ECLI:NL:RBDHA:2026:18554

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
NL26.10444
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2011/95/EUArtikel 15 KwalificatierichtlijnArtikel 3 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over toedichting aanhanger Assad

Eiser, een Syriër die in 2023 Syrië verliet vanwege de oorlog, vreesde vervolging omdat hij als aanhanger van het regime van Assad zou worden gezien. Zijn broer was militair onder Assad en werd ontvoerd, en eiser werd zelf ontvoerd toen hij zijn broer zocht. Daarnaast hebben zijn kinderen dezelfde namen als Assad en diens zus. Verweerder wees de asielaanvraag af, stellende dat eiser geen reëel risico liep.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de samenhang van deze omstandigheden en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet als aanhanger van Assad wordt gezien. Ook is verweerder tekortgeschoten in de beoordeling van het risico op willekeurig geweld en de humanitaire situatie.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10444

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 2 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 februari 2026 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond. [1] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1969 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Syrië in 2023 heeft verlaten vanwege de oorlog. Hij vreest bij terugkeer naar Syrië slachtoffer te worden van geweld omdat hem wordt toegedicht aanhanger van Assad te zijn. Eiser heeft verklaard dat hij in 2011 is ontvoerd door het vrije Syrische leger (VSL) toen hij zijn verdwenen broer ging zoeken, die diende als soldaat tijdens het Assad-regime. Nadat eiser is vrijgekomen, is hij naar het gebied vertrokken wat onder controle stond van het regime. Toen VSL daar de macht overnam, heeft eiser Syrië verlaten. Daarnaast hebben de zoon en dochter van eiser dezelfde namen als Assad en de zus van Assad, waardoor eiser bang is te worden gezien als aanhanger van Assad.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. eiser is ontvoerd in 2011.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt het ook geloofwaardig dat eiser door VSL is ontvoerd in 2011 toen hij op zoek ging naar zijn broer. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de ontvoering en het worden gezien als aanhanger van Assad. De ontvoering heeft 15 jaar geleden plaatsgevonden en eiser is nog 12 jaar in Syrië gebleven zonder problemen te hebben ervaren van VSL. Niet is gebleken dat eiser na vertrek uit Syrië is gezocht of nu door andere groepen wordt gezocht. Daarnaast blijkt uit openbare bronnen dat er amnestie wordt verleend aan voormalig soldaten en is dus niet aannemelijk dat eiser zal worden gezocht vanwege de werkzaamheden die zijn broer in het verleden verrichte als militair.
3.2.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië. Er is volgens verweerder geen sprake van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn. [2] Er is namelijk sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, moet eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risicoverhogende omstandigheden aangedragen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert aan dat verweerder eiser opnieuw had moeten horen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat er verklaringen verkeerd zijn vertaald of vastgelegd.
4.1.
Eiser benadrukt dat hij wordt gezien als aanhanger van het regime van Assad en zodoende te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder heeft dit asielmotief gefragmenteerd onderzocht en beoordeeld. Eiser wordt zo gezien omdat hij zijn ontvoerde broer – die militair was in het regime van Assad – ging zoeken, omdat zijn gegevens daarbij zijn opgeschreven en omdat eiser zijn zoon en dochter heeft vernoemd naar Assad en zijn zus. Het ambtsbericht van januari 2026 zet uiteen dat aanhangers en vermeend aanhangers van het regime Assad te maken krijgen met discriminatie, geweld en wraakacties. Verweerder heeft dat niet betrokken in de beoordeling.
4.2.
Eiser voert ook aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en dat eiser geen slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Uit landeninformatie volgt dat de veiligheidssituatie instabiel en onvoorspelbaar is. Het ambtsbericht geeft aanleiding om aan te nemen dat er in [plaats] sprake is van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. Daarnaast had verweerder de zeer slechte humanitaire omstandigheden moeten betrekken bij de 15c-beoordeling. Ten slotte heeft verweerder in dit kader geen beoordeling gemaakt van de individuele omstandigheden van eiser. Eiser wijst daarbij op zijn herkomst uit [plaats] , op het feit dat zijn woonwijk onder de macht van een rivaliserende familie valt, dat veel burgers wapens dragen en dat hij geen familieleden en netwerk heeft in Syrië.
