. [eiser] heeft verder aangevoerd dat zijn goede naam ook buiten Google Reviews is aangetast door de onrechtmatige uitlating, maar hij heeft ook toegelicht dat aan de bedrijfsnaam van de rijschool nog zodanig veel goodwill is verbonden dat hij die bedrijfsnaam niet wijzigt.
4.15.
Het is onvoldoende komen vast te staan dat het onrechtmatige gedeelte van de review heeft geleid tot een daling van het aanmeldingen, met een daling van de omzet tot gevolg. Nu het causaal verband niet is komen vast te staan, is er geen verplichting van [gedaagde] om schade van [eiser] te vergoeden. Aan een beoordeling van de schade komt de rechtbank daarom niet toe.
Proceskosten
4.16.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Daarom moet [eiser] de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.235,00

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.235,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Voorrips en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.