Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart de uitspraak van 30 maart 2026 vervallen.
Rechtbank Den Haag
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het verzet van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank van 30 maart 2026, waarin het beroep van een Iraanse asielzoeker kennelijk gegrond werd verklaard wegens niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
De rechtbank had zonder zitting geoordeeld dat de beslistermijn was verstreken en had de minister opgedragen alsnog binnen een termijn te beslissen. De minister maakte bezwaar tegen deze uitspraak omdat de rechtbank geen rekening had gehouden met het Besluit- en Vertrekmoratorium van 23 maart 2026, dat de beslistermijn voor Iraanse asielaanvragen verlengt.
In het verzet beoordeelde de rechtbank of het terecht was dat de uitspraak zonder zitting was gedaan. De rechtbank oordeelde dat dit onterecht was omdat het moratorium niet was meegewogen, waardoor een zitting mogelijk tot een andere uitkomst had kunnen leiden.
Daarom verklaarde de rechtbank het verzet gegrond, verviel de uitspraak van 30 maart 2026 en werd het onderzoek hervat in de stand van zaken van vóór die uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzet van de minister is gegrond verklaard, de uitspraak van 30 maart 2026 vervalt en de procedure wordt hervat.