ECLI:NL:RBDHA:2026:18490

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
09/300680-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 420bis SrArt. 2 OpiumwetArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen drugsdelicten en witwassen tot 38 maanden gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag heeft op 18 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, geboren in 1994, wegens meerdere druggerelateerde feiten en witwassen. De tenlastelegging omvat medeplegen van het afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid hasjiesj, bezit van circa 25 liter BMK, bezit van bijna 8,8 kilogram cocaïne, en het medeplegen van witwassen van €178.570.

Tijdens de terechtzitting op 4 juni 2026 zijn de standpunten van de officier van justitie en de verdediging besproken. De rechtbank heeft de verklaringen van medeverdachten als betrouwbaar beoordeeld en het medeplegen bewezen verklaard. De verdachte speelde een organiserende en sturende rol, beheerde het geld en schakelde anderen in voor uitvoering en vervoer.

De rechtbank heeft de strafbaarheid van de feiten en de verdachte vastgesteld en acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 38 maanden passend, mede gelet op de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van drugscriminaliteit en witwassen, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht. De schorsing van de voorlopige hechtenis blijft van kracht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 38 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor medeplegen van drugshandel en witwassen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/300680-24
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.C. Neelis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S. Ben Tarraf naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 4 juni 2026. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 2 gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, te weten het medeplegen van het aanwezig hebben, vervoeren, afleveren en/of verstrekken van een hoeveelheid hasjiesj. Voor de overige tenlastegelegde handelingen onder feit 2 heeft zij partiële vrijspraak gevraagd. Daarnaast heeft zij gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 3, 4 en 5.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van feit 2 primair en feit 5 bepleit. De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 subsidiair, feit 3 en feit 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden in bijlage II opgenomen.
De rechtbank zal voor de feiten 3 en 4 met een opgave van bewijsmiddelen volstaan, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
3.4.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 2 en 5
Ten aanzien van feit 2
Wat is er gebeurd?
Medeverdachte [medeverdachte 1] is door [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) benaderd met de vraag of hij een afnemer voor een partij hasjiesj kon vinden. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] contact gelegd met de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] . De verdachte was de geldschieter die bepaalde of de hasj gekocht werd of niet, en [medeverdachte 3] was de werker van de verdachte. De verdachte heeft ook medeverdachte [medeverdachte 4] ingeschakeld omdat deze over een voertuig beschikte met een verborgen ruimte waar de hasj in moest worden vervoerd.
Vaststaat dat de medeverdachte [medeverdachte 3] op 6 juni 2024 een ontmoeting heeft gehad met [medeverdachte 5] om een hoeveelheid hasjiesj te kopen. De verdachte is daartoe samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , verdeeld over twee auto’s, naar de omgeving van de woning van die [medeverdachte 5] gereden. De verdachte zat bij [medeverdachte 1] in de auto.
Het was de bedoeling dat de verdachte de hasjiesj van [medeverdachte 5] zou kopen, dat [medeverdachte 3] de feitelijke overdracht zou uitvoeren en dat [medeverdachte 4] de hasjiesj na aankoop in zijn witte Opel Combo met een verborgen ruimte zou vervoeren. Dit plan is op het laatste moment gewijzigd omdat de verdachte samen met [medeverdachte 4] in de Opel Combo eerder uit de omgeving van de woning van [medeverdachte 5] is vertrokken.
Tijdens de beoogde overdracht van de hasjiesj is er een discussie tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] ontstaan waarbij [medeverdachte 5] door [medeverdachte 3] is neergeschoten. Na het schietincident is [medeverdachte 3] met een tas hasjiesj vanuit de woning van [medeverdachte 5] in het voertuig van [medeverdachte 1] gestapt, waarna [medeverdachte 1] hem heeft vervoerd naar de ontmoetingsplaats waar zij voorafgaand aan het incident hadden afgesproken.
Bewijsuitsluiting
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] onbetrouwbaar zijn en dus moeten worden uitgesloten van het bewijs.
De rechtbank stelt voorop dat het aan de feitenrechter is om de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van verklaringen te beoordelen en om te bepalen welk bewijsmateriaal voor het bewijs wordt gebruikt en welk niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] uit te sluiten. Daarbij is van belang dat de betrouwbaarheid van een verklaring wordt beoordeeld in samenhang met de overige bewijsmiddelen in het dossier en de onderlinge consistentie van die verklaringen op essentiële onderdelen. Dat een verklaring afkomstig is van een medeverdachte maakt deze niet op voorhand onbruikbaar voor het bewijs.
