ECLI:NL:RBDHA:2026:18296

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juli 2026
Zaaknummer
C/09/677439 / FA RK 24-9038
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BWArt. 1:155 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en zorgregeling voor minderjarige

Partijen zijn gehuwd in 2013 en hebben een minderjarige zoon geboren in 2014. Zij oefenen gezamenlijk gezag uit. Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De rechtbank heeft op 3 juni 2026 de echtscheiding uitgesproken met nevenvoorzieningen.

De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt vastgesteld bij de moeder. De zorgregeling voorziet in omgangscontacten van de vader eenmaal per veertien dagen op zaterdagmiddag, met voortgezet (video)belcontact. De rechtbank wijst een traject ouderschapsbemiddeling toe om de zorgregeling en communicatie te verbeteren, mede vanwege vermoedelijke autismespectrumstoornis bij het kind.

De vrouw krijgt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning voor maximaal zes maanden na inschrijving echtscheiding. De man betaalt kinderalimentatie van €724,- en partneralimentatie van €304,- per maand. De huwelijksgemeenschap wordt verdeeld, waarbij de woning wordt verkocht en de overwaarde gedeeld. De pensioenverevening vindt plaats conform de wet, omdat de vrouw geen conversie wenst.

De rechtbank legt vast dat de man achterstallige hypotheekbetalingen moet voldoen en dat de vrouw een regresvordering heeft voor mediationkosten. De inboedel wordt verdeeld conform een lijst, met enkele uitzonderingen die mee verkocht worden met de woning. Bankrekeningen worden verdeeld en opgeheven volgens de peildatum. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met pro forma aanhouding van verdere beslissingen over zorg en vakanties tot 1 december 2026.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met vaststelling hoofdverblijfplaats bij moeder, zorgregeling, alimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-9038 (echtscheiding), FA RK 26-5233 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/677439 (echtscheiding), C/09/705905 (verdeling)
Datum beschikking: 3 juni 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikkingop het op 16 december 2024 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.D. Bakker te ’s-Gravenhage (voorheen: mr. F. Laros).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.M. Zeeman te Zoetermeer.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het aanvullend verzoekschrift;
  • het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek;
  • het verweerschrift op zelfstandig verzoek;
  • het F9-bericht van 4 mei 2026 van de vrouw, met bijlagen.
De [minderjarige] heeft in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.
Op 6 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een schrijftolk, D. de Bruin;
  • [naam 1] en [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de
Raad).
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] .
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ;
- De ouders oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 23 januari 2026 zijn voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende:
­ toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw;
­ toevertrouwing van de [minderjarige] aan de vrouw;
­ vaststelling van een voorlopige zorgregeling, waarbij de man gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben: eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 14.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] zal halen en brengen;
­ vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige bijdrage aan kinderalimentatie van € 743,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
­ vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige bijdrage aan partneralimentatie van € 221,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man, zoals dat na aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
-
primair:bekrachtiging en aanhechting aan de beschikking van het door partijen
ondertekende ouderschapsplan;
-
subsidiair:
­ vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;
­ vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , in die zin dat hij in de weekenden van de oneven weken bij de man verblijft;
­ vaststelling van een vakantie- en feestdagenregeling zoals opgenomen in productie 4 van de man;
  • primair: bekrachtiging en aanhechting aan de beschikking van het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant;
  • subsidiair:
  • bepaling dat de woning, gelegen te [plaats 2] aan de [adres 1] zo spoedig mogelijk moet worden verkocht en geleverd aan een derde op de wijze en onder de voorwaarden, zoals door de man vermeld, althans op door de rechtbank te bepalen wijze;
  • bepaling dat de overige inboedelgoederen worden verdeeld conform de door de man in productie 8 overgelegde inboedellijst;
  • bepaling dat de saldi van de bankrekeningen van partijen bij helfte worden verdeeld.
