ECLI:NL:RBDHA:2026:18293

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juli 2026
Zaaknummer
C/09/700827 / FA RK 26-2221
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 RvArt. 1:402 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen inzake toevertrouwing kinderen, zorgregeling en kinderalimentatie

Partijen zijn gehuwd en gezamenlijk belast met het gezag over twee minderjarige kinderen. De vrouw verzocht om voorlopige toevertrouwing van de kinderen aan haar, het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, een zorgregeling en voorlopige kinderalimentatie. De man stemde in met toewijzing van de toevertrouwing en het uitsluitend gebruik, maar verzocht tevens een zorgregeling waarbij hij de kinderen op zaterdag in de echtelijke woning zou verzorgen en kort contact op andere momenten.

De rechtbank constateerde dat het zwaartepunt van de zorg bij de vrouw lag, maar dat het in het belang van de kinderen is dat zij regelmatig contact met hun vader hebben. De man wordt daarom toegestaan de kinderen op zaterdag tussen 10.00 en 18.00 uur in de echtelijke woning te verzorgen. De vrouw heeft een aanvraag lopen om haar werkrooster aan te passen, maar momenteel werkt zij op zaterdag. Kort contact op andere momenten werd niet in het dictum opgenomen, maar de vrouw heeft toegezegd hieraan mee te werken.

Het uitsluitend gebruik van de woning wordt aan de vrouw toegekend, met uitzondering van de zaterdagse zorgperiode van de man. De man moet de woning verlaten buiten die tijden. De rechtbank stelde de voorlopige kinderalimentatie vast op €50 per maand, gebaseerd op een berekening van de draagkracht en behoefte van partijen en kinderen. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige toevertrouwing toe aan de vrouw, kent de man zorg op zaterdag toe en stelt een voorlopige kinderalimentatie van €50 per maand vast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2221
Zaaknummer: C/09/700827
Datum beschikking: 3 juni 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 6 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.D. Bauman te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
Op 20 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk H. Rida;
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [dag] 2020 te [plaats] , Libanon.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de vrouw, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de Nederlandse nationaliteit hebben en dat de man de Libanese nationaliteit heeft.