4.3.
Ten slotte voert eiser aan dat verweerder had moeten beoordelen of sprake is van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Syrië vanwege de slechte humanitaire omstandigheden. Eiser wijst daarbij op het ontbreken van basisvoorzieningen zoals elektriciteit, gas en schoon drinkwater.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Had verweerder eiser opnieuw moeten horen alvorens het besluit te nemen?
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser niet opnieuw te horen alvorens te beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank is het met eiser eens dat het verslag van het nader gehoor onduidelijkheden bevat, waaronder taalfouten en onvolledige zinnen. Verweerder wijst er echter terecht op dat eiser desgevraagd meermaals heeft aangegeven dat de communicatie met de tolk soepel verliep. De rechtbank vindt ook van belang dat eiser niet heeft aangegeven welke informatie verweerder gemist heeft door hem niet opnieuw te horen. Ook in beroep heeft eiser niet kunnen toelichten wat hij door deze gang van zaken niet heeft kunnen vertellen aan verweerder dan wel welke feiten en omstandigheden verweerder nu niet op de volgens eiser juiste manier heeft kunnen betrekken in de beoordeling.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft als vermeend aanhanger van Assad?
7. In het bestreden besluit heeft verweerder niet duidelijk gemaakt of eiser wordt gevolgd in zijn stelling dat hij als aanhanger van het regime van Assad zal worden gezien. Pas ter zitting is het de rechtbank duidelijk geworden dat verweerder eiser niet in dit betoog volgt. Waarom eiser niet als zodanig wordt gezien, heeft verweerder vervolgens niet gemotiveerd toegelicht. Verweerder vindt het geloofwaardig dat eisers broer militair was onder het regime van Assad en dat hij is ontvoerd, dat eiser is ontvoerd toen hij zijn broer ging zoeken en dat de kinderen van eiser dezelfde namen hebben als Assad en de zus van Assad. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten om alle voornoemde en geloofwaardig bevonden omstandigheden in samenhang te betrekken bij de beantwoording van de vraag of eiser zal worden toegedicht aanhanger van Assad te zijn. De enkele stellingen dat er veel tijd is verstreken en dat niet is onderbouwd waarom de namen van eisers kinderen zouden leiden tot toedichting, zijn daartoe onvoldoende. Deze stellingen geven er namelijk geen blijk van dat verweerder heeft beoordeeld of het geheel van de omstandigheden zal leiden tot toedichting. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij, nadat hij was vrijgekomen, naar een gebied is verhuisd dat onder controle stond van het regime van Assad en Syrië heeft verlaten toen VSL daar de macht overnam. Tegen deze achtergrond vindt de rechtbank de tegenwerping van verweerder dat eiser na het incident nog jaren in Syrië is verbleven zonder problemen te hebben ervaren van VSL niet van doorslaggevend gewicht. Er is dus sprake van een motiveringsgebrek.
7.1.
Dat verweerder goed motiveert waarom eiser niet als aanhanger van het regime van Assad zal worden gezien, vindt de rechtbank te meer van belang omdat eiser heeft gewezen op passages uit het algemeen ambtsbericht [3] waaruit blijkt dat (vermeend) aanhangers van Assad en hun familieleden slachtoffer zijn geworden van wraakacties, geweld en discriminatie. Zo staat in het ambtsbericht onder meer:
“Er waren wekelijks berichten over persoonlijke wraakacties en gerichte moorden op (voormalige) aanhangers van het vorige regime. Daar zaten slachtoffers tussen die enkel passief lid waren geweest van de Ba’ath-partij, maar ook voormalige leden van het veiligheidsapparaat van het vorige regime en mensen die ervan beschuldigd werden informanten te zijn geweest.” (…) “Volgens het mediakanaal Syria Direct konden familieleden van (voormalige) aanhangers van het vorige regime te maken krijgen met sociale uitsluiting. Volgens een andere bron konden zij op lokaal niveau te maken krijgen met wraakacties.”Verweerder zal zo nodig ook deze informatie moeten betrekken bij de beoordeling van de vraag of eiser problemen zal ervaren bij terugkeer naar Syrië.
8. Gelet op de voorgaande overweging is het beroep al gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van de beroepsgronden gericht tegen de standpunten van verweerder over de algemene veiligheidssituatie in Syrië.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-. [4]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 19 februari 2026;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
3.Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, pagina’s 111-113.
4.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.