  • veroordeling van partijen tot verevening van hun pensioenen conform de Wet
Verevening Pensioenrechten bij Scheiding;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt daarnaast, na wijziging, de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
  • het laten plaatsvinden van een gezag- en omgangsonderzoek door de Raad;
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;
  • bepaling dat de echtelijke woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats 2] conform het door de rechtbank te bepalen spoorboekje zal worden verkocht, waarbij de overwaarde bij helfte door partijen wordt gedeeld;
  • bepaling dat de achterstallige hypotheekbetalingen moeten worden voldaan uit het aan de man toekomende aandeel in de overwaarde; vaststelling van een vergoedingsrecht van de vrouw jegens de man voor een bedrag van € 544,50 voor de kosten van het mediationtraject;
  • vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 766,- per maand, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
  • vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van
€ 847,- per maand, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
Beoordeling
I.
Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 815 tweede Pro lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 tweede Pro lid Rv. De rechtbank zal daarom de man en de vrouw ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Nu het partijen niet is gelukt om tot een ouderschapsplan te komen, zal de rechtbank het primaire verzoek van de man om het ouderschapsplan aan te hechten aan de beschikking, afwijzen. Datzelfde geldt voor het verzoek van de man tot aanhechting van een echtscheidingsconvenant, omdat partijen ook geen convenant zijn overeengekomen.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Zowel door de man als de vrouw is verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen. De rechtbank is van oordeel dat dit ook in het belang van [minderjarige] is, zodat zij de verzoeken van beide partijen zal toewijzen en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] zal vaststellen bij de vrouw, zoals nu feitelijk ook al het geval is.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
In de voorlopige voorzieningen is een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] één keer in de veertien dagen op zaterdag van 14.00 uur tot 17.00 uur bij de man verblijft. Volgens de man verliepen de contacten die hierna hebben plaatsgevonden goed. De vrouw is het hiermee niet eens. Zij zag veel spanning bij [minderjarige] , met name voorafgaand aan en na een contactmoment. De man kwam de zorgregeling ook niet goed na, wat bij [minderjarige] tot frustratie en verdriet heeft geleid. Hij heeft hierdoor stemmingsklachten en doet daarbij zorgwekkende uitspraken. Dit wordt versterkt doordat er bij [minderjarige] sterke vermoedens bestaan van een autismespectrumstoornis. [minderjarige] heeft vervolgens aangegeven dat hij liever alleen twee keer per week op afgesproken tijden via Facetime contact wil met de man. In het gesprek met de rechter heeft [minderjarige] verteld dat hij deze gesprekjes fijn vindt, maar dat de man ook deze afspraken niet altijd goed nakomt.
De vrouw heeft verzocht om een raadsonderzoek te gelasten, waarbij wordt onderzocht welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. Net als de Raad ook op de zitting naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank hierin op dit moment geen toegevoegde waarde en zij zal dit verzoek afwijzen. De reden hiervoor is dat recentelijk door Veilig Thuis een rapport is opgesteld, waarin concrete aanbevelingen zijn gedaan. Uit het rapport van Veilig Thuis volgt dat [minderjarige] veel last ervaart van de echtscheiding en alle veranderingen die daarmee gepaard gaan. Voor [minderjarige] wordt individuele hulpverlening via [zorginstantie] geadviseerd, naast de KIES-training die hij al heeft gevolgd. [zorginstantie] gaf aanvankelijk aan pas te kunnen starten met behandeling voor [minderjarige] als ook voor de ouders hulpverlening wordt ingezet, bijvoorbeeld in de vorm van ouderschapsbemiddeling. De man zag hierin geen toegevoegde waarde, zodat de hulp aan [minderjarige] niet van de grond kwam. Inmiddels is [zorginstantie] , gelet op de zorgen die onder andere door de school en huisarts over [minderjarige] zijn geuit, bereid om op korte termijn alsnog met individuele behandeling voor [minderjarige] te starten.