Verzoek en verweer

De vrouw heeft verzocht:
- te bepalen dat de kinderen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd;
- te bepalen dat het voorlopig gebruik van de echtelijke woning, aan de [adres] wordt toegewezen aan de vrouw;
- te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal voldoen ad € 134,- per kind per maand;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De man heeft verzocht de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de toevertrouwing van de kinderen en het uitsluitend gebruik van de woning toe te wijzen. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht:
- te bepalen dat een zorgregeling zal gelden, waarbij de man de kinderen elke zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij zich zal mogen hebben, waarbij de man de kinderen zolang hij nog niet over eigen woonruimte beschikt in de echtelijke woning aan de [adres] zal mogen ontvangen, en de man daarnaast het recht te geven om in overleg met de vrouw op andere momenten in de week kort contact met de kinderen te hebben door in de buurt van de echtelijke woning een wandeling met de kinderen te mogen maken;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt te dezen rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Voorlopige toevertrouwing kinderen
Gebleken is dat het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen bij de vrouw ligt. De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw om de kinderen aan haar toe te vertrouwen. De rechtbank zal het verzoek daarom als in het belang van de kinderen toewijzen.
Voorlopige zorgregeling
Standpunt man
De man heeft verzocht een zorgregeling te bepalen, waarbij hij elke zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur de zorg voor de kinderen draagt, waarbij, zolang hij nog geen eigen woonruimte heeft, de man de kinderen in de echtelijke woning heeft. Daarnaast heeft de man verzocht te bepalen dat hij in overleg met de vrouw op andere momenten in de week kort contact met de kinderen heeft door in de buurt van de echtelijke woning een wandeling met de kinderen te mogen maken. De man heeft aangegeven dat hij het belangrijk vindt dat hij een goede band met de kinderen behoudt, maar dat hij momenteel nog geen eigen woning heeft. De man wil de kinderen het liefst bij zich hebben in een voor hen vertrouwde omgeving. De vrouw moet op zaterdag werken, waardoor hij de kinderen dan in de echtelijke woning kan ontvangen.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft zich verzet tegen de zorgregeling. Zij verzet zich niet tegen contact tussen de man en de kinderen maar wel tegen de regeling die de man voorstaat. De vrouw heeft onlangs een roosterwijziging bij haar werkgever aangevraagd, zodat zij de zorg voor de kinderen op zaterdag kan dragen. Op die aanvraag is nog niet beslist maar de vrouw kan nu niets toezeggen ten aanzien van het contact tussen de man en de kinderen. Daarbij heeft de vrouw aangegeven dat zij het overgrote deel van de zorg voor de kinderen droeg tijdens de relatie van partijen. Ook heeft de man een gokverslaving en kan hij snel boos worden. De vrouw heeft er daarom geen vertrouwen in dat de man de zorg voor de kinderen kan dragen. De vrouw stemt er wel mee in dat de man een wandeling met de kinderen maakt op de momenten dat hij dat graag wil.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en dat wat er op zitting is besproken is gebleken dat ten tijde van de relatie het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen bij de vrouw lag. Op de dagen dat de man niet werkte deden zij de opvoeding en verzorging samen. Het is voor de ontwikkeling van de kinderen belangrijk dat zij regelmatig contact houden met hun vader. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat de man niet geschikt of niet in staat zou zijn om de kinderen te verzorgen en op te voeden. Integendeel, tijdens de zitting heeft de vrouw erkend dat de man in staat is om de basale verzorging van de baby voor zijn rekening te nemen. Ook heeft de vrouw erkend dat de man verantwoordelijk was voor de verzorging van de kinderen op zaterdag en af en toe ook op maandag, als de vrouw werkte en/of de kinderen niet bij de opvang waren. Het ligt, naar het oordeel van de rechtbank voor de hand dat de man de kinderen opvangt als de vrouw moet werken. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de kinderen op zaterdag tussen 10.00 uur en 18.00 uur bij de man verblijven. Weliswaar heeft de vrouw een aanvraag gedaan om haar werkrooster te laten aanpassen, maar feit is dat de vrouw op dit moment werkt op zaterdag en de man kan dan de zorg voor de kinderen op zich nemen. Gelet op de leeftijd van de kinderen, waarbij [minderjarige 2] overdag veel zal slapen, en de man niet over eigen woonruimte beschikt, zal de rechtbank bepalen dat het contact tussen de man en de kinderen plaatsvindt in de echtelijke woning zoals door de man zelfstandig is verzocht. Het verzoek van de man om kort contact met de kinderen te mogen hebben op andere dagen in de week, is te onbepaald en leent zich niet voor opname in het dictum. Op de zitting heeft de vrouw echter toegezegd dat zij hieraan haar medewerking zal verlenen. Ook de rechtbank acht dit in het belang van de kinderen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de ouders in onderling overleg afspraken zullen maken over aanvullende contactmomenten tussen de man en de kinderen.
De rechtbank zal de voorlopige zorgregeling vast te stellen als na te melden. Het meer of anders verzochte te dien aanzien zal de rechtbank afwijzen.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te wijzen. Gelet op de voorlopige zorgregeling die de rechtbank zal bepalen zal de rechtbank het mindere van het verzoek toewijzen, in die zin dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning heeft met uitzondering van de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zullen zijn in de echtelijke woning (te weten op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur).
