ECLI:NL:RBDHA:2026:18488

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
NL25.22558
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit wegens ontbreken geldig verblijfsrecht in Nederland

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit van 14 mei 2025 waarin hem een vertrektermijn van 28 dagen is opgelegd. Hij stelde dat hij rechtmatig in Nederland verbleef op basis van een paspoort en toeristenvisum, die echter in het hotel waren achtergebleven. De rechtbank heeft vastgesteld dat politieagenten bij het hotel geen geldig paspoort of visum hebben aangetroffen, slechts een Algerijns rijbewijs.

De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende onderzoek heeft gedaan en dat de inhoud van het gehoor van eiser is betrokken bij het besluit. Eiser heeft geen bewijs geleverd van geldig verblijfsrecht en heeft ook niet voldaan aan het verzoek van de rechtbank om documenten te overleggen. Daarnaast heeft de rechtbank ambtshalve vastgesteld dat terugkeer niet in strijd is met artikel 3 EVRM Pro, omdat eiser geen medische problemen heeft en geen vrees voor vervolging of onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Algerije.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter N. Boonstra en griffier L. Kooring op 3 juli 2026 in Amsterdam.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.22558

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het terugkeerbesluit.
1.1.
Bij besluit van 14 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft een kantoorgenoot van de gemachtigde van verweerder, mr. C.W.M. van Breda deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden een terugkeerbesluit aan eiser heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1978 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Aan eiser is een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen. Vanwege het terugkeerbesluit heeft verweerder eiser gesignaleerd in het SIS [1] .
Heeft verweerder terecht een terugkeerbesluit opgelegd?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder aan hem ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Eiser had namelijk op grond van zijn paspoort en toeristenvisum rechtmatig verblijf in Nederland. In het gehoor verklaart eiser dat hij een geldig paspoort met een visum heeft, maar dat deze documenten in het hotel zijn achtergebleven. Verweerder heeft de hotelgegevens weliswaar opgezocht, maar daar ten onrechte verder geen actie op ondernomen. Ook heeft verweerder ten onrechte nagelaten de inhoud van het gehoor te betrekken in de besluitvorming.
5. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat verweerder geen onderzoek zou hebben gedaan naar eiser zijn paspoort en toeristenvisum. Uit het dossier blijkt dat politieagenten op 14 mei 2025 naar aanleiding van de verklaring van eiser zijn bagage hebben opgehaald bij zijn hotel en is er geconstateerd dat er geen paspoort met visum aanwezig was. Er werd enkel een Algerijns rijbewijs aangetroffen. Verder volgt de rechtbank eiser niet in het standpunt dat de inhoud van zijn gehoor niet is betrokken in het terugkeerbesluit. In het terugkeerbesluit is immers opgenomen dat eiser niet in het bezit is van een geldig reisdocument en visum en hij daardoor niet voldoet aan de voorwaarden waaronder hij vrij in de Europese Unie dan wel Schengengebied mag reizen. Nu is gebleken dat het paspoort en visum niet in het hotel zijn aangetroffen ziet de rechtbank niet welke informatie uit het gehoor ten onterechte niet in het terugkeerbesluit is betrokken. Eiser heeft ook geen gehoor gegeven aan het verzoek van de rechtbank om deze stukken te overleggen. Omdat eiser heeft niet aangetoond dat hij een geldig verblijfsrecht had in Nederland, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Ambtshalve stelt de rechtbank vast dat het opgelegde terugkeerbesluit niet in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. [2] In het gehoor van 14 mei 2025 heeft verweerder eiser bevraagd over zijn familie, zijn medische omstandigheden en of hij in Algerije te vrezen heeft voor vervolging en/of onmenselijke dan wel vernederende behandeling. Hierop heeft eiser geantwoord dat zijn gezin in Algerije woont en dat hij geen familie in Nederland heeft, er geen medische problematiek speelt en hij niets te vrezen heeft bij terugkeer naar Algerije. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de terugkeer van eiser in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr.
L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Schengen Informatiesysteem.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.