ECLI:NL:RBDHA:2026:18506

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
09/322680-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling mishandeling, bedreiging en diefstal met geweld ex-partner

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor meervoudige mishandeling en bedreiging van zijn ex-partner gedurende de periode van oktober 2023 tot november 2025, alsmede diefstal met geweld van een telefoon in november 2025. De mishandelingen betroffen onder meer slaan, stompen en wurgen, met zichtbaar letsel bevestigd door foto’s en getuigenverklaringen. De bedreigingen waren ernstig en gericht tegen het leven van het slachtoffer.

De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, foto’s van letsel en berichten waarin verdachte spijt betuigde. De verdediging voerde deels vrijspraak aan, maar dit werd verworpen door de rechtbank. De verdachte ontkende mishandeling, maar zijn verklaringen werden niet geloofwaardig geacht.

De rechtbank legde een taakstraf van 180 uur op, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaar, en een vrijheidsbeperkende maatregel met contact- en gebiedsverbod voor 3 jaar. De maatregelen zijn dadelijk uitvoerbaar vanwege het risico op herhaling. De verdachte heeft een strafblad en een reclasseringsadvies dat behandeling en toezicht aanbeveelt.

De straf weerspiegelt de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer en de noodzaak van behandeling en recidivepreventie. De voorlopige hechtenis werd opgeheven. De uitspraak werd gedaan op 3 juli 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf, 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met 3 jaar proeftijd en een vrijheidsbeperkende maatregel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/322680-25
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. Noort, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. E.A. Breetveld, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2023 tot en met 27 november 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] :
- te slaan en/of te stompen in/tegen het gezicht, op/tegen het hoofd en/of het lichaam en/of
- ( met kracht) bij de keel en/of hals vast te grijpen en/of in de keel en/of hals te knijpen;
2
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 april 2023 tot en met 27 november 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen, onder andere:
"Ik maak je dood. Ik ga je echt opzoeken." en/of
"Ik ga je steken" en/of
"Ik gebrand je kkr lichaam" en/of
"Ik ga je echt doden" en/of
"Ik ga je vermoorden, ik ga je foto's verspreiden, ik ga je in stukjes snijden" en/of
"Ik breek je kkr bek. Dan dood ik je en ben ik van je af. Ik laat je niet met rust" en/of
"Want ik ga iets doen dat ik al maanden heb voorbereid. Ik wil je tranen zien bloeden. En me te ontblokken of ik kanker masaceer je. Ik ga zo vaak op je insteken. Ik maak je kanker af. Jij gaat boete. Breek jou kkr huis in. En breek jou kkr hoofd in. Dit is de laatste dag dat je het licht buiten ziet. En ik steek zo vaak op je in dat allen god dat weet.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij op of omstreeks 16 november 2025 te 's-Gravenhage een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [getuige 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [getuige 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de telefoon uit haar hand(en) te rukken/trekken.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en dat hij moet worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
De gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
3.4.1.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
3.4.1.1. Juridisch kader
De rechtbank neemt als uitgangspunt dat op grond van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Daarom moet sprake zijn van bijkomend bewijs dat aan die verklaring voldoende steun biedt. Daarvoor is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring met bijkomend bewijs wordt ondersteund. Wanneer de verklaring van de getuige op bepaalde, andere punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal kan dat afdoende zijn, mits tussen die verklaring en dat andere bewijsmateriaal niet een te ver verwijderd verband bestaat.
De rechtbank ziet zich tegen die achtergrond allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van de aangeefster voldoende betrouwbaar zijn om te gebruiken voor het bewijs. Vervolgens zal de rechtbank de vraag beantwoorden of de verklaring van de aangeefster in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs. Daarbij zal de rechtbank tevens ingaan op de door de verdachte afgelegde verklaringen.
