ECLI:NL:RBDHA:2026:18263

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL26.1825 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen uitspraak over niet tijdig beslissen asielaanvraag Iran moratorium

De zaak betreft een verzet van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van 25 maart 2026, waarin de rechtbank het beroep van een Iraanse asielzoeker kennelijk gegrond verklaarde wegens het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag van 31 december 2024.

De rechtbank had zonder zitting uitspraak gedaan omdat zij oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was. De minister maakte bezwaar tegen deze procedure en de inhoudelijke uitspraak, omdat de rechtbank geen rekening had gehouden met het Besluit- en Vertrekmoratorium van 23 maart 2026, dat de beslistermijn voor Iraanse asielaanvragen verlengt met maximaal een jaar.

De rechtbank beoordeelde in het verzet uitsluitend of het terecht was dat zonder zitting was beslist. Zij concludeerde dat de rechtbank ten onrechte geen zitting had gehouden, omdat het moratorium mogelijk tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Daarom verklaarde de rechtbank het verzet gegrond, vernietigde de uitspraak van 25 maart 2026 en hervatte het onderzoek in de stand van zaken van vóór die uitspraak.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet van de minister wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt hervat.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1825 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

de minister van Asiel en Migratie, opposant [1]
(gemachtigde: mr. F.P. Dalhuizen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 maart 2025 in het geding tussen
[geopposeerde], V-nummer: [v-nummer] , geopposeerde [2]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
opposant.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 25 maart 2026 waarin de rechtbank het beroep van geopposeerde kennelijk gegrond heeft verklaard.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 25 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [3] is dat het beroep kennelijk gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van geopposeerde
4. Het beroep van geopposeerde ging over het niet tijdig nemen van een besluit door opposant op haar asielaanvraag van 31 december 2024.
De uitspraak van 25 maart 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard en opposant opgedragen om binnen een gestelde termijn alsnog op de aanvraag te beslissen. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is verstreken, dat op 19 december 2025 een ingebrekestelling is ingediend en dat hierna meer dan twee weken zijn verstreken voordat het beroep werd ingesteld.
De verzetsgronden van opposant
6. Opposant heeft verzet gedaan, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van 25 maart 2026. Volgens opposant heeft de rechtbank in de uitspraak ten onrechte geen rekening gehouden met het Besluit- en Vertrekmoratorium [4] van 23 maart 2026 voor vreemdelingen uit Iran. Hiermee is de beslistermijn van lopende asielaanvragen en asielaanvragen die tijdens het moratorium worden ingediend door vreemdelingen uit Iran, verlengd met een jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden.
De regels in verzet
7. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 25 maart 2026 ten onrechte is geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond is. Er is daarom ten onrechte uitspraak gedaan zonder opposant op zitting te horen. Het is namelijk niet uitgesloten dat een zitting in het licht van het vorenstaande tot een andere uitkomst zou hebben geleid. De rechtbank heeft in de uitspraak van 25 maart 2026 geen rekening gehouden met het beslismoratorium voor Iraanse vreemdelingen gepubliceerd op 23 maart 2026.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 25 maart 2026 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand van zaken waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart de uitspraak van 25 maart 2026 vervallen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.
3.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Staatscourant 2026, 11864.