ECLI:NL:RBDHA:2026:18593

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704850 / JE RK 26-794
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • M. de Kleine
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265a BWArt. 1:265b lid 1 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in jeugdhulpaanbieder

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met een licht verstandelijke beperking en ontwikkelingsachterstand. De minderjarige verbleef sinds oktober 2021 in een perspectiefbiedend gezinshuis, maar vertoonde toenemende gedragsproblemen en agressie, waardoor de situatie onhoudbaar werd voor het andere gezinshuiskind.

De moeder stemde in met het verzoek en wenste herstel van contact met haar kind, hoewel de minderjarige sinds augustus 2023 geen contact meer wil. De gezinshuisouders bevestigden de problematiek en ondersteunen het verzoek, waarbij zij betrokken willen blijven bij de minderjarige.

De kinderrechter oordeelde dat de machtiging noodzakelijk is voor het belang van de minderjarige, die sinds 4 mei 2026 verblijft bij een jeugdhulpaanbieder waar hij stabiliteit en passende begeleiding krijgt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt tot 22 januari 2027.

Uitkomst: De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij een jeugdhulpaanbieder tot 22 januari 2027.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/704850 / JE RK 26-794
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.G. de Jong te Den Haag
[gezinshuisouder 1]en
[gezinshuisouder 2],
hierna te noemen: de gezinshuisouders,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 mei 2026;
  • het bericht van [gezinshuisouder 2] van 3 juni 2026.
De gezinshuisouder, [gezinshuisouder 1] heeft ter zitting een brief voorgelezen, die aan het dossier is toegevoegd.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
  • [naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
  • [gezinshuisouder 1] ;
[gezinshuisouder 2] heeft zich bij bericht van 3 juni 2026 afgemeld voor de zitting.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover - in het bijzijn van [naam 2] , een begeleider van [zorginstelling 1] - een gesprek gevoerd met de kinderrechter. De kinderrechter heeft de begeleider aangemerkt als informant. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] en de begeleider hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is gedurende het huwelijk van de van de moeder en de vader, [de vader] , geboren.
2.2.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.3.
De vader is op [datum] 2023 overleden.
2.4.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.5.
[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling 1] .
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 januari 2027 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 22 januari 2027.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. [minderjarige] wil sinds augustus 2023 geen contact meer met zijn moeder. Hij verbleef van 30 oktober 2021 tot 4 mei 2026 in een perspectiefbiedend gezinshuis. [minderjarige] heeft een licht verstandelijke beperking en een ontwikkelingsachterstand. Hij heeft moeite met zichzelf verwoorden en hij wordt snel overvraagd. In het gezinshuis was de laatste tijd zichtbaar dat [minderjarige] minder lekker in zijn vel zat en deze periodes langer duurden. Onduidelijk is wat hiervan de oorzaak is, omdat het [minderjarige] niet lukt om dit uit te leggen. Op 4 mei 2026 ging de nieuwe jeugdbeschermer op bezoek in het gezinshuis. Hij heeft toen onder andere met spullen gegooid, de deur van een ander kind kapotgetrapt en op muren geschreven. Deze situatie was niet meer houdbaar, onder meer vanwege de impact op het andere gezinshuiskind. Er is besloten dat [minderjarige] een time-out nodig had. Op 6 mei 2026 is besloten dat [minderjarige] niet terug kan naar het gezinshuis, omdat de kans dan groot is dat de eerdere escalatie zich herhaalt. [minderjarige] doet het goed op de groep bij [zorginstelling 1] . Hij is positief aanwezig en heeft een goede klik met zijn mentor. Er wordt een Wlz-indicatie voor [minderjarige] aangevraagd in de [regio] , omdat hier zijn netwerk is. Voor de aanvraag van een Wlz-indicatie zal een IQ-test worden gedaan. Verder heeft de jeugdbeschermer ter zitting aangegeven dat de wensen van [minderjarige] worden gevolgd met betrekking tot het contactherstel met de moeder en dat hij wordt gestimuleerd in dit contact. Een eerder traject voor contactherstel is begin dit jaar gestopt, omdat hij hier niet meer voor openstond. [minderjarige] wil niet dat er foto’s van hem gedeeld worden met de moeder.