3.4.1.2. Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster
De aangeefster heeft twee verklaringen afgelegd bij de politie waarin zij onder andere heeft verklaard dat de verdachte eind december 2023 haar keel heeft dichtgeknepen en haar hoofd tegen een muur heeft geduwd, waardoor zij een blauw oog had en een bult naast haar oog. Ook zou de verdachte haar in oktober 2025 hebben mishandeld door haar twee uur lang te slaan, zowel met de vlakke hand als met de vuist, op haar hoofd en achterhoofd. Terwijl hij dat deed wurgde hij haar ook, zodat het zwart voor haar ogen werd en zij geen lucht kreeg. Hij stopte dan pas op het laatste moment. De aangeefster heeft verklaard dat zij als gevolg van deze mishandeling bloeduitstortingen en krassen in haar hele gezicht had, een bult op haar voorhoofd, en een blauw oor. Ten slotte heeft de aangeefster verklaard dat de verdachte haar veel vaker bloedneuzen heeft geslagen.
De rechtbank overweegt dat de aangeefster dus meerdere keren over mishandelingen heeft verklaard. In die verklaringen heeft zij over twee concrete gebeurtenissen, de periode en de plaats waar het zich heeft afgespeeld steeds gedetailleerd, consistent en niet tegenstrijdig verklaard. Zo heeft zij over het incident in december 2023 verklaard dat dit heeft plaatsgevonden op of rond 27 december, en dat zij daarna met de verdachte en zijn moeder naar Polen is afgereisd. In de telefoon van de aangeefster is een foto aangetroffen van 4 januari 2024, die is gemaakt in Polen, waarop te zien is dat zij een blauw oog heeft met rode en groene verkleuringen. Dat zij met de verdachte en zijn moeder in Polen was, wordt ook door de verdachte erkend. Op het punt van de mishandeling van oktober 2025 acht de rechtbank de verklaring van de aangeefster eveneens betrouwbaar. Ook daarvan is een foto, die is gemaakt op 15 oktober 2025, waarop te zien is dat de aangeefster een hoop blauwe plekken en schrammen in het gezicht heeft en een donkerrode verkleuring onder en bij haar oor. De aangeefster heeft over die foto verklaard dat zij die de dag na het incident heeft gemaakt. Uit berichten tussen de aangeefster en de verdachte blijkt eveneens dat er vlak voor 15 oktober 2025 een groot incident heeft plaatsgevonden tussen hen beiden. Hoewel er door de aangeefster over twee incidenten is verklaard, heeft zij ook verklaard gedurende de relatie veel vaker te zijn mishandeld door de verdachte. Ook op dit punt acht de rechtbank haar verklaringen betrouwbaar, gelet op de verklaringen van meerdere getuigen die op verschillende momenten letsel bij haar hebben waargenomen en berichten van haar hebben gekregen aangaande mishandelingen door de verdachte. Getuige [getuige 1] heeft ook daadwerkelijk gezien dat de verdachte de aangeefster te lijf ging.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. Dit betekent dat haar verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs.
3.4.1.3. Steunbewijs
Letselfoto’s
Zoals hiervoor is overwogen, zijn in de telefoon van de aangeefster meerdere letselfoto’s gevonden. Eén foto betrof een afbeelding die is gemaakt op 4 januari 2024, waarop de aangeefster te zien is met een blauw oog met rode en groene verkleuringen. De informatie van de afbeelding laat zien dat de foto is genomen in Polen, waar de aangeefster op dat moment verbleef met de verdachte en zijn moeder. De aangeefster heeft over dit letsel verklaard dat dit op 27 december 2023, in ieder geval kort voordat zij naar Polen zouden vertrekken, door de verdachte is toegebracht doordat hij haar bij de keel heeft gepakt en tegen de muur heeft geduwd.
In de telefoon is ook een foto aangetroffen van 15 oktober 2025, waarop de aangeefster te zien is met een hoop schrammen en blauwe plekken in haar gezicht, in haar hals en een donkerrode verkleuring onder en bij haar oor. Ook dit komt overeen met de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar een dag voor het nemen van die foto langdurig heeft mishandeld door haar veelvuldig en hard op haar hoofd en achterhoofd te slaan en door haar te wurgen, waardoor zij bijna het bewustzijn verloor.
