ECLI:NL:RBDHA:2026:18264

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL25.17391 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep niet tijdig beslissen mvv-aanvraag

Opposanten hadden beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank had het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslistermijn van twintig weken nog niet was verstreken toen het beroep werd ingediend.

Opposanten maakten bezwaar tegen deze beoordeling en stelden dat de beslistermijn acht weken bedroeg, omdat de minister niet had meegedeeld dat nader onderzoek nodig was. De rechtbank beoordeelde in het verzet uitsluitend of de eerdere uitspraak terecht was gedaan zonder zitting en of het beroep terecht kennelijk niet-ontvankelijk was verklaard.

De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond is omdat het niet uitgesloten is dat een zitting tot een andere uitkomst zou leiden. De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn acht weken bedroeg en dat niet was gebleken dat de minister een verlenging van twintig weken had meegedeeld. De eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt hervat. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan opposanten.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en het onderzoek wordt hervat.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17391 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], V-nummer: [V-nummer 1], opposant [1]
[opposante], V-nummer: [V-nummer 2], opposante
tezamen: opposanten
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 januari 2026 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposanten gaat over de uitspraak van de rechtbank van 22 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposanten kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Opposanten hebben niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 22 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposanten
4. Het beroep van opposanten ging over het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
De uitspraak van 22 januari 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de bij de eerdere uitspraak opgelegde beslistermijn nog niet was verstreken toen het beroep werd ingediend. De beslistermijn die was opgelegd in de uitspraak van 13 februari 2025 eindigde namelijk op 3 juli 2025 en het beroep is op 11 april 2025 ingesteld.
De verzetsgronden van opposanten
6. Opposanten hebben verzet gedaan, omdat zij het niet eens zijn met de uitspraak van 22 januari 2025. Volgens opposanten heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat in de uitspraak van 13 februari 2025 een beslistermijn van twintig weken is opgelegd. Nu de minister niet heeft meegedeeld dat een nader onderzoek moet plaatsvinden, geldt volgens opposanten een beslistermijn van acht weken.
De regels in verzet
7. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposanten. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposanten op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 22 januari 2026 ten onrechte is geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Er is daarom ten onrechte uitspraak gedaan zonder opposanten op zitting te horen. Het is namelijk niet uitgesloten dat een zitting in het licht van het vorenstaande tot een andere uitkomst zou hebben geleid. De rechtbank stelt vast dat de minister in de uitspraak van 13 februari 2025 is opgedragen om binnen acht weken te beslissen. Als verweerder binnen die termijn besluit dat een nader onderzoek moet plaatsvinden en dit aan opposanten schriftelijk is meegedeeld, dan moet de minister binnen twintig weken beslissen. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder heeft besloten dat een nader onderzoek nodig is en dit aan opposanten heeft medegedeeld.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 22 januari 2026 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand van zaken waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposanten gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenbestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Als aan opposanten een toevoeging is verleend, moet de proceskostenvergoeding worden
betaald aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart de uitspraak van 22 januari 2026 vervallen;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van opposanten tot een bedrag van
€ 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).