ECLI:NL:RBDHA:2026:18492
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na beslissing op beroep
Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die op 15 mei 2025 door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen is op 22 mei 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank. Vervolgens heeft verzoeker op 15 oktober 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om het bestreden besluit tijdelijk te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op 2 juli 2026 reeds uitspraak heeft gedaan op het onderliggende beroep, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het onderliggende beroep reeds is beslist.