ECLI:NL:RBDHA:2026:18501

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
09/205850-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen softdrugsaflevering en vervoer van 9 kilo hasjiesj

De rechtbank Den Haag heeft op 18 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van het afleveren, vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid hasjiesj (9 kilo) in Leiden op 6 juni 2024.

Uit het onderzoek en de bewijsvoering, waaronder verklaringen van de verdachte en medeverdachten, camerabeelden en een doorzoeking waarbij 18 blokken hasj werden aangetroffen, blijkt dat de verdachte als tussenpersoon optrad bij de drugstransactie en actief deelnam aan het vervoer en afleveren van de drugs. Na een schietincident waarbij een medeverdachte werd neergeschoten, vervoerde de verdachte de medeverdachte met de tas hasj naar een afgesproken ontmoetingsplaats.

De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte medepleegde aan het strafbare feit en sprak hem vrij voor de handelingen op 5 juni 2024 en voor het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen en verstrekken van hasj op 6 juni 2024. Gezien de ernst van het feit, het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 120 dagen op, waarvan 29 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen gevangenisstraf, waarvan 29 dagen voorwaardelijk, voor medeplegen van softdrugsaflevering en vervoer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/205850-24
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres 1], [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.C. Neelis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. V.L.T. van Roy naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 5 juni 2024 tot en met 6 juni 2024 te Leiden, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer onbekend
gebleven personen in of omstreeks de periode van 5 juni 2024 tot en met 6 juni 2024 te Leiden, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 5 juni 2024 tot en met 6 juni 2024 te Leiden, althans in Nederland medeplichtig is geweest door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen en/of door opzettelijk behulpzaam te zijn, welke medeplichtigheid (onder meer) hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte:
- als bestuurder van een auto (met een verborgen ruimte) heeft opgetreden om [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] op te halen en/of te vervoeren en/of te begeleiden naar de woning van die [naam 1] en/of
- ( vervolgens) in een auto (in de omgeving van de woning) met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] op die [medeverdachte 3] is blijven wachten en/of – nadat de ripdeal gepleegd was – deze [medeverdachte 3] met de door hem bestuurde auto weer mee (terug) heeft genomen en/of is meegereden weg van de plaats delict.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, te weten het medeplegen van het aanwezig hebben, vervoeren, afleveren en/of verstrekken van een hoeveelheid hasjiesj. Voor de overige tenlastegelegde handelingen heeft zij partiële vrijspraak gevraagd.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het onderzoek ECHO24 met onderzoeknummer PL1500-2024302720 en genummerd pagina 1 t/m 579, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche.
1.
De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 juni 2026, voor zover inhoudende:
Ik heb de twee partijen bij elkaar gebracht en ik zou er wat aan verdienen. Op 6 juni 2024 ben ik erbij geweest. Ik zou per kilo 50 euro krijgen. Uiteindelijk wist ik dat het om 9 kilo hasj ging. Ik ben er met [medeverdachte 1] heengereden. Ik wist dat het de bedoeling was om hasj te kopen, ik wist dat zeker. [medeverdachte 3] is daarna bij mij ingestapt met de tas. Ik heb [medeverdachte 3] met de tas afgeleverd waar we hadden afgesproken voor het incident.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 augustus 2024, voor zover inhoudende (p. 289, 292, 296, 297):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende. In dit proces-verbaal zullen de camerabeelden van de apotheek worden uitgewerkt.
De apotheek is gelegen aan de [adres 2] te Leiden en is gelegen binnen circa 100 meter van de plaats delict.
Onderzoek camerabeelden van woensdag 6 juni 2024
Camera: INRIT, Apotheek, bestand [bestandsnaam 1]mp4
Ik zag op de camera dat op 06/06/2024 rond 14:44 werkelijke tijd de zwarte Seat Leon over de [straatnaam 1] reed. De zwarte Seat Leon leek uiterlijk sterk op de zwarte Seat Leon voorzien van kenteken [kenteken] welke op naam staat van [verdachte], geboren op [geboortedatum]1993 te [geboorteplaats]. Ik zag dat de zwarte Seat Leon begon te rijden vanuit rechtsboven in het beeld, vanaf een parkeerplaats gelegen aan de [straatnaam 2].
Camera: INRIT, Apotheek, bestand [bestandsnaam 2].mp4
