ECLI:NL:RBDHA:2026:18492

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/10623
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na beslissing op beroep

Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die op 15 mei 2025 door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen is op 22 mei 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank. Vervolgens heeft verzoeker op 15 oktober 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om het bestreden besluit tijdelijk te schorsen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op 2 juli 2026 reeds uitspraak heeft gedaan op het onderliggende beroep, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het onderliggende beroep reeds is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/10623
uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verzoeker heeft op 22 mei 2025 beroep (AWB 26/1570) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder op 15 oktober 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. In de uitspraak van vandaag in de zaak met nummer AWB 26/1570 heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Er is daarom geen voorlopige voorziening meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.