Uit het rapport van Veilig Thuis volgt ook dat zij voor de ouders een traject ouderschapsbemiddeling of parallel solo ouderschap adviseren, om de ouders en [minderjarige] te begeleiden in het scheidingsproces en te werken aan herstel van de relatie (en het contact) tussen de vader en [minderjarige] . Op de zitting heeft de Raad zich achter dit advies geschaard en aangevuld dat van daaruit ook gekeken kan worden naar diagnostiek voor [minderjarige] en psycho-educatie voor zowel [minderjarige] als de ouders met betrekking tot zijn mogelijke problematiek.
De man heeft zich op de zitting bereid verklaard om toch een ouderschapstraject te volgen. Ook de moeder heeft hiermee ingestemd, zodat beide ouders bereid zijn om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de hulpverleningsinstantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
  • is (fysiek) contact tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] en zo ja, in welke vorm of frequentie?
  • is aanvullende hulpverlening nodig voor [minderjarige] en/of zijn ouders en zo ja, welke hulpverlening betreft dit?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
De rechtbank zal voor de duur van het traject het (video)belcontact tussen de man en [minderjarige] laten voortduren en dit vaststellen als een voorlopige zorgregeling. In samenspraak met de hulpverlening (zowel ouderschapsbemiddeling als de behandelaars van [minderjarige] ) kan worden bekeken of ruimte bestaat om het fysieke contact tussen de man en [minderjarige] weer op te starten en eventueel uit te breiden. Indien partijen er niet in slagen om tot overeenstemming te komen over een (opbouw van) de zorgregeling, kunnen zij dit opnieuw aan de rechtbank voorleggen. Datzelfde geldt voor de verdeling van de vakanties en feestdagen. Daarbij merkt de rechtbank op dat indien dit het geval is, de rechtbank graag een concreet verzoek over de verdeling van de vakanties en feestdagen ontvangt. Door de man is enkel een lege kalender overgelegd en is in een productie verwezen naar een voorstel van de vrouw dat niet is overgelegd, zodat hieruit geen vakantieverdeling kan worden afgeleid.
Tot slot benadrukt de rechtbank – evenals in de voorlopige voorzieningen al is benoemd – dat het voor [minderjarige] van essentieel belang is dat de man de afspraken over contact met hem prioriteert en strikt nakomt. Dat geldt ook ten aanzien van de belafspraken. Niet alleen zal dit [minderjarige] rust geven, maar het geeft ook de mogelijkheid voor [minderjarige] om het vertrouwen in zijn vader weer op te bouwen.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
De vrouw heeft verzocht om te bepalen dat zij gerechtigd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning voor de duur van zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De man kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft naar zijn zeggen ruimschoots voldoende tijd gehad om vervangende woonruimte te vinden, zonder daarvoor een vergoeding te hoeven betalen. Partijen zijn het erover eens dat de woning zal worden verkocht aan derden, zodat een voortgezet gebruik door de vrouw het verkoopproces enkel onnodig zal vertragen.
De rechtbank volgt het standpunt van de man niet en zal aan de vrouw het voortgezet gebruik toekennen. Uit dat wat door de vrouw in de stukken en op zitting naar voren is gebracht, leidt de rechtbank af dat zij er in de afgelopen periode alles aan heeft gedaan om vervangende woonruimte te vinden, maar dat is tot nu toe niet gelukt. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de vrouw een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, waardoor het vinden van een woning nog lastiger is. Omdat ook [minderjarige] bij haar verblijft, moet de vrouw de gelegenheid krijgen om voor een langere periode van maximaal zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding in de echtelijke woning te verblijven.
