ECLI:NL:RBDHA:2026:18265

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL25.18004 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen uitspraak over niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf

Deze uitspraak betreft het verzet van de minister van Asiel en Migratie tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2025, waarin het beroep van de geopposeerde kennelijk gegrond werd verklaard wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

De rechtbank oordeelde in de eerdere uitspraak dat de beslistermijn was overschreden en legde een dwangsom op. De minister maakte bezwaar tegen deze uitspraak, stellende dat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met een eerdere uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2025, waarin een andere beslistermijn en dwangsom werden vastgesteld voor opvolgende beroepen.

De rechtbank concludeert dat het eerdere oordeel onjuist was en dat het niet uitgesloten is dat een zitting tot een andere uitkomst zou leiden. Daarom verklaart de rechtbank het verzet gegrond, vervalt de uitspraak van 1 oktober 2025 en wordt het onderzoek hervat in de stand van voor die uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van 1 oktober 2025 vervalt en het onderzoek wordt hervat.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18004 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

de minister van Asiel en Migratie, opposant [1]
(gemachtigde: mr. F.P. Dalhuizen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2025 in het geding tussen
[geopposeerde], V-nummer: [v-nummer] , geopposeerde [2]
mede namens
[naam 1], geboren op [geboortedatum 1] 1978
[naam 2], geboren op [geboortedatum 2] 2007
[naam 3], geboren op [geboortedatum 3] 2009
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
opposant.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van geopposeerde kennelijk gegrond heeft verklaard.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [3] is dat het beroep kennelijk gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van geopposeerde
4. Het beroep van geopposeerde ging over het niet tijdig nemen van een besluit door opposant op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

De uitspraak van 1 oktober 2025

5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de bij de uitspraak van 17 februari 2025 opgedragen beslistermijn is overschreden. De rechtbank heeft een beslistermijn van twee weken gesteld en een dwangsom vastgesteld van € 200,- voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
De verzetsgronden van opposant
6. Opposant heeft verzet gedaan, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van 1 oktober 2025. Opposant voert aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 23 juli 2025, waarin een oordeel is gegeven over de beslistermijn en rechterlijke dwangsom voor opvolgende beroepen niet tijdig beslissen. [4]
Het oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 1 oktober 2025 ten onrechte is geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond is. Er is daarom ten onrechte uitspraak gedaan zonder opposant op zitting te horen. Het is namelijk niet uitgesloten dat een zitting in het licht van het vorenstaande tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Bij uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2025 [5] heeft deze rechtbank geoordeeld dat het voor opvolgende beroepen redelijk is om dezelfde beslistermijn op te leggen als in eerste beroepen niet tijdig beslissen en dat een rechterlijke dwangsom van €100,- per dag met een maximum van €7.500,- redelijk is. In de uitspraak van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank een andere beslistermijn opgelegd en dwangsom vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 1 oktober 2025 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart de uitspraak van 1 oktober 2025 vervallen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.
3.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).