ECLI:NL:RBDHA:2026:18505

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/09/705837 / HA ZA 26-520
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 FwArt. 122 Fw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring rechtbank en verwijzing procedure naar kantonrechter wegens lopende procedure voorafgaand aan faillissement

Hillsafety B.V. vordert betaling van een vordering in het faillissement van Mr. [verwerende partij] Beheer B.V. De rechtbank onderzoekt of zij bevoegd is om over deze vordering te oordelen. Uit de stukken blijkt dat er voorafgaand aan het faillissement al een procedure over dezelfde vordering aanhangig was bij de kantonrechter.

Op grond van artikel 29 Faillissementswet Pro (Fw) wordt een lopende procedure geschorst na faillietverklaring en wordt de betwister in plaats van de gefailleerde partij. Artikel 122 Fw Pro bepaalt dat een betwiste vordering alleen naar de rechtbank wordt verwezen als er nog geen procedure loopt, wat hier niet het geval is. Doorhaling van de procedure na faillissement is slechts administratief en kan worden heropend.

De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en verwijst de zaak terug naar de kantonrechter, waar de procedure kan worden voortgezet in de stand van schorsing. Omdat partijen ten onrechte naar deze procedure zijn verwezen, worden de betaalde griffierechten gerestitueerd. Een beslissing over proceskosten wordt aangehouden, omdat nog niet inhoudelijk is beslist.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de procedure naar de kantonrechter, met restitutie van griffierechten en aanhouding van proceskostenbeslissing.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/705837 / HA ZA 26-520 (voorheen C/09/692095 / HA ZA 25-839)
Vonnis van 10 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
HILLSAFETY B.V.te Alphen aan den Rijn,
eisende partij,
hierna te noemen: Hillsafety,
advocaat: mr. D.R.D. van Lenningh,
tegen
DE HEER [verwerende partij]te Den Haag,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verwerende partij] ,
advocaat: mr. [verwerende partij] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de verificatievergadering in het faillissement van Mr. [verwerende partij] Beheer B.V. (hierna: gefailleerde) van 18 september 2025, waarin de betwiste vorderingen zijn verwezen naar de rol van 8 oktober 2025 van deze rechtbank voor renvooi;
  • de conclusie van eis van Hillsafety met de producties 1 – 6;
  • de conclusie van antwoord van [verwerende partij] met de producties 1 – 4;
  • het tussenvonnis van 4 februari 2026 (gewezen onder het voormalige zaaknummer), waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
  • de door Hillsafety overgelegde producties 7 – 8;
  • de door [verwerende partij] overgelegde producties A – K.
1.2.
Bij voornoemd tussenvonnis is de mondelinge behandeling bepaald op 28 mei 2026. Op 26 mei 2026 heeft de rechtbank partijen bericht voornemens te zijn zich onbevoegd te verklaren en de procedure te verwijzen. Desgevraagd hebben partijen de rechtbank bericht af te zien van het recht om op die beslissing gehoord te worden. De mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden. Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De bevoegdheid van de rechtbank

2.1.
Deze renvooi-procedure draait om de vraag of de door Hillsafety in het faillissement van gefailleerde (hierna: het faillissement) ingediende vordering (hierna: de vordering) al dan niet terecht door [verwerende partij] is betwist tijdens de in het faillissement gehouden verificatievergadering.
2.2.
De rechtbank maakt uit de door partijen overgelegde stukken op dat voorafgaand aan het faillissement al een procedure over de vordering aanhangig was tussen Hillsafety en gefailleerde bij Team Kanton van deze rechtbank onder zaaknummer 5573034 RL EXPL 16-33637.
2.3.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat zij om die reden niet bevoegd is. Immers bepaalt art. 29 Fw Pro dat een lopende procedure, als de vordering ziet op voldoening van een verbintenis uit de boedel, na de faillietverklaring wordt geschorst,
om voortgezet te worden als de verificatie betwist wordt. Alsdan wordt de betwister in plaats van gefailleerde partij (nog steeds art. 29 Fw Pro.). Daarnaast bepaalt art. 122 Fw Pro dat een op de verificatievergadering betwiste vordering
alleenvoor renvooi naar de rechtbank wordt verwezen als het geschil nog niet aanhangig is, wat zich hier niet voordoet.
2.4.
Het voorgaande wordt niet anders doordat de procedure bij de kantonrechter na het uitspreken van het faillissement is doorgehaald. Doorhaling is immers slechts een administratieve handeling en een doorgehaalde zaak kan altijd weer worden opgebracht. Ook maakt niet uit of de zaak ‘op verzoek van partijen’ is doorgehaald. Een dergelijk verzoek kan hooguit worden gezien als een suggestie aan de rechtbank om de zaak ambtshalve door te halen. Partijen kunnen immers vanwege de schorsing geen proceshandelingen verrichten en zo zij dat toch doen, zijn deze nietig.
2.5.
De slotsom is dat de vordering van Hillsafety ten onrechte naar deze rechtbank is verwezen. De rechtbank zal de vordering alsnog verwijzen naar Team Kanton, alwaar de hiervoor bedoelde procedure kan worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van de schorsing bevond.
2.6.
Nu partijen door een beslissing van de (waarnemend) rechter-commissaris van Team Insolventies van deze rechtbank ten onrechte naar deze procedure zijn verwezen, zal de rechtbank bepalen dat de door partijen in deze procedure betaalde griffierechten aan hen worden gerestitueerd.
2.7.
Nu inhoudelijk nog niet over het geschil tussen partijen is beslist en dus nog niet kan worden gezegd welke partij in het ongelijk is gesteld, zal de rechtbank een beslissing over de proceskosten aanhouden. Denkbaar is dat partijen bij de kantonrechter (grotendeels) dezelfde processtukken indienen als zij in deze procedure hebben gedaan, zodat de rechtbank ook de begroting van de kosten aan de kantonrechter overlaat.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vordering,
3.2.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Den Haag, in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag op
dinsdag 7 juli 2026om 10:00 uur,
3.3.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
3.4.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.5.
houdt iedere beslissing ten aanzien van de proceskosten aan,
3.6.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.