In het aanvullende verhoor van de aangeefster van 23 november 2025 is voorts te lezen dat de aangeefster een filmpje naar de politie heeft gestuurd van 9 maart 2024 waarop handafdrukken en krassen in haar nek en op haar keel te zien zijn. Van het filmpje zelf zit geen duidelijke afbeelding in het dossier, maar de verbalisant merkt daarover op dat hij het er heel heftig uit vond zien. Daaruit maakt de rechtbank op dat ook op dit filmpje duidelijk letsel zichtbaar was bij de aangeefster.
De verdachte heeft over de incidenten van december 2023 en oktober 2025 verklaard dat hij de aangeefster niet heeft mishandeld, maar dat zij in december 2023 was uitgegleden in de douche en daardoor tegen de muur was aangevallen en dat zij in oktober 2025 zichzelf het letsel heeft toegebracht doordat zij onder andere in haar eigen gezicht zou krassen. De rode plekken in haar nek zouden afkomstig zijn van een zuigzoen.
De rechtbank acht deze verklaringen van de verdachte niet geloofwaardig, nu zij op geen enkele manier worden ondersteund door het dossier of het verhandelde ter terechtzitting.
Met betrekking tot de rode plekken die afkomstig zouden zijn van een zuigzoen, merkt de rechtbank op dat bij de aangeefster een zeer grote en donkerrode bloeduitstorting direct onder het oor, doorlopend naar beneden, zichtbaar was die geenszins gelijkt op een bij een zuigzoen te verwachten plek. Ook op dit vlak acht de rechtbank de verklaring van de verdachte daarom niet geloofwaardig.
Spijtbetuigingen verdachte
In de telefoon van de aangeefster zijn bovendien berichten aangetroffen van 15 tot en met 17 oktober 2025 tussen haar en de verdachte, waarin uitvoerig wordt gesproken over letsel bij de aangeefster en waarin de verdachte keer op keer zijn spijt betuigt voor het toebrengen van dat letsel. Zo schrijft de aangeefster onder andere: “Wat heb je met mijn gezicht gedaan”, “M’n oor is helemaal blauw en paars en groen”, waarop de verdachte reageert: “Laat me zien hoeveel het me spijt”. Aangeefster schrijft: “Iedereen keek me op straat bezorgd aan”, waarop de verdachte reageert: “Het spijt me zo kanker erg”. Aangeefster: “JIJ SLAAT MIJ IN ELKAAR”. Verdachte: “Het spijt me zo kanker erg”. De verdachte schrijft tevens dat hij zich moet schamen voor wat hij heeft gedaan en dat hij niet weet wat hem bezielde die avond.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze berichten op geen enkele andere manier worden uitgelegd dan dat de verdachte spijt betuigt voor het letsel dat hij de aangeefster heeft toegebracht. Gelet op de datum van de berichten komt dit ook overeen met de verklaring van de aangeefster dat zij op de dag voor 15 oktober 2025, de dag van de letselfoto, door de verdachte is mishandeld.
De verklaring van de verdachte dat hij deze berichten alleen uit wanhoop heeft gestuurd om de vrede te bewaren omdat hij de aangeefster niet kwijt wilde, maar dat hij eigenlijk niks had gedaan, acht de rechtbank in het licht van het gehele dossier ongeloofwaardig.
Getuigen
De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte al kort na het begin van de relatie regelmatig fysiek agressief was tegen de aangeefster en dat zij haar meermaals uit dergelijke situaties heeft moeten wegtrekken. Zij heeft ook meerdere malen blauwe plekken gezien in de nek van de aangeefster, alsof iemand haar daar had vastgepakt. De aangeefster vertelde haar dan ook dat de verdachte dit had gedaan. [getuige 1] is er eveneens getuige van geweest dat de verdachte de aangeefster op haar kaak heeft geslagen, waarna zij er tussen is gesprongen. De aangeefster stuurde haar eveneens foto’s van blauwe plekken.
Ook de getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte de aangeefster in elkaar heeft geslagen en dat zij meerdere keren letsel bij de aangeefster heeft gezien. [getuige 2] zag dat de aangeefster een blauw oog had, en meerdere keren dat zij schrammen in haar gezicht had. [getuige 2] heeft eveneens een foto gezien van de aangeefster met schrammen op haar gezicht en een blauw oor. Volgens de getuige [getuige 2] is de verdachte tot alles in staat.
