Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart de uitspraak van 25 maart 2026 vervallen.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een verzet van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van 25 maart 2026, waarin de rechtbank het beroep van een Iraanse asielzoeker kennelijk gegrond verklaarde wegens het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag van 31 december 2024.
De rechtbank had zonder zitting uitspraak gedaan omdat zij oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was. De minister maakte bezwaar tegen deze procedure en de inhoudelijke uitspraak, omdat de rechtbank geen rekening had gehouden met het Besluit- en Vertrekmoratorium van 23 maart 2026, dat de beslistermijn voor Iraanse asielaanvragen verlengt met maximaal een jaar.
De rechtbank beoordeelde in het verzet uitsluitend of het terecht was dat zonder zitting was beslist. Zij concludeerde dat de rechtbank ten onrechte geen zitting had gehouden, omdat het moratorium mogelijk tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Daarom verklaarde de rechtbank het verzet gegrond, vernietigde de uitspraak van 25 maart 2026 en hervatte het onderzoek in de stand van zaken van vóór die uitspraak.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet van de minister wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt hervat.