In dit geval oordeelt de rechtbank dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] consistent zijn geweest in hun verklaringen en dat zij hierin ook hun eigen (criminele) rol benoemen. De verklaringen zijn ook onderling consistent en vinden verder steun in andere feitelijke vaststellingen in het dossier, zoals de reisbewegingen die zijn gemaakt, de aanwezigheid van de verborgen ruimte in de Opel Combo en de telefoongegevens van de verdachten.
De rechtbank acht de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken en zal daarom het verweer van de raadsman verwerpen.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Medeplegen vereist niet altijd dat alle betrokkenen een uitvoerende rol hebben bij het daadwerkelijke plegen van het strafbare feit. Ook andere bijdragen kunnen, afhankelijk van hun gewicht en betekenis binnen het gezamenlijke plan, leiden tot een bewezenverklaring van medeplegen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij het plan om een partij hasjiesj van [medeverdachte 5] af te nemen een sturende en organiserende rol heeft vervuld. De verdachte beheerde het voor de aankoop bestemde geld en nam de beslissingen ten aanzien van de uitvoering van de transactie. Zo heeft hij [medeverdachte 3] ingeschakeld om de feitelijke overdracht van de hasjiesj te bewerkstelligen en [medeverdachte 4] om de aangekochte hasjiesj in de verborgen ruimte van de witte Opel Combo te vervoeren. Hoewel de verdachte buiten zou wachten terwijl de feitelijke overdracht van de hasjiesj zou plaatsvinden en uiteindelijk eerder samen met [medeverdachte 4] is vertrokken, is de bijdrage van verdachte aan het geheel van wezenlijke betekenis geweest.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben, vervoeren en afleveren van een hoeveelheid hasjiesj. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Partiële vrijspraak
Uit de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] volgt dat er op 5 juni 2024 bij een tankstation in Leiden onderhandelingen hebben plaatsgevonden over de aankoop van een hoeveelheid hasjiesj. De rechtbank kan niet vaststellen dat op die datum sprake is geweest van het afleveren, vervoeren of opzettelijk aanwezig hebben van hasjiesj door de medeverdachten of dat op die datum of de dag erna op 6 juni 2024 sprake is geweest van bereiden, bewerken, verwerken, verkopen of verstrekken van een hoeveelheid hasjiesj door de verdachte al dan niet in nauwe en bewuste samenwerking met (een) andere(en). Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging ziet op de datum van 5 juni 2024 en op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen en verstrekken van hasjiesj op 6 juni 2024.
Ten aanzien van feit 5
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Naar vaste rechtspraak kan bewezen worden verklaard dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, als dat op grond van vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn. Als die feiten en omstandigheden zonder meer een vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo'n verklaring moet concreet en min of meer verifieerbaar zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.
Uit de telefoon van de verdachte is een chat naar voren gekomen waaruit blijkt dat
medeverdachte [medeverdachte 4] op 27 en 28 juli 2024, in opdracht van de verdachte, in twee
transacties een totaalbedrag van € 178.570 heeft opgehaald in Berkel en Rodenrijs. Dit geld
werd, na het geven van een code aan een onbekende man, ontvangen op een parkeerplaats
waarbij het in een boodschappentas werd overhandigd. Het geld is vervolgens door de
medeverdachte naar de woning van de verdachte aan de [adres 2]
gebracht.
Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij meermaals samen met de verdachte blokken
cocaïne heeft opgehaald. Verder zijn uit het onderzoek naar de inhoud van de telefoon van
de verdachte sterke aanwijzingen voortgekomen dat hij zich bezig hield met verschillende
criminele activiteiten. Op grond van alle voornoemde omstandigheden in onderlinge
samenhang bezien is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het geld afkomstig zou zijn geweest van ondergronds bankieren en dus niet van enig misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat dit geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring betreft waaruit volgt dat het geldbedrag níet van misdrijf afkomstig is. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 4] bij het voorhanden hebben van het geldbedrag, zodat het medeplegen van witwassen door de verdachte bewezen kan worden verklaard.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
2
hij op 6 juni 2024 te Leiden, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft afgeleverd, vervoerd
enopzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3
hij op 22 juni 2024 te Leiden opzettelijk BMK (ongeveer 25 liter), een stof die op grond van artikel 4a, tweede lid, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën is aangewezen voorhanden heeft gehad;
4
hij op 25 september 2024 te Leiden, opzettelijk aanwezig heeft gehad, 8789 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
5
hij in de periode van 27 juli 2024 tot en met 28 juli 2024, te Leiden en Berkel en Rodenrijs, tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van 178.570,-, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat dat voorwerp- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan het reeds ondergane voorarrest, en deze eventueel aan te vullen met de oplegging van de maximale taakstraf per bewezenverklaard feit en een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het afleveren, vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs en het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs en BMK. BMK wordt gebruikt voor de productie van de harddrug amfetamine. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit met betrekking tot drugs en daarmee gevaar, schade en overlast voor de samenleving veroorzaakt. Bovendien gaat de handel in verdovende middelen steeds meer gepaard met andere vormen van criminaliteit. Zo heeft de handel in drugs op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed.
Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 178.570,-. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor aan het zicht van justitie onttrokken waardoor witwassen kan worden gezien als een misdrijf dat andere misdrijven faciliteert.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 april 2026 en constateert dat daar geen voor de strafoplegging relevante strafbare feiten op staan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 29 mei 2026, waaruit volgt dat sprake is van meerdere beschermende factoren zoals een ondersteunende familie en een baan bij zijn broer. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte bij de strafoplegging mee dat hij gedurende ongeveer een jaar onder elektronisch toezicht heeft gestaan in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis en dat hij gedurende het schorsingstoezicht goed heeft meegewerkt aan de interventies van de reclassering.
LOVS
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor het opzettelijk aanwezig hebben van 5 tot 10 kilo softdrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden vermeld. Voor het aanwezig hebben van tussen de 8000 en 9000 gram harddrugs is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden vermeld. Voor het witwassen van een bedrag tussen de € 125.000 en € 200.000 is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden vermeld.
Conclusie
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles overwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zou ertoe leiden dat geen voorwaardelijke invrijheidsstelling mogelijk is. Om die reden legt de rechtbank de gevangenisstraf van 38 maanden geheel onvoorwaardelijk op. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal daarom volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het overeenkomstige standpunt van de officier van justitie, de schorsing van de voorlopige hechtenis kan voortduren.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

Ter terechtzitting is gebleken dat een bedrag van in totaal € 4.190,00 en een bestelbus van de verdachte door de politie in beslag is genomen. De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat zij de teruggave van genoemd bedrag en de bestelbus aan de verdachte met de politie zal afstemmen. De rechtbank verstaat aldus dat zij hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 47, 57 en 420bis Sr;
- 2, 3, 10 en 11, van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I en II;
- 4 a van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën;
- 6 van de Wet op de economische delicten.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 2 primair:
het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 4a, eerste lid, Wet voorkoming misbruik chemicaliën;
ten aanzien van feit 4:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 5:
het medeplegen van witwassen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
38(
achtendertig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte voortduurt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs N.D. van Duijkeren en V.K.M. Hanssen, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.
Bijlage I – de tenlastelegging
2
hij in of omstreeks de periode van 5 juni 2024 tot en met 6 juni 2024 te Leiden, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend
gebleven personen in of omstreeks de periode van 5 juni 2024 tot en met 6 juni 2024 te Leiden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hasjiesj,
zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 5 juni 2024 tot en met 6 juni 2024 te Leiden, althans in Nederland medeplichtig is geweest door het opzettelijk
verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen en/of door opzettelijk behulpzaam te zijn, welke medeplichtigheid (onder meer) hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte:
- als bestuurder van een auto (met een verborgen ruimte) heeft opgetreden om [medeverdachte 3] en/of
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] op te halen en/of te vervoeren en/of te begeleiden naar de woning van die [medeverdachte 5] en/of
- (vervolgens) in een auto (in de omgeving van de woning) met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] op die [medeverdachte 3] is blijven wachten en/of – nadat de ripdeal gepleegd was – deze [medeverdachte 3] met de door hem bestuurde auto weer mee (terug) heeft genomen en/of is meegereden weg van de plaats delict;
3
hij op of omstreeks 22 juni 2024 te Leiden opzettelijk BMK (ongeveer 25 liter), een stof die op grond van artikel 4a, tweede lid, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën is aangewezen heeft ingevoerd, uitgevoerd, vervoerd en/of voorhanden heeft gehad;
art 4a WVMC jo art 6 WED Pro;
4
hij op of omstreeks 25 september 2024 te Leiden, althans in Nederland opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 8789 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5
hij in of omstreeks de periode van 27 juli 2024 tot en met 28 juli 2024, te Leiden en/of Berkel en Rodenrijs, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een of meer geldbedrag(en) ten bedrage van 178.570,-, althans een of meer voorwerpen
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.