ECLI:NL:RBDHA:2026:18381

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/09/694815 / JE RK 25-1975
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen voor zes maanden, omdat de communicatie tussen de ouders weliswaar verbeterd is, maar kwetsbaar blijft. De hulpverlening via het FAST-traject kon nog niet starten omdat de moeder haar werk als gastouder niet wilde opgeven, wat een impasse veroorzaakte.

De moeder stemde in met verlenging, maar slechts voor drie maanden vanwege de financiële en carrièrematige gevolgen van het stoppen met haar werk. De vader en de gecertificeerde instelling onderschreven het verzoek van de Raad. De kinderrechter nam kennis van de situatie, waaronder de stress die de moeder ervaart en de impact daarvan op de kinderen.

De kinderrechter oordeelde dat nog steeds voldaan is aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling vanwege de ernstige ontwikkelingsbedreiging en het onvermogen van de ouders om deze vrijwillig weg te nemen. De ondertoezichtstelling wordt daarom met drie maanden verlengd en de verdere behandeling van het verzoek aangehouden tot een nader te bepalen zitting. De kinderrechter benadrukte het belang van een vaste jeugdbeschermer en vroeg om een schriftelijke update voorafgaand aan de volgende zitting.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt met drie maanden verlengd en de verdere behandeling aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/694815 / JE RK 25-1975
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek om ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Nentjes uit Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 5 december 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 5 juni 2026. De behandeling van het verzoek (dat strekte tot een ondertoezichtstelling voor één jaar) is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 5 december 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • het aanvullende raadsrapport van 20 mei 2026.
1.3.
Op 5 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] , namens de Raad;
  • [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
- de moeder met advocaat mr. J.A. Smits, waarnemend voor mr. N. Nentjes;
- de vader.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben afzonderlijk van elkaar een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 5 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor nog zes maanden (het resterende deel van het oorspronkelijke verzoek van de Raad).
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De afgelopen periode is de communicatie tussen de vader en de moeder gestabiliseerd. Deze verbetering is echter wel kwetsbaar omdat beide ouders nog altijd verwijten naar elkaar kunnen maken. De Raad vindt de betrokkenheid van een jeugdbeschermer nog noodzakelijk om toe te zien op het verloop van het hulpverleningstraject bij de Waag. Het FAST-traject (systemische hulp) dat volgens de Waag moet worden ingezet, is nog niet gestart omdat het volgens de Waag noodzakelijk is dat de moeder haar werkzaamheden als gastouder, in ieder geval tijdelijk, beëindigt. De verwachting is dat als met het FAST-traject wordt gestart, de conflicten in de thuissituatie, waarin het nu redelijk rustig is, weer zullen toenemen en dit impact zal hebben op de gastouderkinderen. De moeder is nog niet bereid gevonden om haar werk als gastouder voorlopig op te geven, waardoor er een impasse is ontstaan . De Raad ziet een rol weggelegd voor de gecertificeerde instelling om de impasse te doorbreken. De betrokkenheid van de gecertificeerde instelling is daarnaast van belang om zicht te houden op de ontwikkeling van de kinderen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is ingestemd met een nog langere ondertoezichtstelling, maar niet voor zes maanden. De moeder benadrukt dat er snel iets moet gebeuren. De moeder maakt zich zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en heeft behoefte aan ondersteuning van een jeugdbeschermer. Een vaste jeugdbeschermer is echter nog niet beschikbaar. Het afgelopen half jaar is er weinig veranderd en de hulpverlening vanuit de Waag is nog niet opgestart. De Waag wil dat moeder haar werk als gastouder (zij is zzp’er), in ieder geval tijdelijk, opgeeft. Het opgeven van haar werk heeft echter enorme consequenties voor de moeder, zowel financieel als carrièretechnisch; als zij nu stopt als gastouder, moet zij, als dat weer kan, helemaal opnieuw beginnen. De moeder heeft een gesprek gehad bij de gemeente over de mogelijkheden van financiële hulp gedurende een periode van het niet hebben van inkomsten uit haar werk als gastouder. Dit kan door middel van een lening, maar dit betekent dat de moeder een schuld zal opbouwen. Het is de moeder niet bekend hoelang het FAST-traject zal gaan duren. De moeder vraagt zich af of er geen alternatief mogelijk is als het om hulpverlening gaat. De moeder verzoekt, gelet op dit alles, om de ondertoezichtstelling uit te spreken voor de duur van drie maanden en de behandeling van het verzoek van de Raad voor het overige aan te houden. Op deze manier kan een vinger aan de pols worden gehouden.
4.2.
Door de vader is ingestemd met het verzochte. De vader vindt dat het
FAST-traject ingezet moet worden. Net als de moeder, maakt hij zich zorgen over de ontwikkeling van de kinderen.
4.3.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Het instroomteam is het afgelopen half jaar betrokken geweest bij het gezin omdat er nog geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Het is onbekend wanneer deze wel beschikbaar zal zijn. De gecertificeerde instelling geeft aan dat de Waag niet bereid is om het
FAST-traject te starten als de moeder haar werk niet (tijdelijk) opgeeft. Het FAST-traject is volgens de gecertificeerde instelling het meest passende aanbod.

