ECLI:NL:RBDHA:2026:18380

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704213 / JE RK 26-727
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft sinds begin 2026 bij een tante vanwege de verslavingsproblematiek van de moeder. De moeder heeft een terugval gehad in haar middelengebruik, wat de zorg voor de minderjarige bemoeilijkt.

De moeder stemt in met verlenging van de ondertoezichtstelling, maar verzet zich tegen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij heeft stappen gezet om haar situatie te verbeteren, waaronder hulpverlening en therapie, en wil dat de minderjarige zo spoedig mogelijk terugkeert naar huis, bij voorkeur uiterlijk 18 juli 2026.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is en dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 18 juli 2026 in het belang is van de minderjarige. De moeder krijgt de mogelijkheid om de terugplaatsing voor te bereiden met intensieve ondersteuning en voorwaarden zoals controles op middelengebruik. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 5 juni 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 18 juli 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/704213 / JE RK 26-727
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek om verlenging van een ondertoezichtstelling en verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I. van Gorkum uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 april 2026;
  • de stukken van de moeder, ontvangen op 3 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat;
- de oma van moederszijde, als toehoorder.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening over het verzoek gevraagd. [de minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om met de kinderrechter in gesprek te gaan.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft sinds [datum] 2026 bij een tante van moederszijde.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 februari 2026 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 5 juni 2026.
2.5.
Bij beschikking van 25 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 5 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen met een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen met zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] verblijft door de terugval van de moeder in haar middelengebruik sinds [datum] 2026 bij een tante van moederszijde. Het gaat daar goed met [de minderjarige] , maar de tante heeft laten weten dat zij niet langer dan tot de zomervakantie de zorg voor [de minderjarige] kan dragen. De moeder heeft heeft te kennen gegeven met [de minderjarige] te willen verhuizen naar de oma van moederszijde die in [plaats] woont. De gecertificeerde instelling wil hier eerst een screening uitvoeren en onderzoeken hoe [de minderjarige] vanuit [plaats] contact kan houden met zijn broer en zus die, ver weg van [plaats] , bij de vader en oma van vaderszijde wonen. [de minderjarige] ontvangt momenteel hulpverlening op school. Het zou voor hem goed zijn als hij ook hulpverlening krijgt in de vorm van een coach of een maatje, zodat hij bij een derde zijn verhaal kwijt kan. De moeder kan de zorg voor [de minderjarige] op dit moment nog niet zelfstandig dragen. Zij heeft de afgelopen maanden gewerkt aan haar problematiek, maar er is op dit moment nog veel onduidelijkheid over haar (woon)situatie en verslavingsproblematiek. Het hulpverleningstraject bij de Brijder is nog niet volledig doorlopen en de moeder houdt zich niet aan de afspraken omtrent urinecontroles. De situatie van de moeder is daarom nog onvoldoende bestendig en onvoldoende duurzaam en stabiel waardoor een langere uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is. De komende periode zal worden toegewerkt naar een bestendige oplossing die aansluit bij [de minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is ingestemd met verlenging van de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur. De moeder heeft verweer gevoerd tegen verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De moeder heeft in maart 2026 een terugval gehad in haar middelengebruik. De moeder kampt al langere tijd met verslavingsproblematiek en dit zal een blijvend thema in haar leven blijven. Na de terugval van de moeder heeft zij direct contact opgenomen met de hulpdiensten, haar netwerk om hulp gevraagd en de school van [de minderjarige] geïnformeerd over de situatie. Hieruit hieruit blijkt dat zij, ook op het moment dat haar verslaving opspeelt, het belang van [de minderjarige] voor ogen houdt. De moeder wil in de toekomst graag verhuizen naar [plaats] , zodat zij dichterbij haar netwerk is en zij afstand kan nemen van verkeerde vrienden en de verleidingen die zij momenteel ervaart. Het frustreert haar dat er nu een verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing is ingediend, terwijl de vorige jeugdbeschermer heeft gezegd dat [de minderjarige] op 5 juni 2026 weer