ECLI:NL:RBDHA:2026:18473

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
NL26.22671
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 12, tweede lid, DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Luxemburg op grond van Dublinverordening

Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 22 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Luxemburg verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat eiser eerder een visum had verkregen via Luxemburg en Nederland een terugnameverzoek had ingediend dat door Luxemburg was geaccepteerd.

Verweerder nam de asielaanvraag niet in behandeling omdat Luxemburg verantwoordelijk is. Eiser voerde aan dat overdracht aan Luxemburg in strijd is met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro vanwege zijn ernstige psychische klachten en het risico op verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Hij stelde dat verweerder onvoldoende had onderzocht of de medische behandeling in Luxemburg voortgezet kan worden en dat zijn eerdere negatieve ervaring in Luxemburg een extra risico vormt.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat Luxemburg zich aan internationale verplichtingen houdt. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij in Luxemburg niet de benodigde medische zorg kan krijgen of dat overdracht tot een onevenredige hardheid leidt. De rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom het verzoek niet aan Nederland werd toegetrokken en dat het beroep ongegrond is.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22671

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Luxemburg verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL26.22672, op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde
.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft op 22 november 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser een visum heeft verkregen van de Belgische autoriteiten namens Luxemburg met een geldigheid van 28 oktober 2025 tot 27 november 2025. Op 31 december 2025 heeft Nederland aan Luxemburg verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Luxemburg heeft dit terugnameverzoek op 8 januari 2026 op die grondslag aanvaard.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Luxemburg op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Luxemburg een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
3. Eiser stelt dat verweerder op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening zijn asielverzoek zelf had moeten behandelen. Overdracht aan Luxemburg is volgens eiser in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest. Eiser lijdt aan ernstige psychische klachten, waaronder een angststoornis en depressieve klachten, waarvoor hij specialistisch wordt behandeld en medicatie gebruikt. Onderbreking van deze behandeling brengt een reëel risico mee op een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Onder verwijzing naar de arresten Paposhvili t. België en C.K. e.a. tegen Slovenië stelt eiser dat overdracht achterwege moet blijven wanneer deze voor een bijzonder kwetsbare vreemdeling een reëel risico oplevert op een onmenselijke of vernederende behandeling. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat de noodzakelijke zorg in Luxemburg beschikbaar, toegankelijk en gewaarborgd is. Evenmin blijkt dat is onderzocht of de lopende behandeling kan worden voortgezet en of medische gegevens worden overgedragen. Dit klemt te meer nu Werkinstructie 2021/3 voorschrijft dat bij medische problematiek een individuele beoordeling moet plaatsvinden van het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro en van eventuele onevenredige hardheid. Daarbij komt dat eiser eerder in Luxemburg heeft verbleven waar een ernstig conflict met zijn verhuurder hem destijds mentaal heeft gebroken. Gelet op zijn huidige psychische kwetsbaarheid vormt ook deze persoonlijk ervaring een concrete aanwijzing dat terugkeer naar Luxemburg tot een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand zal leiden. Overdracht leidt daarom tot evenredige hardheid, zodat verweerder gebruik had moeten maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
3.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is. De Afdeling heeft over deze bepaling eerder overwogen dat de rechter de beoordeling van verweerder terughoudend moet toetsen. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, onder 7.
3.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser niet betwist dat ten aanzien van Luxemburg van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, waardoor mag worden verondersteld dat Luxemburg zich aan alle internationale verplichtingen houdt. De Luxemburgse autoriteiten hebben met het claimakkoord bovendien gegarandeerd dat zij eisers asielaanvraag, met inachtneming van de internationale verdragen en Europese asiel- en opvangrichtlijnen, in behandeling zullen nemen. Verder geldt dat eiser niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Luxemburg, zodat hij niet uit eigen ervaring kan verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten in Luxemburg. Indien eiser na overdracht aan Luxemburg zich, onverhoopt, geconfronteerd ziet met problemen, geldt dat hij zich hierover dient te beklagen bij de Luxemburgse autoriteiten. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk is of dat de Luxemburgse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk).
3.3.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder in de door eiser gestelde omstandigheden – te weten zijn ernstige psychische problematiek, het reële risico op ernstige en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand bij overdracht, het gebrekkige onderzoek naar de continuïteit van de lopende medische behandeling, en het conflict met zijn verhuurder in Luxemburg dat hem mentaal zou hebben gebroken – geen aanleiding heeft hoeven zien om te concluderen dat overdracht naar Luxemburg zou leiden tot een onevenredige hardheid en is hier in het bestreden besluit voldoende op ingegaan (zie pagina 6).
3.4.
Ten aanzien van de medische problemen van eiser heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Luxemburg niet de benodigde medische behandeling kan krijgen. Als uitgangspunt heeft immers te gelden dat de medische voorzieningen in Luxemburg vergelijkbaar zijn met die in Nederland en ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten (op basis van het eerder besproken interstatelijk vertrouwensbeginsel). Uit het aanmeldgehoor (zie pagina 5) volgt overigens dat eiser heeft verklaard niet te hebben onderzocht of hij de benodigde medische behandeling in Luxemburg kan verkrijgen. Hoewel eiser in het gehoor heeft verklaard dat het psychisch slecht met hem gaat, dat hij nog een gesprek van 90 minuten met zijn psycholoog heeft gehad voorafgaand aan het gehoor en dat hij medische stukken heeft overgelegd die inzicht geven in zijn psychische gesteldheid, is hieruit niet gebleken van een ernstige psychische of lichamelijke aandoening die, in het geval van overdracht naar Luxemburg, een reëel en bewezen risico met zich brengt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127, overweging 74. Daarbij is van belang dat eiser niet heeft verklaard en ook uit de overgelegde stukken niet blijkt dat zijn psychische klachten samenhangen met een overdracht aan Luxemburg of met een eventuele terugkeer naar zijn land van herkomst. De verwijzing naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), de zaak Paposhvili t. België, treft evenmin doel. Volgens eiser volgt uit dit arrest dat ook psychische aandoeningen onder de drempel van artikel 3 EVRM Pro kunnen vallen indien de betrokken zorg in het ontvangende land niet beschikbaar of bereikbaar is. Eiser heeft niet - met objectieve stukken of eigen ervaringen – aangetoond dat dit in Luxemburg het geval is. Verder is er geen reden om aan te nemen dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. Op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening kan een uitwisseling van medische gegevens plaatsvinden tussen Nederland en Luxemburg, zodat de Luxemburgse autoriteiten over de eventuele bijzondere behoeften van eiser kunnen worden geïnformeerd. Gelet op het voorgaande zijn de medische omstandigheden van eiser geen bijzondere individuele omstandigheden die overdracht aan Luxemburg onevenredig hard maken.
3.5.
Wat betreft de verwijzing naar de Werkinstructie 2021/3 (zie WI 2021/3 BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K. - Immigratie- en Naturalisatiedienst) waaruit volgt dat verweerder een individuele beoordeling moet uitvoeren oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de werkinstructie blijkt dat tijdens een Dublinprocedure een BMA-advies kan worden opgevraagd als uit objectieve medische gegevens blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Er zal geen BMA-onderzoek worden opgestart als de vreemdeling niet onder actieve behandeling staat van een medisch specialist. Enkel een uittreksel van bijvoorbeeld het GZA of een bewijs van een toekomstige afspraak bij een medisch specialist is onvoldoende, aldus WI 2021/3. Uit de overgelegde medische stukken volgt niet dat eiser onder actieve behandeling staat van een medisch specialist. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om een dergelijk onderzoek op te starten of om het BMA om advies te vragen.
3.6.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.