5.De beoordeling

Stukken van de moeder
5.1.
Door de advocaat van de moeder zijn op 4 juni 2026 om 01:36 uur stukken ingediend. De Raad heeft ter zitting te kennen gegeven hiervan kennis genomen te hebben. De gecertificeerde instelling en de vader hebben laten weten deze stukken niet gezien te hebben. Door de late indiening heeft ook de kinderrechter geen kennis kunnen nemen van deze stukken. Deze stukken zijn daarom niet meegenomen in de beoordeling.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan. [1]
5.3.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Alle betrokkenen zijn het er over eens dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging als het gaat om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat de ouders nog niet in staat zijn om deze in een vrijwillig kader weg te nemen. De zorgen zien vooral op het gedrag van [minderjarige 1] , de impact daarvan op [minderjarige 2] en de onmacht van de ouders om hiermee om te gaan; de moeder lijkt overbelast, de vader woont op afstand en de ouders zitten niet altijd op één lijn. Als het gaat om de hulpverlening die ingezet moet worden om de patronen die worden gezien in de opvoedsituatie te doorbreken, lijken alle neuzen, in ieder geval die van de ouders en de gecertificeerde instelling, ook, zij het voorzichtig, dezelfde kant op te staan. Die hulpverlening echter, het FAST-traject van de Waag (systemische hulp), kan nog niet worden gestart omdat de Waag voor het starten als voorwaarde stelt dat de moeder, in ieder geval tijdelijk, haar werk als gastouder opgeeft. Over de duur van het FAST-traject kan, zo heeft de kinderrechter begrepen, nog niets worden gezegd en de Waag is niet bereid om al te starten met het traject en dan te bekijken hoe het loopt. Ter zitting heeft de kinderrechter gezien dat de moeder enorm veel stress ervaart door de keuze waarvoor zij wordt gesteld en zij niet meer weet wat zij moet doen. Die stress heeft ongetwijfeld impact op de kinderen en dit is daarom niet in hun belang. De kinderrechter kan volgen dat het inzetten van een zwaar traject als het FAST-traject kan teweegbrengen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in het bijzijn van de gastouderkinderen, zorgelijk gedrag gaan vertonen. Niettemin vraagt de kinderrechter zich in deze zaak af of er niet toch een andere oplossing te vinden is die én recht doet aan dat wat nodig is om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen én die rekening houdt met de wens van moeder om haar werk als gastouder te behouden. De ondertoezichtstelling zal daarom met drie maanden worden verlengd en de behandeling van dat wat dan nog resteert van het verzoek van de Raad, zal worden aangehouden tot een nader te bepalen zitting. Uiterlijk twee weken voor die zitting wenst de kinderrechter geïnformeerd te worden over de stand van zaken en meer in het bijzonder over de zoektocht naar een oplossing voor de ontstane impasse. Wellicht ten overvloede merkt de kinderrechter op dat het, mede gezien genoemde patstelling, wenselijk is dat er zo snel als mogelijk een vaste jeugdbeschermer bij het gezin betrokken raakt.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 5 juni 2026 tot 5 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot
een nader te bepalen zitting, bij voorkeur bij mr. J.E. Bierling, gelegen vóór 5 september 2026;
6.4.
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de Raad;
- de gecertificeerde instelling;
- de moeder;
- de vader;
- de advocaat van de moeder;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , voor een kindgesprek;
6.5.
verzoekt de Raad en de gecertificeerde instelling
uiterlijk twee wekenvoorafgaand aan voornoemde zitting een
schriftelijke updatezoals hierboven onder 5.4. genoemd aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.