ECLI:NL:RBDHA:2026:18552
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
De rechtbank Den Haag heeft op 6 juli 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de rechtmatigheid van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring rechtmatig is. De minister heeft voldoende gronden aangevoerd, waaronder het bestaan van een onderduikrisico en het ontwijken of belemmeren van de uitzettingsprocedure door eiser. Eiser heeft deze gronden niet betwist en de rechtbank ziet geen aanleiding om deze ambtshalve te toetsen. Ook is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat de minister voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
Eiser stelde dat de bewaring voor hem onevenredig bezwarend is vanwege zijn psychische gesteldheid en medicijngebruik. De rechtbank achtte de medische zorgvoorzieningen in het detentiecentrum en de mogelijkheid tot overplaatsing voldoende en vond geen reden om een lichter middel toe te passen.
De rechtbank concludeert dat de maatregel voldoet aan de wettelijke voorwaarden, dat er geen onrechtmatigheid is en dat het verzoek om schadevergoeding daarom wordt afgewezen. Tevens krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.