ECLI:NL:RBDHA:2026:1856

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
NL25.49598
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 sub a, b, c en e Vw 2000Art. 3.113 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit, nationaliteit en herkomst

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend met de stelling dat hij van Algerijnse nationaliteit is en vanwege economische omstandigheden Europa is binnengekomen. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet met documenten heeft onderbouwd en wisselende verklaringen heeft gegeven.

De rechtbank constateert dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn documenten te overleggen en dat zijn verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn. Eiser kon de opvanglocatie verlaten, maar heeft bewust documenten achtergelaten bij een vriend, kennelijk om uitzetting te voorkomen.

Eisers beroepsgronden, waaronder het ontbreken van confrontatie met tegenstrijdigheden en de motivering van het terugkeerbesluit, worden door de rechtbank verworpen. De minister heeft terecht de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit, nationaliteit en herkomst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49598

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [v-nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedatum]. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn met bericht vooraf, niet verschenen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt, kort samengevat, aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij uit Algerije is vertrokken omdat hij daar niemand meer heeft. Verder heeft hij aangegeven dat hij vanwege economische omstandigheden naar Europa is vertrokken. Hij wil een betere toekomst voor zichzelf.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
De door eiser gestelde omstandigheid dat hij niemand meer in Algerije heeft en dat hij wegens economische omstandigheden uit Algerije is vertrokken, is door de minister niet inhoudelijk getoetst.
De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn. De minister voert aan dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet met documenten heeft onderbouwd, terwijl hij volgens de minister wel beschikt over identificerende documenten. Eiser zou geen oprechte inspanning hebben geleverd om zijn asielaanvraag te staven door deze documenten over te leggen en heeft hiervoor volgens de minister geen afdoende verklaring gegeven. Daarnaast zouden eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, nu hij wisselend heeft verklaard over zijn documenten en over zijn nationaliteit. Omdat het asielrelaas slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van eisers herkomst, kan een verdere beoordeling van dat relaas niet worden verricht.
5. Eiser handhaaft zijn stelling in de zienswijze dat hij de opvang in Ter Apel
niet mag verlaten en dat hij om die reden de documenten niet heeft ingediend bij de minister. Eiser meent dan ook dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om documenten ter onderbouwing van zijn aanvraag in te dienen.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat deze stelling van eiser op geen enkele wijze is onderbouwd. Niet is gebleken dat eiser de opvanglocatie daadwerkelijk niet mocht verlaten. Tijdens het gehoor van 29 september 2025 heeft eiser immers verklaard dat hij op een gesloten deel was geplaatst, maar dat hij wel naar de ambassade kan gaan [2] . Tevens heeft eiser verklaard dat hij kort daarvoor zijn tante in Frankrijk heeft bezocht [3] . Hieruit volgt dat eiser de opvang kennelijk kon verlaten.
5.2.
De rechtbank betrekt hierbij dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij zijn documenten heeft verborgen en deze met opzet niet heeft meegenomen [4] , en dat hij deze alleen onder zijn eigen voorwaarden wil overleggen. Daarmee is niet aannemelijk dat eiser feitelijk niet in staat was om de documenten te verkrijgen of te overleggen. Daarnaast is niet gebleken dat eiser enige actie heeft ondernomen om toestemming te verkrijgen om de opvang te verlaten, noch dat hij een verzoek daartoe heeft ingediend. Zijn gemachtigde had hem daarbij desgewenst kunnen ondersteunen. Evenmin is gebleken dat eiser pogingen heeft ondernomen om contact op te nemen met zijn vriend, bij wie de documenten zich zouden bevinden. Ten slotte dateert de eerste asielaanvraag van eiser reeds uit 2022. Zoals de minister terecht heeft opgemerkt, heeft eiser derhalve ruimschoots de tijd gehad om in het bezit te komen van zijn documenten, maar heeft hij ervoor gekozen deze bij zijn vriend achter te laten, kennelijk met de bedoeling om uitzetting te voorkomen. Deze beroepsgrond faalt dan ook.