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzochte. Gelet op wat er gebeurd is, is het het beste voor [minderjarige] om bij [zorginstelling 1] te verblijven. Volgens de moeder had er eerder hulpverlening moeten worden ingezet. De moeder gunt [minderjarige] alle rust en hulpverlening die hij nodig heeft. De moeder wil graag dat [minderjarige] in [plaats] verblijft, waarbij het van belang is dat dit geen verblijfplek is van Jeugdformaat, omdat de moeder hier slechte ervaringen mee heeft. De moeder zou heel graag het contact met [minderjarige] willen herstellen en zij mist hem enorm. Zij zou graag foto’s en meer informatie over hem willen ontvangen.
4.2.
De gezinshuisouder staat achter het verzoek. De gezinshuisouders hebben [minderjarige] de afgelopen jaren zien groeien en zien worstelen. Uiteindelijk worstelde [minderjarige] met zo veel gevoelens dat hij dit uitte met agressie en geweld. Zijn emmer liep steeds vaker over en hij uitte dit vaak met zwijgzaamheid of afzondering. [minderjarige] kon niet uitleggen waar hij mee zat of hulp vragen en accepteren. Uiteindelijk waren er dagelijks momenten van agressie en geweld. Hij viel hierbij steeds vaker een ander gezinshuiskind aan dat meermaals in veiligheid moest worden gebracht. Dit gezinshuiskind heeft hier nog steeds last van. Intensieve samenwerking met [zorginstelling 2] en de inzet van de methodiek Geweldloos Verzet hebben [minderjarige] onvoldoende kunnen helpen. Met [zorginstelling 2] is een levensverhaal geschreven en daarin zaten nog veel pijnpunten voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft vervolgens op de wachtlijst gestaan voor psychomotorische therapie en heeft drie sessies gehad voordat zijn emmer overliep. De gezinshuisouders zijn blij dat het nu goed gaat met [minderjarige] , maar zij maken zich nog wel grote zorgen over hem en hopen dat hij de hulpverlening zal krijgen die hij nodig heeft. De gezinshuisouders blijven graag betrokken bij [minderjarige] en gaan zo lang hij dat wil bij hem op bezoek. De gezinshuisouders hebben [minderjarige] gestimuleerd in het contact met zijn moeder en hier leek hij wat ruimte voor te hebben in de zomer van 2025. Er is een traject begonnen met [instantie] waarbij een medewerker bij het gezinshuis langs is gekomen, maar [minderjarige] trapte steeds meer op de rem en had toch geen ruimte voor contactherstel.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter stelt voorop dat op grond van artikel 1:265a BW gedurende een ondertoezichtstelling een plaatsing van een minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin uitsluitend is toegestaan met een machtiging tot uithuisplaatsing in de juiste categorie. [minderjarige] verblijft sinds 4 mei 2026 bij [zorginstelling 1] wat een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is. De gecertificeerde instelling had voorafgaand aan deze plaatsing een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder behoren te verzoeken.
5.3.
De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat hij de komende periode bij [zorginstelling 1] kan verblijven. De gezinshuisouders hebben hun best gedaan om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft, maar hebben in het belang van [minderjarige] en van het andere gezinshuiskind ervoor moeten kiezen om deze plaatsing te beëindigen. Het is fijn dat zij, als belangrijke hechtingsfiguren, betrokken willen blijven bij [minderjarige] zolang hij dit wenst. Bij [zorginstelling 1] doet [minderjarige] het goed op de groep en krijgt hij de tijd om te stabiliseren en tot rust te komen. [minderjarige] krijgt hier meer verantwoordelijkheden onder begeleiding. Er wordt hem momenteel een dagbesteding op maat geboden en [minderjarige] heeft met zijn mentor een goede klik. Ook heeft hij al twee vrienden gemaakt en heeft [minderjarige] aangegeven dat hij op de groep niet meer boos wordt. De kinderrechter begrijpt dat de moeder heel graag het contact met [minderjarige] wil herstellen en hoopt dat [minderjarige] hier in de toekomst open voor staat.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 4 juni 2026 tot 22 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.