Alimentatie
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat in de voorlopige voorziening een voorlopige bijdrage aan kinderalimentatie vastgesteld is, die tot op heden geldt.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] in 2024 € 808,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 900,- per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een WIA-uitkering van € 2.213,- per maand, exclusief vakantiegeld.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens en rekening houdend met de hierna te bespreken door haar te ontvangen partneralimentatie.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 2.339,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,- per maand zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [2.339 – (702 + 1.365)] = € 190,- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 6.205,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de pensioenpremie van € 525,- per maand;
  • de ANW Premie Extra van € 31,- per maand;
  • de premie WIA van € 16,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.234,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlast in plaats van het woonbudget. Volgens de vrouw bestaat hiervoor aanleiding, omdat de man inmiddels duurzaam samenwoont met zijn nieuwe partner. Hij kan hierdoor zijn woonlasten delen, waardoor niet met een woonbudget van 30%, maar van 15% rekening moet worden gehouden. Echter, zoals hier bij de draagkrachtvergelijking zal blijken, bestaat er geen tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Daar komt bij dat de relatie van de man relatief pril is, onbekend is wat de woonlasten van de man zijn en in hoeverre deze afwijken van het woonbudget van 30%. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om van het woonbudget van 30% van het NBI af te wijken.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.234 – (1.270 + 1.365)] = € 1.119,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.309,- per maand (€ 190 + € 1.119). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] van € 900,- per maand te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.119 / 1.309 x 900 = € 769,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 190 / 1.309 x 900 =
€ 131,-
samen € 900,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 769,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 131,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 5. De zorgkorting bedraagt dan € 45,- per maand (5% van € 900). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 724,- per maand (€ 769 -/- € 45).
Conclusie
Het door de man aan de vrouw te betalen bedrag aan kinderalimentatie bedraagt € 724,-per maand. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen.
Partneralimentatie
Ingangsdatum
Op grond van artikel 1:157 BW Pro kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum de partneralimentatie vaststellen. Voor de eerder verzochte ingangsdatum bestaat geen rechtsgrond. Dit deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Behoefte
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het NBGI in 2024 € 5.548,- per maand bedroeg. Hiervan moeten de kosten van [minderjarige] van € 808,- per maand worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 4.740,- per maand resteert (€ 5.548 -/- € 808). De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 2.844,- per maand (60% van € 4.740 per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw € 3.168,- per maand.
Aanvullende behoefte
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 3.168,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het aandeel van de vrouw in de kosten van het kind, voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen KGB wordt gedekt, moet er vervolgens weer bij worden opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.373,- netto per maand. Dat is € 2.642,- bruto per maand.
Draagkracht van de man
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen.
Evenals bij de kinderalimentatie ziet de rechtbank hierbij geen aanleiding om het woonbudget van de man te halveren. De rechtbank verwijst naar hetgeen daarbij is overwogen.
Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 959,- per maand (60% x [4.234 – (0,3 x 4.234 + 1365)]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] van € 769,- per maand in mindering gebracht
.De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 190,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 304,- per maand.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot een bijdrage in haar levensonderhoud tot een bedrag van € 304,- per maand toewijzen en voor het overige afwijzen.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Algehele gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW Pro (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum
16 december 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
de echtelijke woning te [plaats 2] , aan de [adres 1] ;
de achterstand in de hypotheeklasten voor de echtelijke woning;
de kosten van de mediation;
e inboedel van de echtelijke woning;
de saldi van de bank- en spaarrekeningen van partijen.
Ad a)Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan een derde moet worden verkocht. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de echtelijke woning en de aan de echtelijke woning gekoppelde polissen en hypothecaire geldleningen de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje. Partijen hebben overeenstemming over de daarin opgenomen (verkorte) termijnen. Op de zitting is daarbij nog gesproken over het laten plaatsvinden van onderhoud aan de woning voor de verkoop. Daarbij is afgesproken dat onderhoud enkel op advies van de makelaar zal plaatsvinden. Partijen hebben ook ingestemd met het bindend vaststellen van de vraag- en laatprijs door de makelaar-taxateur. Voor zover de man heeft verzocht om het opleggen van een dwangsom ingeval de vrouw niet meewerkt aan de verkoop van de woning, wijst de rechtbank dit af, nu niet is gebleken dat een dwangmiddel noodzakelijk is om de medewerking van de vrouw te verkrijgen.