Ik zag dat er op 06/06/2024 rond 15:02 werkelijke tijd een persoon wegliep vanuit de richting van de plaats delict. De persoon liep achter de zwarte Seat Leon langs en liep richting het achterportier aan de bestuurderszijde. Ik zag dat de persoon bij het achterportier aan de bestuurderszijde van de zwarte Seat Leon stond. De persoon stapte in bij het achterportier aan de bestuurderszijde van de zwarte Seat Leon. De zwarte Seat Leon reed vervolgens in de richting van de [straatnaam 1].
3.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 augustus 2024, voor zover inhoudende (p. 111, 120):
Op 6 juni 2024 werd in de woning aan de [adres 3] te Leiden het levenloze lichaam aangetroffen van een persoon welke later bleek te zijn [naam 1]. Op 11 juni 2024 vond er een doorzoeking plaats op het adres [adres 3] te Leiden. Tijdens de doorzoeking werd in de slaapkamer een plastic tas met daarin 18 blokken, vermoedelijk drugs (Hasjiesj), aangetroffen en in beslag genomen. Aan de hand van de ervaring als taakaccent houder hennep, uiterlijke kenmerken van de blokken, de geur van het verwijderen van het krimpfolie en na het uitvoeren van een indicatieve MMC Cannabis Test, zijn de 18 blokken positief getest op Hasjiesj.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen van verhoor van [naam 2], opgemaakt op 18 september 2024, voor zover inhoudende (p. 550, 558, 559):
V: Waar was [naam 1] mee bezig?
A: Nou af en toe dat hij stukjes hasj verkocht enzo
A. Toen kwam-ie thuis. Hij zei morgen tussen 2 en 3 komen ze naar mij toe. Er zou over
9 kilo hasj gesproken worden.
V: Lag er 9 kilo in huis?
A: Ik denk het wel ja.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Wat is er gebeurd?
De verdachte heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 4] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4]) werd benaderd met de vraag of hij een afnemer voor een partij hasjiesj kon vinden. Daarop heeft de verdachte contact gelegd met de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 4] onderhield op zijn beurt het contact met [naam 1]. De verdachte heeft aldus de verkopende partij en de kopende partij van een partij hasjiesj met elkaar in contact gebracht. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat de (ver)koop betrekking had op een hoeveelheid van 9 kilogram hasjiesj en dat hij voor iedere verkochte kilogram hasjiesj € 50,- zou ontvangen.
Vaststaat dat de medeverdachte [medeverdachte 3] op 6 juni 2024 een ontmoeting heeft gehad met [naam 1] om een hoeveelheid hasjiesj te kopen. De verdachte is daartoe samen met medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], verdeeld over twee auto’s, naar de omgeving van de woning van die [naam 1] gereden. [medeverdachte 1] zat bij de verdachte in de auto.
De verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij zijn voertuig had geparkeerd bij een apotheek nabij de woning van [naam 1]. Nadat [medeverdachte 1] verdachtes voertuig had verlaten, verzocht [medeverdachte 1] de verdachte telefonisch om [medeverdachte 3] op te halen. Op dat moment waren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] reeds uit de directe omgeving van de woning van [naam 1] vertrokken met het andere voertuig. Tijdens de beoogde overdracht van de hasjiesj is er een discussie tussen [naam 1] en [medeverdachte 3] ontstaan waarbij [naam 1] door [medeverdachte 3] is neergeschoten. Na het schietincident is [medeverdachte 3] met een tas hasjiesj vanuit de woning van [naam 1] naar het voertuig van de verdachte gekomen, waarna verdachte hem heeft vervoerd naar de ontmoetingsplaats waar zij voorafgaand aan het incident hadden afgesproken.
Hasjiesj
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat zich in de tas die medeverdachte [medeverdachte 3] uit de woning van [naam 1] heeft meegenomen en waarmee hij in de auto van de verdachte is gestapt, daadwerkelijk hasjiesj bevond.
De verdachte heeft zelf verklaard dat hij wist dat het om 9 kilogram hasj ging en ook medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de beoogde transactie om hasj ging. Uit het dossier blijkt verder dat de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] op 5 juni 2024 naar de Shell aan de Hoge Rijndijk in Leiden zijn gegaan om de aangeboden partij hasjiesj te controleren. Nadat was vastgesteld dat het om (goede kwaliteit) hasjiesj ging, is een afspraak gemaakt voor de (ver)koop van 9 kilogram hasjiesj op 6 juni 2024. Voorts zijn bij de doorzoeking op 11 juni 2024 in de woning van [naam 1] 18 blokken van een bepaalde substantie aangetroffen en in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat deze blokken positief testten op hasjiesj. Daarnaast heeft de partner van [naam 1] verklaard dat zij wist dat [naam 1] in hasjiesj handelde en dat zij wist dat er op 6 juni 2024 een deal zou plaatsvinden met betrekking tot 9 kilogram hasjiesj.
Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de verdachte met de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 6 juni 2024 uitvoering gaf aan een transactie betreffende hasjiesj en dat er in de tas, die [medeverdachte 3] in zijn hand had toen hij in de auto van de verdachte stapte, hasj zat. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
De verdachte trad op als tussenpersoon bij een voorgenomen handel in 9 kilogram hasjiesj door de verkopende en kopende partij met elkaar in contact te brengen, waarbij hij € 50,- per verkochte kilogram zou ontvangen. Op de dag van de deal is hij samen met de medeverdachten meegegaan naar de omgeving van de woning van [naam 1]. Hier is hij, in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 1], blijven wachten om [medeverdachte 3] weer mee te nemen. Na het schietincident liet hij [medeverdachte 3], die met een tas hasjiesj uit de woning kwam, toe in zijn auto en heeft hij hem vervoerd naar de ontmoetingsplaats waar zij voorafgaand aan het incident hadden afgesproken.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben, vervoeren en afleveren van een hoeveelheid hasjiesj. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Partiële vrijspraak
Uit de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en van de verdachte zelf volgt dat er op 5 juni 2024 bij een tankstation in Leiden onderhandelingen hebben plaatsgevonden over de aankoop van een hoeveelheid hasjiesj. De verdachte was daarbij niet aanwezig. De rechtbank kan niet vaststellen dat op die datum sprake is geweest van het afleveren, vervoeren of opzettelijk aanwezig hebben van hasjiesj door de medeverdachten of dat op die datum of de dag erna op 6 juni 2024 sprake is geweest van bereiden, bewerken, verwerken, verkopen of verstrekken van een hoeveelheid hasjiesj door de verdachte of de medeverdachten. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging ziet op de datum van 5 juni 2024 en op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen en verstrekken van hasjiesj op 6 juni 2024.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 6 juni 2024 te Leiden, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd
enopzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 29 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van een eventueel op te leggen straf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het afleveren, vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit met betrekking tot drugs en daarmee gevaar, schade en overlast voor de samenleving veroorzaakt. Bovendien gaat de handel in verdovende middelen steeds meer gepaard met andere vormen van criminaliteit. Zo heeft de handel in softdrugs op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. De verdachte heeft zich bij het plegen van dit feit alleen laten leiden door zijn eigen financieel gewin.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar een keer eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een misdrijf zoals omschreven in de Opiumwet. Het betrof echter een feit dat is begaan in 2017, zodat de rechtbank dit niet ten nadele van de verdachte heeft meegewogen in de strafoplegging.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 25 juni 2026. Daaruit komt naar voren dat geen actueel delictpatroon wordt gezien. De verdachte beschikt over vaste huisvesting, een grotendeels gestructureerde dagbesteding en toereikende financiën zonder schuldenproblematiek. Het familiaire netwerk acht de reclassering positief. De reclassering schat de kans dat de verdachte opnieuw in aanraking komt met justitie als laag-gemiddeld in. Aangezien het feit incidenteel lijkt, acht de reclassering reclasseringsbemoeienis niet geïndiceerd.
LOVS
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor het opzettelijk aanwezig hebben van 5 tot 10 kilo softdrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden vermeld.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste straf, gelet op alle omstandigheden zoals hiervoor genoemd, passend en geboden en legt aan de verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank zal een deel van die straf, groot 29 (negenentwintig) dagen, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

Ter terechtzitting is gebleken dat een bedrag van € 370,00 van de verdachte door de politie in beslag is genomen. De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat zij de teruggave van dit bedrag aan de verdachte met de politie zal afstemmen. De rechtbank verstaat aldus dat zij hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
120 (honderdtwintig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
29 (negenentwintig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs N.D. van Duijkeren en V.K.M. Hanssen, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.