ECLI:NL:RBDHA:2026:18580

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
09/086232-26, 09/046138-26 (ttz. gev.) en 09/304103-23 (tul)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling zware mishandeling, belediging politieagent en erfvredebreuk met gevangenisstraf en schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 6 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van zware mishandeling van een persoon, belediging van een politieagent en het wederrechtelijk binnendringen van een besloten erf. De feiten vonden plaats in februari en maart 2026 in Den Haag. De verdachte heeft de feiten bekend en de rechtbank heeft deze wettig en overtuigend bewezen verklaard.

De mishandeling betrof het bij de keel grijpen, slaan, stompen en trappen van het slachtoffer, wat leidde tot ernstig lichamelijk letsel zoals een bloeding in het hoofd met epilepsie, breuken in het aangezicht, een klaplong en ribbreuken. Daarnaast heeft de verdachte een politieagent beledigd met grove scheldwoorden tijdens diens rechtmatige taakuitoefening. Ook heeft de verdachte een gebiedsverbod overtreden door het betreden van een woonzorgpark waar hem de toegang was ontzegd.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, het strafblad van de verdachte en een reclasseringsadvies dat een hoog recidiverisico en psychosociale problematiek signaleert. De opgelegde straf is twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en diverse bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en gedragsbeheersing. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding is deels toegewezen tot een bedrag van €28.085,10, bestaande uit materiële en immateriële schade. Tevens is de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf gelast wegens het niet naleven van voorwaarden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding van €28.085,10.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/086232-26, 09/046138-26 (ttz. gev.) en 09/304103-23 (tul)
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1998 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Stolk, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C.A. Schulpen, naar voren is gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van [aangever 1] en van de nadere toelichting daarop van mr. T.J.J. Gallee, advocaat.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/086232-26 (hierna: dagvaarding I) en 09/046138-26 (hierna: dagvaarding II):
Ten aanzien van dagvaarding I:
1
hij op of omstreeks 21 maart 2026 te 's-Gravenhage aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [aangever 1] (meermalen) (met kracht)
- bij de keel vast te pakken en/of
- in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan en/of stompen en/of trappen en/of
- tegen het lichaam te stompen en/of trappen en/of
- ( nadat die [aangever 1] op de grond was gevallen) die [aangever 1] tegen het
hoofd en/of het lichaam te trappen
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 maart 2026 te 's-Gravenhageter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever 1] (meermalen) (met kracht)
- bij de keel heeft vastgepakt en/of
- in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of
- tegen het lichaam heeft gestompt en/of getrapt en/of
- ( nadat die [aangever 1] op de grond was gevallen) die [aangever 1] tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2
hij op of omstreeks 21 maart 2026 te 's-Gravenhageopzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever 2] (agent bij de Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kankerhomo" en/of "kankerflikker", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking
Ten aanzien van dagvaarding II:
hij op of omstreeks 13 februari 2026 te ’s-Gravenhage in het besloten lokaal en/of het besloten erf, te weten het woonzorgpark [naam park] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 6 oktober 2025 schriftelijk de toegang tot dat erf ontzegd voor de duur van zes maanden.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Ten aanzien van dagvaarding I:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026098433, van de politie eenheid Den Haag, district West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 87) en een geschrift (1 pagina).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feit 1:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] met bijlagen, opgemaakt op 22 maart 2026 (p. 9-10, 13-27);
3. Het geschrift, te weten medische informatie betreffende [aangever 1] van Haaglanden Medisch Centrum, opgemaakt op 23 maart 2026;
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 maart 2026 (p. 58, 60-62).
Ten aanzien van feit 2:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 22 maart 2026 (p. 63);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 maart 2026 (p. 31-32).
Ten aanzien van dagvaarding II:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026050988, van de politie eenheid Den Haag, district West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 24).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 13 februari 2026 (p. 5);
3. Het geschrift, te weten een brief geadresseerd aan de verdachte inzake een gebiedsverbod woonzorgpark [naam park] , opgemaakt op 6 oktober 2025 (p. 23-24).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding II ten laste gelegde van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I:
1
hij op 21 maart 2026 te 's-Gravenhage aan een ander, te weten [aangever 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [aangever 1] (meermalen) (met kracht)
- bij de keel vast te pakken en
- in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan en
testompen en
tetrappen en
- tegen het lichaam te stompen en
tetrappen en
- ( nadat die [aangever 1] op de grond was gevallen) die [aangever 1] tegen het
hoofd en het lichaam te trappen
;
2
hij op of omstreeks 21 maart 2026 te ’s-Gravenhage opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever 2] (agent bij de Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kankerhomo" en "kankerflikker
;
Ten aanzien van dagvaarding II:
hij op 13 februari 2026 te ’s-Gravenhage in het besloten erf, te weten
bijhet woonzorgpark [naam park] , in gebruik
,wederrechtelijk is binnengedrongen
,immers was hem, verdachte, met ingang van 6 oktober 2025 schriftelijk de toegang tot dat erf ontzegd voor de duur van zes maanden.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, waaraan de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het locatieverbod. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, en dat aan een fors voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling, door het slachtoffer, [aangever 1] , bij zijn keel te grijpen en hem meermaals met kracht in zijn gezicht en op zijn lichaam te slaan en te trappen. Hij ging hiermee door, ook toen het slachtoffer op de grond was gevallen, omdat hij niet meer op zijn benen kon blijven staan. Het slachtoffer heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een bloeding in het hoofd met epilepsie tot gevolg, breuken van de oogkas, de neus en in het aangezicht, een scheur van de linker nier, een klaplong en meerdere ribbreuken. Er was sprake van overmatig alcoholgebruik door verdachte en de aanleiding van het geweld lijkt te zijn gelegen in een woordenwisseling; een aanleiding die een geweldsexplosie als deze op geen enkele manier rechtvaardigt. De rechtbank vindt het zorgelijk dat een geringe gebeurtenis een zodanige mate van woede en geweld bij de verdachte kan ontketenen. De fysieke en mentale gevolgen voor het slachtoffer zijn groot. Zoals ook in de slachtofferverklaring, die ter terechtzitting is voorgelezen, naar voren is gekomen, heeft het slachtoffer last van nachtmerries en is zijn gevoel van veiligheid verdwenen. Ook heeft het slachtoffer nog steeds last van epileptische aanvallen.