6. Eiser voert ten aanzien van zijn nationaliteit en de wisselende verklaringen daarover aan dat zijn verklaringen tijdens eerdere gehoren ten onrechte aan hem worden tegengeworpen, zonder in het bezit te worden gesteld van deze rapporten. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om de verklaringen te corrigeren en niet afdoende met de verklaringen is geconfronteerd.
6.1.
De rechtbank overweegt dat eiser ook tijdens zijn vorige asielprocedure is bijgestaan door een gemachtigde. Er zijn geen correcties en aanvullingen ingediend ten aanzien van dit punt. Eiser verklaarde destijds tot tweemaal toe dat hij in het bezit is geweest van een identiteitskaart, maar dat die is gestolen [5] . Eiser stelt ook dat hij aangifte heeft gedaan van deze diefstal. De enkele stelling in de onderhavige asielprocedure dat hij dit niet aldus zou hebben verklaard, is door de minister terecht onvoldoende geacht. Ook deze beroepsgrond faalt.
7. Ten aanzien van zijn herkomst voert eiser aan dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd omdat de minister ten aanzien van dit punt niet inhoudelijk op de zienswijze is ingegaan en ten onrechte doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het niet kunnen noemen van exacte afstanden tot bepaalde plaatsen, ondanks eisers consistente verklaringen en taalopname.
7.1. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet concreet heeft kunnen maken op welke consistente verklaringen hij doelt. Uit het gehoor blijkt immers dat eiser niet alleen onjuist verklaart over de plaatsen in de directe omgeving, maar ook de genoemde afstanden komen niet overeen met openbare bronnen. De genoemde moskeeën en school worden eveneens niet gevonden. Eiser heeft geen afdoende verklaring gegeven voor deze discrepanties. Ook verklaart eiser over bergen, maar volgens de minister zijn die er niet in de directe omgeving. Eiser heeft dit niet met stukken bestreden. Tot slot komen de verklaringen met betrekking tot de begraafplaats en de locatie daarvan niet overeen met openbare bronnen, hetgeen evenmin door eiser is bestreden. Het resultaat van de taalanalyse, wat daar ook van zij, kan niet afdoen aan eisers tegenstrijdige verklaringen ten aanzien van zijn nationaliteit en herkomst. Deze beroepsgrond slaagt dan ook evenmin.
8.
Verder voert eiser aan dat hoormedewerker hem had moeten confronteren met tegenstrijdigheden tijdens het nader gehoor over het niet zo spoedig mogelijk asiel aanvragen. Nu dit niet is gebeurd, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3.113 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
8.1.
De rechtbank oordeelt dat deze enkele feitelijke vaststelling geen aanknopingspunten biedt om te veronderstellen dat er meer vragen gesteld hadden moeten worden over waarom eiser pas in 2022 voor de eerste keer asiel heeft aangevraagd, nadat hij al in 2019 Europa was ingereisd. Eiser heeft in zijn zienswijze (alsnog) de gelegenheid gehad om op de verklaringen over deze periode van meerdere jaren die aan de asielaanvraag vooraf zijn gegaan te reageren. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Tot slot voert eiser aan dat de minister ten onrechte een terugkeerverplichting naar Algerije en Marokko heeft opgelegd, terwijl eisers herkomst uit deze landen niet geloofwaardig wordt geacht.
9.1. De rechtbank overweegt het volgende. Dat er discussie bestaat over de vraag of eiser afkomstig is uit Algerije dan wel Marokko, is voor het terugkeerbesluit niet doorslaggevend. De minister heeft de terugkeerverplichting naar deze landen opgelegd op basis van de eigen verklaringen van eiser. Dat de minister de Algerijnse dan wel Marokkaanse nationaliteit uiteindelijk niet geloofwaardig acht, doet hier niet aan af. Het terugkeerbesluit is immers niet gebaseerd op de vastgestelde nationaliteit, maar op het land waarvan eiser zelf heeft verklaard vandaan te komen. Om die reden is dit geschilpunt niet relevant voor de beoordeling van het terugkeerbesluit.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. Daartoe heeft de minister kunnen overwegen dat eiser bewust zijn identiteitskaart, paspoort of ander identificerend document niet heeft overgelegd en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn land van herkomst en nationaliteit. Eiser voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder a, b, c, en e van de Vw 2000.
10.1.
De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op::
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Nader gehoor 29 september 2025, p. 6.
3.Aanmeldgehoor 29 september 2025, p. 4.
4.Aanmeldgehoor 29 september 2025, p. 5.
5.Aanmeldgehoor Dublin 5 januari 2023, p. 4.