ECLI:NL:RBDHA:2026:18498
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. Paffen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis pleegkind wegens ontbreken feitelijke gezinsband
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) in het kader van nareis van een pleegkind af te wijzen. De eiser is het gestelde pleegkind van een asielstatushouder (referent) die reeds een verblijfsvergunning heeft. De aanvraag werd afgewezen omdat de familierechtelijke relatie met de biologische ouders en de feitelijke gezinsband met de referent niet aannemelijk waren gemaakt.
De rechtbank overweegt dat hoewel de identiteit van de biologische moeder aannemelijk is, de familierechtelijke relatie en de pleegrelatie onvoldoende zijn onderbouwd. De biologische ouders zijn nog in beeld en betrokken bij de zorg, waardoor zwaardere bewijseisen gelden. Er is geen duurzame overdracht van ouderlijke verantwoordelijkheid aan de referent. De belangen van het kind zijn meegewogen, maar rechtvaardigen geen andere uitkomst.
Verder is er een motiveringsgebrek vastgesteld omtrent de toetsing aan artikel 8 EVRM Pro, maar dit is door verweerder in het verweerschrift alsnog voldoende gemotiveerd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de MVV-aanvraag nareis pleegkind wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van een feitelijke gezinsband.