De begeleidster van de woongroep waar de aangeefster woonde, getuige [getuige 3] , verklaarde in februari 2024 al berichten van de moeder van de aangeefster te hebben ontvangen dat de aangeefster mishandeld zou worden door de verdachte. Zij hoorde ook vaak dat er hevige ruzie werd gemaakt door de aangeefster en de verdachte. In april 2024 heeft de aangeefster aan de getuige verteld dat de verdachte haar had opgesloten in zijn huis en dat hij haar toen heeft geslagen en meerdere malen heeft geprobeerd te wurgen waardoor aangeefster buiten bewustzijn is geraakt. De getuige heeft destijds blauwe plekken op de linker bovenarm en de nek van de aangeefster gezien. Twee maanden later heeft zij gezien dat de aangeefster een blauw oog had.
De rechtbank overweegt dat hoewel niet al deze verklaringen direct zijn te linken aan een concrete datum of concreet voorval, zij wel de verklaringen van de aangeefster ondersteunen en een beeld schetsen van langdurig en bij herhaling voorkomend fysiek geweld tegen de aangeefster binnen de ten laste gelegde periode.
Berichten aan moeder
In het dossier bevinden zich screenshots van berichten tussen de aangeefster en haar moeder, [naam] . Daarin vertelt de aangeefster meermaals over mishandelingen door de verdachte, het letsel wat zij heeft opgelopen en dat zij aangifte wil gaan doen.
De rechtbank overweegt dat hoewel ook niet al deze berichten zijn te linken aan een concrete datum, zij wel de verklaringen van de aangeefster ondersteunen. De rechtbank acht de reacties van de moeder van de aangeefster op haar berichten ook van zodanige aard dat daaruit opgemaakt kan worden dat de aangeefster haar moeder vaker heeft verteld over vergelijkbare incidenten met de verdachte en dat de incidenten waarover de aangeefster het in haar berichten heeft niet “slechts” uitschieters waren binnen hun drie jaar durende relatie.
3.4.1.4. Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangeefster op verschillende momenten in de ten laste gelegde periode heeft geslagen en gestompt tegen het hoofd en lichaam.
De rechtbank acht ook voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het vastpakken bij en dichtknijpen van de keel van de aangeefster binnen diezelfde periode, gelet op de verklaring van de aangeefster, de letselfoto’s in het dossier waarop rode striemen en blauwe plekken in de hals zichtbaar zijn en de verklaringen van de getuigen dat zij blauwe plekken in de hals van de aangeefster hebben gezien die eruit zagen alsof iemand haar daar had vastgepakt.
3.4.2.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3
Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte geen oogmerk had tot wederrechtelijke toe-eigening van de telefoon van aangeefster [getuige 1] , omdat hij dacht dat de telefoon van zijn (ex-)vriendin [aangeefster] was en zij over en weer gebruikmaakten van elkaars telefoon. Zodoende zou de verdachte moeten worden vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde diefstal met geweld.
Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het oogmerk had om zich de telefoon wederrechtelijk toe te eigenen. De verdachte rukte immers de telefoon uit de handen van de aangeefster, rende er hard mee weg en heeft de telefoon pas teruggeven na tussenkomst van de politie. Dat hij mogelijk zelf dacht dat de telefoon niet van [getuige 1] was maar van een ander ( [aangeefster] ) leidt, gelet op die omstandigheden, niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt verworpen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op tijdstippen in de periode van 7 oktober 2023 tot en met 27 november 2025 te 's-Gravenhage meermalen (telkens) [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] :
- te slaan en te stompen in het gezicht, tegen het hoofd en het lichaam en
- met kracht bij de keel en hals vast te grijpen en in de keel en hals te knijpen;
2
hij op tijdstippen in de periode van 29 april 2023 tot en met 27 november 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen, onder andere:
"Ik maak je dood. Ik ga je echt opzoeken." en "Ik ga je steken" en "Ik gebrand je kkr lichaam" en "Ik ga je echt doden" en "Ik ga je vermoorden, ik ga je foto's verspreiden, ik ga je in stukjes snijden" en "Ik breek je kkr bek. Dan dood ik je en ben ik van je af. Ik laat je niet met rust" en "Want ik ga iets doen dat ik al maanden heb voorbereid. Ik wil je tranen zien bloeden. En me te ontblokken of ik kanker masaceer je. Ik ga zo vaak op je insteken. Ik maak je kanker af. Jij gaat boete. Breek jou kkr huis in. En breek jou kkr hoofd in. Dit is de laatste dag dat je het licht buiten ziet. En ik steek zo vaak op je in dat allen god dat weet.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij op 16 november 2025 te 's-Gravenhage een telefoon die aan [getuige 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [getuige 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door de telefoon uit haar hand te rukken.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en verplichte ambulante behandeling, zoals door de reclassering geadviseerd.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen voor de duur van twee jaren, met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van twee weken voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de inhoud van die maatregel gelijk is aan het door de reclassering geadviseerde contact- en locatieverbod.
De officier van justitie heeft voorts gevorderd de maatregel ex artikel 38v Sr en de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke, korte, (gevangenis)straf op te leggen. De raadsman heeft zich ten aanzien van eventuele bijzondere voorwaarden en/of een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het meermalen mishandelen en bij herhaling bedreigen van zijn (ex-)vriendin. Dit zijn ernstige feiten. De verdachte heeft door zo te handelen een inbreuk gemaakt op de fysieke en geestelijke integriteit van de aangeefster. Dat deze feiten veel impact op haar hebben gehad blijkt uit de door haar afgelegde verklaringen bij de politie. Het is daarnaast ook een feit van algemene bekendheid dat dergelijk gedrag langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer en dat het vertrouwen in de medemens als gevolg van het bewezenverklaarde handelen ernstig verstoord raakt, zeker in de context van een intieme relatie. Dat rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Dergelijke feiten veroorzaken in het algemeen ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, en voor de mensen in de kringen van de aangeefster in het bijzonder. Verdachte heeft zich niets aangetrokken van twee stopgesprekken. Hij heeft verboden om bij haar woonplek op het [instelling] te komen genegeerd. Daarbij is het zelfs tot fysieke agressie gekomen tegen medewerkers van die woonplek. Uiteindelijk is aangeefster zelfs naar een hogere verdieping verhuisd om het gedrag van verdachte feitelijk te bemoeilijken. Het gedrag van de verdachte jegens de aangeefster heeft dan ook voor veel overlast gezorgd bij de medebewoners en de begeleiding van de aangeefster. Dat rekent de rechtbank de verdachte eveneens aan.
De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt het stelen van de telefoon van een vriendin van zijn (ex-)vriendin door die telefoon uit haar handen te rukken. Daarmee heeft hij een inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht. Het uit de handen rukken van een telefoon is een agressieve actie. Dat geldt nog sterker als daarmee voorkomen wordt dat de politie wordt gebeld. De rechtbank rekent dit verdachte eveneens zwaar aan. Zijn verklaring dat hij meende dat het de telefoon van zijn (ex-)vriendin was, laat zien dat hij weinig inzicht heeft in de ernst van deze diefstal met geweld.
Bij dat alles valt op dat de verdachte niet echt zijn verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen, maar naar anderen blijft wijzen. Van daadwerkelijk inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen is niet gebleken.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 mei 2026.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 16 juni 2026. De reclassering merkt op dat zij risico’s zien in de constatering dat de verdachte nog altijd emotioneel verbonden lijkt te zijn met de aangeefster. Daarnaast zorgen de aanwezige angstklachten en disbalans in de emotieregulatie ervoor dat hij de verkeerde keuzes maakt. De verdachte heeft zich tijdens zijn schorsing meewerkend opgesteld. De reclassering is daarom van mening dat er ruimte is voor gedragsverandering en het verminderen van het recidiverisico door middel van behandeling.
