ECLI:NL:RBDHA:2026:18258
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep asielaanvraag in verband met moratorium Syrië
Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 29 oktober 2025, waarin het beroep op zijn asielaanvraag kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank had geoordeeld dat de ingebrekestelling van 14 juli 2025 prematuur was, omdat de beslistermijn door het moratorium Syrië was verlengd tot 4 januari 2026.
Opposant betwistte deze verlenging en stelde dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden zou gelden, of dat de termijn op 3 juli 2025 was verstreken volgens het IND-portaal. De rechtbank beoordeelde in het verzet uitsluitend of de uitspraak van 29 oktober 2025 terecht zonder zitting was gedaan, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was.
De rechtbank concludeerde dat de verlenging van de beslistermijn door het moratorium correct was toegepast en dat de ingebrekestelling prematuur was. Er was geen aanleiding om het verzet gegrond te verklaren, zodat de eerdere uitspraak in stand bleef. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.