Ad b)De vrouw heeft gesteld dat de man sinds augustus 2025 zijn aandeel in de hypotheeklasten niet meer heeft voldaan. Niet in geschil is dat partijen zijn overeengekomen dat van de totale hypotheeklast van € 1.143,- per maand, de man maandelijks € 776,- bijdraagt en de vrouw € 367,- per maand. De achterstand per 1 april 2026 bedraagt afgerond € 2.148,- De vrouw heeft daarbij meer betaald dan haar aandeel op basis van de afspraak tussen partijen, omdat zij wil voorkomen dat de achterstand oploopt naar meer dan drie maandtermijnen, om een BKR-registratie te voorkomen. Het niet betalen van de hypotheek brengt daarnaast ook andere, grote risico’s met zich mee, zoals bijvoorbeeld een executoriale verkoop van de woning, waarbij beide partijen niet gebaat zijn.
Om ervoor te zorgen dat de hypotheekachterstand niet verder oploopt is op de zitting besproken dat de man vanaf dat moment tot aan het notarieel transport van de woning zijn aandeel in de hypotheeklasten van € 776,- per maand zal voldoen. De vrouw blijft haar aandeel van € 367,- per maand voldoen, om ervoor te zorgen dat de achterstand niet verder oploopt. De achterstand en hetgeen de vrouw meer heeft betaald dan haar aandeel in de tussen partijen overeengekomen onderlinge verhouding, zal onderling worden verrekend met het aandeel van de man in de overwaarde van de woning na de verkoop. Partijen hebben geen standpunt ingenomen over het precieze bedrag, zodat zij dit in onderling overleg moeten vaststellen. De rechtbank zal deze overeenstemming vastleggen.
Ad c)De vrouw heeft gesteld dat zij een regresvordering van € 545,- heeft op de man voor de door haar betaalde kosten van € 1.089,- voor het door partijen gevolgde mediationtraject. Partijen waren daarbij overeengekomen dat zij deze kosten bij helfte zouden voldoen. De vrouw heeft het volledige bedrag betaald, omdat de man in gebreke bleef zijn aandeel te voldoen. De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw, zodat de rechtbank het zal toewijzen.
Ad d)Door de man is een inboedellijst ingebracht. De vrouw stemt voor het overgrote deel met deze lijst in, met uitzondering van de elektrische haard, badkamermeubels, houtkachel en palmboom in de tuin. Deze zijn duurzaam verenigd met de echtelijke woning, zodat deze mee verkocht moeten worden met de woning. Daarnaast wil de vrouw graag de tuinset van ijzer met graniet, de kledingkast in de slaapkamer en de pc met beeldscherm in de hobbykamer toebedeeld krijgen. Er is geen televisie in de slaapkamer, zodat deze niet verdeeld hoeft te worden. De man heeft hiermee op de zitting ingestemd. De rechtbank zal daarom deze verdeling van de inboedel, zonder nadere verrekening, vaststellen.
Ad e)Door partijen zijnde volgende bank- en spaarrekeningen naar voren gebracht:
spaarrekening bij ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer 1] , op naam van partijen gezamenlijk;
betaalrekening bij ABN AMRO, eindigend op [rekeningnummer 2] , op naam van partijen gezamenlijk;
betaalrekening bij ING, eindigend op [rekeningnummer 3] , op naam van partijen gezamenlijk;
spaarrekening bij ING, eindigend op [rekeningnummer 4] , op naam van partijen gezamenlijk;
betaalrekening bij ING, eindigend op [rekeningnummer 5] , op naam van de vrouw;
spaarrekening bij ING, eindigend op [rekeningnummer 6] , op naam van de vrouw;
een betaalrekening bij ING, eindigend op [rekeningnummer 7] , op naam van de man;
een kinderrekening bij ING ten behoeve van [minderjarige] .
De rechtbank zal bepalen dat de saldi van de peildatum van de gezamenlijke bankrekeningen (onder i. t/m iv.) bij helfte tussen partijen worden gedeeld, waarna ze worden opgeheven. Daarbij geldt dat de gezamenlijk bankrekening onder ii. pas zal worden opgeheven na de verkoop van de woning, omdat van deze bankrekening de hypotheeklasten worden afgeschreven. De bankrekeningen die op naam van één van partijen staan zullen door die persoon worden voortgezet, na verdeling van het saldo op de peildatum bij helfte.