thuis geplaatst zou worden. De afgelopen periode heeft de moeder hard aan zichzelf gewerkt. Ze krijgt hulpverlening vanuit de Brijder en het wijkteam is intensief betrokken. De noodzakelijk geachte urinecontroles konden tot nu toe nog niet worden uitgevoerd vanwege gezondheidsproblemen van de moeder. De moeder staat er voor open om, in plaats van urinecontroles, bloedtesten te laten uitvoeren, zodat er zicht komt op haar middelengebruik. Binnenkort start de moeder met cognitieve gedragstherapie en zal ze in gesprek gaan met een ervaringsdeskundige. Daarnaast heeft de moeder een bewindvoerder en er bestaat geen risico meer dat zij haar woning zal verliezen. De moeder is klaar voor terugplaatsing van [de minderjarige] . Als hiervoor aanvullende hulpverlening nodig is, zal zij hieraan meewerken. De moeder ziet het liefst dat [de minderjarige] direct wordt thuis geplaatst. Als dit niet mogelijk is, dan verzoek zij het mogelijk te maken dat [de minderjarige] op 18 juli 2026 naar huis kan. De tante waar hij nu verblijft is namelijk tot die datum bereid om voor [de minderjarige] te zorgen. In de periode tot 18 juli 2026 kan in dat geval gewerkt worden aan het opbouwen van het contact tussen [de minderjarige] en de moeder en kan aanvullende hulpverlening worden opgestart, als dit wenselijk is.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De zorgen zijn onder meer gelegen in het feit dat hij getuige is geweest van de terugval van de moeder en zij daardoor niet meer voor hem kon zorgen. [de minderjarige] volgt op dit moment speciaal basisonderwijs. Hij ontwikkelt zich goed op school en ontvangt de nodie hulpverlening. Kortgeleden heeft de school laten weten dat [de minderjarige] zich dusdanig ontwikkeld heeft dat hij volgend schooljaar kan doorstromen naar het regulier onderwijs. Het is voor [de minderjarige] wenselijk dat hij met iemand kan praten over de gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt. De gecertificeerde instelling heeft aangegeven hiervoor een coach of een buddy in te zullen zetten. Het is van belang dat de gecertificeerde instelling de komende periode zicht houdt op de ontwikkeling van [de minderjarige] en, indien nodig, aanvullende hulpverlening inzet.
5.3.
De moeder kampt al langere tijd met verslavingsproblematiek. In maart 2026 heeft zij een terugval gehad in aanwezigheid van [de minderjarige] . De moeder heeft op eigen initiatief hulpdiensten benaderd en haar netwerk ingelicht, zodat zij [de minderjarige] konden opvangen. Hiermee heeft de moeder laten zien dat zij, in geval van een terugval, in staat is om in het belang van [de minderjarige] te handelen. De moeder toont inzicht in haar verslavingsproblematiek en erkent dat zij hiermee naar alle waarschijnlijkheid de rest van haar leven te kampen zal hebben. De moeder heeft zich naar haar terugval ingezet om haar leven weer op de rit te krijgen.Het is haar – onder meer – gelukt om haar woning te behouden. De moeder verdient hiervoor complimenten. De Brijder en het wijkteam zijn betrokken bij de moeder en ook het netwerk van de moeder houdt haar nauwlettend in de gaten. Vooral het netwerk heeft het vertrouwen in de moeder uitgesproken. De kinderrechter wil dit vertrouwen naar de moeder ook uitspreken en het mogelijk maken dat [de minderjarige] op korte termijn, te weten op 18 juli 2026, weer bij zijn moeder kan gaan wonen. Dit vraagt in de komende periode nog wel het nodige van de moeder. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting naar voren gebracht dat in geval van thuisplaatsing het contact met het wijkteam moet worden geïntensiveerd. De moeder moet daarnaast haar (telefonische) afspraken bij de Brijder blijven nakomen. Ook moeten controles op middelengebruik, in welke vorm dan ook, worden uitgevoerd. De kinderrechter onderschrijft de noodzaak van deze voorwaarden. Voorkomen moet worden dat de thuisplaatsing van [de minderjarige] niet succesvol verloopt en hij op termijn opnieuw bij zijn moeder weg moet. Dit is niet in zijn belang. De moeder heeft meerdere keren beloofd alles in het werk te stellen om thuisplaatsing van [de minderjarige] mogelijk te maken. . De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de moeder deze belofte zal nakomen en gaat er van uit dat de gecertificeerde instelling haar de komende weken zal gaan ondersteunen richting thuisplaatsing. Van belang is dat het contact tussen [de minderjarige] en de moeder voorafgaand aan de thuisplaatsing wordt uitgebreid, zodat zij langzaam kunnen wennen aan de nieuwe situatie.
5.4.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar en verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 18 juli 2026. Het verzoek om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt voor het overige afgewezen.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 5 juni 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 18 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.