Punt van zorg is dat de verdachte recentelijk, in mei 2026, zijn contactverbod met de aangeefster heeft overtreden. De verdachte heeft daarover zelf verklaard dat hij haar alleen tegenkwam en toen meteen is weggelopen. Gelet op de politiemutatie die over dit incident is opgemaakt hecht de rechtbank aan die verklaring van de verdachte echter geen waarde, omdat uit de mutatie blijkt dat de politie is afgekomen op een overlastmelding door ruzie tussen twee vrouwen en een man en eenmaal ter plaatse aangekomen de politie ook twee vrouwen en een man heeft gezien.
De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, meewerken aan diagnostiek en verplichte ambulante behandeling aangaande emotieregulatie, traumaverwerking en grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek, een contactverbod met [aangeefster] en een locatieverbod.
De op te leggen straf
Voor de rechtbank is, mede gelet op de jonge leeftijd van verdachte, het grote belang van een goede behandeling duidelijk. Daarvoor is een flinke stok achter de deur nodig, mede om hem ervan te weerhouden om terug te vallen in zijn oude gedrag. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden – een volledig andere dan een vrijheidsstraf volstaat niet –, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
De rechtbank acht het evenwel ook van belang de ernst van de feiten duidelijk te onderstrepen. Om die reden kan zij naar haar oordeel niet volstaan met alleen een voorwaardelijke gevangenisstraf en zal zij aan de verdachte ook een taakstraf van aanzienlijke duur opleggen.
De rechtbank acht, alles afwegende, na te melden straffen passend en geboden.
Gelet op het belang van behandeling ter beperking van het risico op recidive zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van drie jaar verbinden.
Vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank ziet ter beveiliging van [aangeefster] voorts aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte op te leggen, inhoudende een contactverbod met die [aangeefster] en een verbod om zich zonder toestemming van de reclassering te begeven in het gebied gelegen tussen de [straat 1] , de [straat 2] , de [straat 3] , de [straat 4] , de [straat 5] en [straat 6] , alle gelegen te ’s-Gravenhage. De genoemde wegen of delen daarvan zijn bij dat gebied inbegrepen.
De maatregel zal gelden voor de duur van drie jaar. Voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van twee weken, met een maximum van zes maanden.
Louter ter verduidelijking van het aangegeven gebied waarop het gebiedsverbod ziet, heeft de rechtbank in bijlage II een plattegrond daarvan opgenomen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.
Gelet op de lange periode waarin het bewezenverklaarde zich heeft afgespeeld, het feit dat de verdachte onder behandeling is en de omstandigheid dat hij heeft laten blijken dat de aangeefster nog altijd veel door zijn hoofd spookt, moet er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan en/of dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, [aangeefster] . Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden, het op grond van artikel 14c Sr uit te oefenen toezicht evenals de op grond van artikel 38v Sr op te leggen maatregel dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen per heden.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d 38v, 38w, 57, 285, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
mishandeling, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) MAANDEN;
bepaalt dat die straf
niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
drie jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich uiterlijk 3 (drie) dagen na het uitspreken van dit vonnis meldt bij de Reclassering Nederland op de [adres 2] en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan diagnostiek en zich onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering behandeling nodig vindt, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen op het gebied van emotieregulatie, traumaverwerking, grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
beveelt dat bovengenoemde
bijzondere voorwaardenen het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht –
uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstrafvoor de tijd van
180 (honderdtachtig) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de tijd van
90 (negentig) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 (twee) uren per dag;
legt op de
maatregelvoor de duur van
3 (drie) jarendat:
de veroordeelde zich
niet zal ophouden in het gebiedomgeven door de [straat 1] , de [straat 2] , de [straat 3] , de [straat 4] , de [straat 5] en [straat 6] , alle gelegen te ‘s-Gravenhage, die wegen of delen daarvan daarbij inbegrepen,
en
dat de veroordeelde
op geen enkele wijze– direct of indirect –
contactzal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2004;
beveelt dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
2 (twee) wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de
opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaaris;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte per heden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. T.A.B. Mentink, voorzitter,
mr. G.H.M. Smelt, rechter,
mr. J. Barensen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.