Onduidelijk is gebleven of de man de onder vii. genoemde bankrekening op zijn naam
voor of na de peildatum heeft geopend. De man is in de gelegenheid gesteld bewijs daarvan in te dienen, maar heeft dat niet gedaan. Daarom oordeelt de rechtbank dat het saldo op de peildatum op deze rekening aan de man wordt toegedeeld waarbij dit saldo bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld.
Ten aanzien van de bankrekening van [minderjarige] zijn partijen overeengekomen dat deze buiten de verdeling zal blijven. De vrouw zal deze rekening voortzetten en de man minimaal één keer per jaar inzage verschaffen in het verloop van deze rekening.
Pensioenverevening
De man heeft tot slot verzocht om te bepalen dat partijen zullen overgaan tot conversie van pensioenen. De vrouw stemt hiermee niet in en wil graag een reguliere verevening van de pensioenen van partijen. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 1:155 BW Pro na echtscheiding recht bestaat op pensioenverevening overeenkomstig de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS), tenzij de echtgenoten een van de andere mogelijkheden uit de WVPS samen overeenkomen. Omdat de vrouw niet wil meewerken aan een conversie van de pensioenen, volgt de verevening rechtstreeks uit de wet. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ;
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de man],
de vader,
wonende te [woonplaats 1] , aan de [adres 2] ,
en
[de vrouw],
de moeder,
wonende te [woonplaats 2] , aan de [adres 1] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres 1] , en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt)van € 724,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een partneralimentatie van € 304,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
- met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 1] te [plaats 2] , en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en) en polis(sen): de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur, dient de man aan de vrouw binnen één week na de datum van de afgifte van onderhavige beschikking drie onafhankelijke NVM-makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en verkopen, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen dienen vervolgens binnen één dag een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, eventueel te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polis(sen) ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
- met betrekking tot de bankrekeningen:
bepaalt dat de op de peildatum aanwezige saldi op de gezamenlijke bankrekeningen bij helfte tussen partijen worden gedeeld, waarna de gezamenlijke rekeningen worden opgeheven, met uitzondering van de bankrekening bij ABN AMRO, eindigend op [rekeningnummer 2] , die pas na de notariële overdracht van de woning zal worden opgeheven;
bepaalt dat de bankrekeningen die op naam van één van hen staan, door die persoon zullen worden voorgezet, waarbij het saldo op de peildatum bij helfte tussen partijen wordt gedeeld;
bepaalt dat de bankrekening ten behoeve van [minderjarige] zal worden voortgezet door de vrouw, waarbij zij de man minimaal één keer per jaar inzage verschaft in het verloop van de rekening;
- met betrekking tot de inboedel: bepaalt dat de inboedel zonder nadere verrekening tussen partijen wordt verdeeld conform de door de man overgelegde inboedellijst, met uitzondering van:
de elektrische haard, de badkamermeubels, de houtkachel en de palmboom in de tuin, die zullen worden mee verkocht met de echtelijke woning;
de tuinset van ijzer en graniet en de kledingkast in de slaapkamer, die aanvullend aan de vrouw worden toegedeeld;
*
stelt vast dat de vrouw een regresvordering heeft op de man:
  • ten bedrage van hetgeen zij meer heeft voldaan in de maandelijkse hypotheeklasten dan partijen in hun onderlinge verhouding zijn overeengekomen over de periode augustus 2025 tot en met de datum van notariële overdracht van de woning;
  • ten bedrage van € 545,-, zijnde de helft van de kosten voor het door partijen gevolgde mediationtraject;
waarbij partijen zijn overeengekomen dat de man deze regresvorderingen zal voldoen ten tijde van de notariële overdracht van de woning, zoals hiervoor bedoeld, uit zijn aandeel in de overwaarde van de woning;
*
verklaart deze beschikking, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van
de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de verdeling van de vakanties en feestdagen aan tot 1 december 2026 pro forma;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 juni 2026.