ECLI:NL:RBDHA:2026:18414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/09/690540 / FA RK 25-6386
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en vaststelling zorgregeling voor minderjarige

Partijen zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2019, waarbij de moeder tot op heden het alleen gezag had en het kind bij haar woont. De vader verzoekt gezamenlijk gezag en een zorgregeling waarbij het kind in de oneven weken in het weekend en de helft van de vakanties bij hem verblijft, met het halen en brengen voor zijn rekening. De moeder verzet zich tegen gezamenlijk gezag vanwege een vermeend risico dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders.

De rechtbank oordeelt dat het uitgangspunt van gezamenlijk gezag in het belang van het kind is en dat de bezwaren van de moeder onvoldoende zijn om hiervan af te wijken. De communicatie tussen ouders is hersteld en er is geen reden om te verwachten dat de vader gezagsbeslissingen zal belemmeren. Daarom wordt het gezamenlijk gezag toegewezen.

Ten aanzien van de zorgregeling stelt de rechtbank vast dat het in het belang van het kind is om een sterke band met de vader op te bouwen. De vader heeft een regeling voorgesteld van vrijdag na school tot zondagavond, maar vreest dat werk of opleiding dit bemoeilijkt. De rechtbank acht deze vrees onvoldoende reden om de regeling te beperken en legt de zorgregeling vast zoals door de vader verzocht. Het verzoek tot dwangsom wordt afgewezen omdat het de eerste duidelijke regeling betreft en er geen aanwijzingen zijn dat de vader zich niet zal houden aan de afspraken.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag toe en stelt een zorgregeling vast waarbij het kind in de oneven weken in het weekend en de helft van de vakanties bij de vader verblijft.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6386
Zaaknummer: C/09/690540
Datum beschikking: 5 juni 2026

Gezag, zorg- c.q. omgangsregeling en dwangsom

Beschikking op het op 20 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Hoogeveen in Gouda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Ekholm in Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 28 april 2026, met bijlagen, van de moeder;
  • het F9-formulier van 5 mei 2026, met bijlagen, van de vader.
Op 8 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en tolk A. Solomon;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en tolk N. Mesfun;
  • [naam] met een collega namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .
  • De vader heeft [de minderjarige] erkend.
  • [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • De moeder is van rechtswege alleen met het gezag over [de minderjarige] belast.
  • Zowel de moeder als de vader hebben de Eritrese nationaliteit.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt – na wijziging –, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] in de oneven weken van zaterdag 15.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader is, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de vader het halen en brengen voor zijn rekening neemt;
  • de vader, samen met de moeder, te belasten met het gezag over [de minderjarige] .
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig:
- een zorg- c.q. omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] in de oneven weken in het weekend van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur bij de vader is, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de vader het halen en brengen voor zijn
rekening neemt, op straffe van een dwangsom van €250,- per dag of dagdeel dat hij zich niet houdt aan de vast te stellen zorg- c.q. omgangsregeling.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfsplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken.
Gezag
Op grond van art. 1:253c BW eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van een kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. Dit verzoek wordt op grond van het tweede lid van voornoemd artikel slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De vader stelt ter onderbouwing van zijn verzoek dat gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is en dat er geen redenen zijn om hiervan af te afwijken. Er is inmiddels weer communicatie tussen partijen, als gevolg waarvan de omgang met [de minderjarige] weer op gang is gebracht. De vader wil graag betrokken zijn bij het leven van [de minderjarige] , onder andere door beslissingen over haar – in samenspraak met de moeder – te nemen.
De moeder stelt zich op het standpunt dat als de ouders gezamenlijk met het gezag worden belast een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. De moeder heeft er een lange periode alleen voor gestaan met betrekking tot de zorg voor [de minderjarige] . Alvorens de vader met het gezag kan worden belast, dient hij eerst het vertrouwen van de moeder terug te winnen door de omgangsregeling met [de minderjarige] na te komen.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. In de bezwaren van de moeder ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Na een contactbreuk van vijf maanden is het de ouders zelf gelukt om het onderlinge contact te herstellen. Hoewel de communicatie momenteel nog summier is, hebben de ouders op een bepaalde manier invulling weten te geven aan de omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Verder geeft de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de vader gezagsbeslissingen zal belemmeren. Onder deze omstandigheden is er geen reden om aan te nemen dat een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders bij toewijzing van het gezamenlijk gezag. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom toewijzen en bepalen dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uitoefenen.
Nu de rechtbank de vader mede met het gezag zal belasten, zal zij in het vervolg spreken over een zorgregeling.
Zorgregeling
In geschil is of [de minderjarige] in de oneven weken vanaf vrijdag uit school of vanaf zaterdag bij de vader zal zijn. De vader voert aan dat hij binnenkort zal moeten starten met werk of een opleiding, waardoor hij doordeweeks geen tijd heeft om naar de moeder te reizen en voor [de minderjarige] te zorgen. De moeder wil daarentegen dat de vader zoveel mogelijk tijd met [de minderjarige] doorbrengt om een band met haar op te bouwen. Daarnaast voert zij aan dat zij in dezelfde situatie zit als de vader met betrekking tot werk en/of een opleiding. De vader dient zijn verantwoordelijkheid te dragen en zal afspraken moeten maken met zijn toekomstige werkgever over de zorg voor [de minderjarige] .
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] om meer tijd met de vader door te brengen, om zo een (sterkere) band op te kunnen bouwen. De door de vader voorgestelde regeling is daarvoor te minimaal, terwijl de vader wel zelf aangeeft graag meer betrokken te willen zijn bij [de minderjarige] . Oorspronkelijk heeft de vader om een zorgregeling verzocht waarbij [de minderjarige] van vrijdag tot zondag bij hem is. Dit verzoek heeft hij later gewijzigd, omdat hij binnenkort zal starten met werk of een opleiding, en hij bang is dat het daardoor praktisch niet haalbaar is om op de vrijdag na school voor [de minderjarige] te zorgen. Die vrees alleen is niet voldoende om de regeling te beperken. De omstandigheid van werk of een opleiding is nu überhaupt nog niet aan de orde. Vader wenst een grotere en stabiele rol in het leven van [de minderjarige] , getuige zijn verzoeken om het gezag en een zorgregeling. Die wens acht de rechtbank verstandig, omdat het in het belang van [de minderjarige] is om haar vader vaker en regelmatig te zien. Daar hoort echter ook bij dat de vader zijn verantwoordelijkheid neemt. Als hij werk of een opleiding krijgt, moet hij ervoor zorgen dat hij de zorg voor [de minderjarige] daarmee kan combineren. Mocht een regeling van vrijdag tot zondag echt niet mogelijk blijken in combinatie met werk of opleiding, dan is het aan de vader om in overleg met de moeder tot een andere regeling te komen. Voor nu zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen waarbij [de minderjarige] in de oneven weken in het weekend van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur bij de vader is, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de vader het halen en brengen voor zijn rekening neemt.
Dwangsom
De rechtbank zal het verzoek van de moeder ten aanzien van de dwangsom afwijzen. De vader is zelf deze procedure gestart om een zorgregeling te laten vastleggen. Het is voor het eerst dat er een duidelijke regeling tot stand komt tussen de ouders. De komende periode zal uitwijzen of de vader zich aan de regeling zal houden, maar de rechtbank heeft nu geen aanleiding om aan te nemen dat dit niet het geval zal zijn. Een dwangsom is daarom ook niet aan de orde.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ;
*
bepaalt dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
  • in de oneven weken in het weekend van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur;
  • de helft van de vakanties en feestdagen,
waarbij de vader [de minderjarige] haalt en brengt;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 5 juni 2026.