ECLI:NL:RBDHA:2026:18603

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/09/701738 / KG RK 26-524
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 545 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot voortzetting executie bij niet-tijdige verkoop door hypotheekhouder

ECP Factoring B.V. heeft op grond van een vonnis een vordering op een derde en heeft executoriaal beslag gelegd op een appartementsrecht. ABN Amro, als hypotheekhouder met een recht van eerste hypotheek op de woning, heeft de executie overgenomen maar heeft later aangegeven de executie niet voort te zetten en niet tot verkoop over te gaan.

ECP verzoekt de voorzieningenrechter op grond van artikel 545 Rv Pro om ABN Amro te verplichten binnen twee maanden tot openbare verkoop of tot indiening van een verzoek tot onderhandse verkoop over te gaan. Indien ABN Amro dit nalaat, verzoekt ECP dat zij als oudste executoriaal beslaglegger bevoegd wordt tot voortzetting van de executie.

ABN Amro heeft uiteindelijk geen verweer gevoerd en partijen zijn overeengekomen dat ieder de eigen proceskosten draagt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, stelt een termijn van twee maanden voor verkoop vast en bepaalt dat bij overschrijding ECP de executie mag voortzetten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: ABN Amro moet binnen twee maanden overgaan tot verkoop van de woning, bij overschrijding mag ECP de executie voortzetten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/701738 / KG RK 26-524
Beschikking van de voorzieningenrechter van 10 juni 2026
in de zaak van
ECP FACTORING B.V., te Amsterdam,
verzoekster, hierna te noemen: ECP,
advocaat: mr. M.P.J. Kik,
tegen
ABN AMRO N.V., te Amsterdam,
verweerster, hierna te noemen: ABN Amro,
advocaat: mr. M.W.G. Koopmans.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met zes producties, ingekomen op 18 maart 2026;
- de brief van mr. Koopmans van 8 april 2026 met twee producties;
- de e-mail van mr. Koopmans van 20 mei 2026.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een beschikking wordt gegeven.

2.De feiten

2.1.
ECP heeft uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 april 2023 een vordering op de heer [naam]. Vanwege deze vordering heeft ECP op 19 september 2024 ten laste van [naam] executoriaal beslag laten leggen op het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de woning plaatselijk bekend [adres] te [plaats], kadastraal bekend [kadastraal kenmerk] (hierna: de woning).
2.2.
Op de woning rust een recht van eerste hypotheek ten behoeve van ABN Amro.
2.3.
Bij brief van 30 september 2024 heeft ABN Amro aan ECP bericht dat zij de executie overneemt. De aanzegging van de overname van de executie door ABN Amro is op 7 oktober 2024 aan ECP betekend.
2.4.
Op 31 december 2025 heeft Flanderijn, namens ABN Amro, per e-mail aan ECP bericht dat ABN Amro de executie niet voortzet en dan ook niet tot verkoop zal overgaan.

3.Het verzoek en de beoordeling

3.1.
Het verzoek strekt ertoe dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat ABN Amro binnen twee maanden na de betekening van deze beschikking, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, over dient te gaan tot openbare verkoop of tot indiening van een verzoek tot onderhandse verkoop van de woning. Als ABN Amro de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, verzoekt ECP te bepalen dat zij als oudste executoriaal beslaglegger bevoegd is tot voortzetting van de executie van de woning over te gaan. Het bovengenoemde met veroordeling van ABN Amro in de kosten van deze procedure nu ABN Amro de executie niet met redelijke spoed voortzet.
3.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 545 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan elke beslaglegger of hypotheekhouder als de hypotheekhouder die met de executie is belast deze niet met redelijke spoed voortzet, de voorzieningenrechter verzoeken een termijn vast te stellen waarbinnen de hypotheekhouder tot de verkoop of tot indiening van een verzoek tot onderhandse verkoop moet overgaan.
3.3.
Hoewel ABN Amro in eerste instantie aangaf verweer te willen voeren, heeft zij bij e-mail van 20 mei 2026 naar voren gebracht dat partijen na overleg zijn overeengekomen dat ABN Amro geen verweer zal voeren en dat partijen ieder de eigen kosten van deze procedure zullen dragen. Aangezien uiteindelijk geen verweer is gevoerd, het verzoekschrift aan de wettelijke vereisten voldoet en er geen gronden zijn gebleken voor de afwijzing van het verzoek, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen zoals opgenomen onder de beslissing. De voorzieningenrechter zal hierbij, zoals partijen zijn overeengekomen, bepalen dat partijen hun eigen proceskosten dragen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
bepaalt dat ABN Amro binnen twee maanden na betekening van deze beschikking moet overgaan tot executoriale verkoop of tot indiening van een verzoek tot onderhandse verkoop van de woning plaatselijk bekend [adres] te [plaats], kadastraal bekend [kadastraal kenmerk];
4.2.
bepaalt dat de executie wordt voortgezet door ECP als ABN Amro de voornoemde termijn van twee maanden overschrijdt;
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026
type: 3384