ECLI:NL:RBDHA:2026:18259
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen kennelijk niet-ontvankelijk verklaring asielberoep wegens moratorium Syrië ongegrond verklaard
De zaak betreft het verzet van een opposante tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 september 2025, waarin haar beroep op het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard. De opposante had een asielaanvraag ingediend op 12 augustus 2024 en stelde dat de ingebrekestelling van 24 juni 2025 tijdig was, omdat de beslistermijn zes maanden bedroeg.
De rechtbank oordeelde echter dat door het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië, dat sinds 11 december 2024 geldt, de beslistermijn met een jaar is verlengd, waardoor de termijn pas op 13 februari 2026 zou zijn verstreken. Daarom was de ingebrekestelling prematuur en het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. De opposante verwees in verzet naar het arrest Zimir van het Hof van Justitie EU, maar de rechtbank stelde dat dit arrest niet van toepassing is omdat het moratorium een andere situatie betreft.
De rechtbank beperkte haar beoordeling in het verzet tot de vraag of terecht zonder zitting uitspraak is gedaan en concludeerde dat dit het geval is. Het verzet werd ongegrond verklaard, waardoor de eerdere uitspraak in stand blijft. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet tegen de kennelijk niet-ontvankelijk verklaring van het asielberoep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.