Bijdrage hypotheek- en eigenaarslasten
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft verzocht in de overwegingen van de beschikking op te nemen dat de man moet blijven bijdragen aan de maandelijkse hypotheeklasten en eigenaarslasten. Op de zitting heeft de man toegezegd de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning te voldoen. In zaken van echtscheiding kan iedere echtgenoot om voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vragen. Voornoemd artikel geeft een limitatieve opsomming van de voorzieningen die kunnen worden gevraagd. Nu het verzoek van de vrouw geen voorziening is zoals bedoeld in artikel 822 Rv Pro, zal de rechtbank daarover niets in het dictum opnemen.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw heeft verzocht een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank acht het in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om als ingangsdatum de datum van deze beschikking te hanteren, te weten 3 juni 2026. Partijen verblijven immers nog gezamenlijk in de echtelijke woning.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald. De rechtbank zal de behoefte berekenen aan de hand van de tarieven 2026-I, omdat de ouders nog gezamenlijk in de echtelijke woning verblijven.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.727,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag in 2026, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie over januari 2026. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 122,- per maand, de nabestaandenpensioenpremies en arbeidsongeschiktheidspremies van samen € 16,- per maand en de premie HOP van € 3,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.494,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.177,- bruto per maand in 2026 en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie over januari 2026.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.351,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2026 dus € 4.845,- per maand (€ 2.494,- + € 2.351,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 286,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2026, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.175,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gezamenlijk.
Draagkracht
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Woonbudget
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van het gebruikelijke woonbudget van 30% van het NBI of met de werkelijke (lagere) woonlasten.
De vrouw heeft gesteld dat geen rekening moet worden gehouden met enige woonlasten aan de zijde van de man, dan wel 15% van het NBI. De vrouw heeft aangevoerd dat de man een kamer kan huren voor € 200,- à € 300,- per maand. De werkelijke woonlasten van de man zijn dus aanzienlijk lager dan het woonbudget.
De man heeft de stelling van de vrouw betwist en gesteld dat rekening moet worden gehouden met het woonbudget.
De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget. Het hanteren van een woonbudget dient de voorspelbaarheid en rechtszekerheid en voorkomt dat elke verandering van woonsituatie tot een wijziging van de bijdrage leidt. Daarbij overweegt de rechtbank dat de man op zoek zal moeten gaan naar een nieuwe woning en dus woonlasten zal hebben. De rechtbank acht het niet realistisch dat de man voor € 200,- à € 300,- per maand woonruimte zal kunnen vinden, zoals door de vrouw aangevoerd. Daar komt bij dat de man ook dient bij te dragen in de kosten van de echtelijke woning. De rechtbank zal daarom uitgaan van het woonbudget.
Draagkracht man
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Uit de door de man overgelegde uitkeringsspecificatie van 7 mei 2026 blijkt dat hij vanaf 1 juli 2026 een WW-uitkering zal ontvangen van € 2.189,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 1.779,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de man in aanmerking nemen.
Draagkracht vrouw
Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank net als bij de behoefte uit van een inkomen van € 2.177,- bruto per maand in 2026 en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie over januari 2026.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 8.576,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.066,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 547,- per maand
(70% x [3.066 - (0,3 x 3.066 + 1.365)]).
Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting
Gelet op de zorgregeling, vindt de rechtbank het redelijk om een zorgkorting van 15% toe te passen. De zorgkorting bedraagt dan € 176,- (15% van € 1.175,-).
De gezamenlijke draagkracht van de ouders is € 597,- per maand (€ 50,- + € 547,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. Er is een tekort van € 578,- (€ 50,- + € 547,- - € 1.175,-). De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking.
Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de man. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dus gelijk aan zijn draagkracht.
Conclusie
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, bepalen dat de man, met ingang van de datum van deze beschikking, € 50,- per maand voor de twee kinderen samen aan
kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats] ;
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
bepaalt dat de vrouw, met uitzondering van de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zullen zijn in de echtelijke woning, bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de kinderen bij zich te hebben: op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de man zorgdraagt voor de kinderen in de echtelijke woning;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 50,- per maand voor de twee kinderen samen zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 juni 2026.