De verdachte heeft zich vervolgens na zijn aanhouding schuldig gemaakt aan het beledigen van een politieagent en hij heeft zich eerder al schuldig gemaakt aan het overtreden van een gebiedsverbod. Dit zijn vervelende en hinderlijke feiten. Met de door de verdachte geuite beledigingen heeft hij het gezag van de politieagent aangetast en er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de politie, die tot taak heeft de openbare orde te handhaven en de veiligheid op straat te bewaren.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 mei 2026, waaruit volgt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren onder meer is veroordeeld voor een mishandeling, lokaalvredebreuk en belediging van een ambtenaar in functie.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 16 juni 2026, waaruit volgt dat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden als hoog worden ingeschat. De delicten passen volgens de reclassering in een patroon van openlijke delicten en antisociale gedragingen, welk patroon grotendeels in stand wordt gehouden door psychosociale problemen in combinatie met middelengebruik. De agressieregulatie van de verdachte schiet sinds zijn jeugd tekort. De reclassering adviseert bij een veroordeling aan de verdachte diverse bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten een meldplicht, ambulante behandeling met mogelijk een kortdurende klinische opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, aflossen van schulden, beheersing middelengebruik, een contactverbod met het slachtoffer en eventueel een locatieverbod voor de wijk waarin het slachtoffer woont. Alhoewel hierbij de kanttekening wordt geplaatst dat de haalbaarheid van het naleven van de bijzondere voorwaarden als gering wordt geschat, wordt opgemerkt dat de hiervoor genoemde risico’s om deze bijzondere voorwaarden vragen. De reclassering adviseert tevens deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard mee te willen werken aan de bijzondere voorwaarden.
Straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, met name met betrekking tot de zware mishandeling, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Hoewel de verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft bekend, toont hij maar beperkt inzicht in zijn handelen. De rechtbank weegt dit mee bij het bepalen van de straf. Tegelijkertijd ziet de rechtbank onmacht bij de verdachte om zijn agressie te reguleren en behulpzame coping mechanismen eigen te maken.
De rechtbank acht, alles afwegend, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten vier maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, welke voorwaarden hierna worden weergegeven in het dictum van dit vonnis, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte.
De rechtbank komt tot een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Die eis ligt veel meer voor de hand in het geval van een poging tot doodslag, maar zo’n verdenking is niet ten laste gelegd. De rechtbank heeft gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd bij onderhavige bewezen verklaarde feiten.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Gelet op het hoge recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 36.835,10, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 835,10 aan materiële schade en € 36.000,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de materiële schade de posten ‘identiteitskaart’ en ‘bankpas’ dienen te worden afgewezen of niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard en de post ‘bril’ dient te worden afgewezen of aanzienlijk dient te worden gematigd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard met verwijzing naar de burgerlijke rechter.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘identiteitskaart’ en ‘bankpas’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 primair bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘bril’, is namens de verdachte gemotiveerd betwist en is namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij is in zoverre niet-ontvankelijk en kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 primair bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen en op grond van artikel 6:106, sub b, BW komt de benadeelde partij om die reden het recht op schadevergoeding toe. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 28.000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren en kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 28.085,10, bestaande uit € 85,10 aan materiële schade en € 28.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 maart 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 28.085,10, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 maart 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 12 mei 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/304103-23 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 4 oktober 2024 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van 14 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 266, 267 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1 primair en 2 en het bij dagvaarding II ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 primair:
zware mishandeling;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:
eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
ten aanzien van dagvaarding II:
in het besloten erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
2 (TWEE) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [aangever 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1963, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 500 meter van [adres 1] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan meldt bij het Leger des Heils op het adres [adres 2] en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde een behandeling te ondergaan gericht op emotieregulatie en verslavingsproblematiek;
- zich – indien dat tijdens de proeftijd noodzakelijk is – laat behandelen voor zijn problematiek door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de veroordeelde zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt zeven weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
- gedurende de proeftijd, of zover korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden en/of toestemming om met zijn bewindvoerder te overleggen;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA van de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit een urineonderzoek, een ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
geeft opdracht aan het Leger des Heils tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 28.085,10 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 maart 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 28.085,10, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 maart 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 151 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 4 oktober 2024, gewezen onder parketnummer 09/304103-23, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Hofman, voorzitter,
mr. N.F.R. de Rooij, rechter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juli 2026.