Verzoeker heeft een opvolgende aanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 9 oktober 2025 niet-ontvankelijk is verklaard. Hiertegen is beroep ingesteld en tegelijkertijd is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 27 januari 2026 behandeld. Tijdens de zitting waren de gemachtigden van verzoeker en minister aanwezig. Na sluiting van het onderzoek heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het hoofdberoep.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.