ECLI:NL:RBDHA:2026:18621

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/09/696998 / HA ZA 25-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:73 BWArt. 5:74 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg erfdienstbaarheid van weg en gebruik oprit tussen buren

De zaak betreft een geschil tussen buren over de uitleg en het gebruik van een erfdienstbaarheid van weg gevestigd in 2007, die betrekking heeft op een oprit over twee percelen. De eisers gebruiken een strook van de oprit voor het parkeren van voertuigen, terwijl De Dryaden Vastgoed B.V. dit verbiedt en stelt dat de strook onderdeel is van de erfdienstbaarheid.

De rechtbank onderzoekt de tekst van de vestigingsakte, het kettingbeding en de feitelijke situatie in 2007, waarbij zij concludeert dat de erfdienstbaarheid een strook van circa zes meter breed op het dienend erf (perceel 3) betreft en dat de strook waarop de eisers parkeren binnen deze erfdienstbaarheid valt. Plaatselijke gewoonte en langdurig gebruik spelen geen rol omdat de akte voldoende duidelijk is.

De rechtbank wijst de vorderingen van eisers af die stelden dat parkeren op de strook is toegestaan, en verbiedt De Dryaden om de erfdienstbaarheid anders te gebruiken dan voor doorgang te voet en met voertuigen in het kader van de sierteelt. Tevens wordt een maximumsnelheid van vijftien kilometer per uur vastgesteld. De eisers worden veroordeeld tot verwijdering van voertuigen die de erfdienstbaarheid blokkeren. Proceskosten worden deels gecompenseerd en deels aan eisers opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank legt de erfdienstbaarheid uit en verbiedt parkeren op de strook binnen het perceel, stelt een maximumsnelheid in en veroordeelt tot verwijdering van obstakels.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/696998 / HA ZA 25-24
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van

1.[eiseres] te [woonplaats] ,2. [eiser] te [woonplaats] ,

eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. S.J. Mijdam,
tegen
DE DRYADEN VASTGOED B.V.te Boskoop,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna: De Dryaden,
advocaten: mr. H.J. Doelman en mr. K.A. Hoogendam.

1.1. De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 december 2025, met producties 1 tot en met 9;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 18 februari 2026, met de producties 1 tot en met 7;
- het vonnis van 11 maart 2026 waarin een mondelinge behandeling is bevolen;
- het verzoek om een mondelinge toelichting van De Dryaden;
- de conclusie van antwoord in reconventie en een eisvermeerdering, met producties 10 tot en met 12;
- de akte overlegging aanvullende producties van [eisers] , met producties 13 en 14;
- de akte overlegging aanvullende producties van De Dryaden, met producties 8 en 9;
- de akte overlegging aanvullende productie van [eisers] , met productie 15;
- de akte overlegging opnieuw ingediende en aangepaste productie van De Dryaden, met productie 9; en
- de spreekaantekeningen van de advocaten.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Partijen zijn verschenen, vergezeld van hun advocaten. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die aan het dossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3.
Op verzoek van partijen is de zaak nog aangehouden voor overleg. Dit overleg heeft niet geleid tot een minnelijke regeling. Hierop hebben partijen om vonnis verzocht. De rechtbank heeft vervolgens de datum waarop vonnis wordt gewezen bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Op 18 november 2018 heeft De Dryaden de percelen gelegen aan de [adres 1] in [plaats] , onder meer bestaande uit het perceel kadastraal bekend als [perceel 1] ( [perceel 1] ) in eigendom verkregen. Op deze percelen wordt een sierteeltbedrijf uitgeoefend. [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ) was de vorige eigenaar van [perceel 1] en heeft dit perceel aan De Dryaden verkocht en geleverd.
2.2.
Op 23 november 2020 hebben [eisers] de percelen gelegen aan de [adres 2] in [plaats] , kadastraal bekend als [perceel 2] (hierna: [perceel 2] ) en als [perceel 3] (hierna: [perceel 3] ) in eigendom verkregen. Op deze percelen is de woning van [eisers] gelegen. [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ) was de vorige eigenaar van de [perceel 2] en [perceel 3] en heeft deze aan [eisers] verkocht en geleverd.
2.3.
De ligging van de percelen blijkt uit onderstaande tekening.
2.4.
Op de percelen [perceel 3] en [perceel 1] is een oprit gerealiseerd die door of ten behoeve van beide partijen gebruikt wordt om de achterliggende (delen van de) percelen te bereiken.
2.5.
De percelen [perceel 3] en [perceel 1] zijn ontstaan uit het toenmalige perceel, kadastraal bekend als [perceel 4] ( [perceel 4] ). Dit perceel was eigendom van [bedrijf 2] en is in 2007 gesplitst in de percelen [perceel 3] en [perceel 1] .
2.6.
[bedrijf 2] heeft [perceel 1] op 16 maart 2007 verkocht aan [bedrijf 1] , bij gelegenheid waarvan is overeengekomen dat een erfdienstbaarheid zou worden gevestigd ten laste van [perceel 1] .
2.7.
In de akte van 31 mei 2007 (de vestigingsakte), waarmee [perceel 1] geleverd is door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] , is de volgende erfdienstbaarheid (de erfdienstbaarheid) gevestigd:
“VESTIGING ERFDIENSTBAARHEID VAN WEG
Ter uitvoering van hetgeen partijen dienaangaande zijn overeengekomen wordt bij deze verleend, gevestigd en aanvaard ten behoeve van het ten deze verkochte, als heersend erf, en ten laste van het perceel, kadastraal bekend [perceel 3] , eigendom van verkoper, als dienend erf:
de erfdienstbaarheid van weg om op de thans bestaande wijze via de bestaande oprit, te voet en met alle gangbare voertuigen in het kader van de sierteelt te komen van de openbare weg ( [straatnaam] te [plaats] ) naar het heersend erf en omgekeerd, uit te oefenen over een strook ter breedte van circa zes meter over het bestaande autopad, onder de navolgende bepalingen:
gemelde strook grond waarover de erfdienstbaarheid wordt uitgeoefend, mag nimmer worden gebruikt voor parkeerdoeleinden, opslag van materialen en/of andere belemmeringen en mag nimmer worden afgesloten met hekwerken, palen, kettingen of op welke andere wijze dan ook;
[…]
Voormelde erfdienstbaarheid zal moeten worden uitgeoefend op de voor het dienend erf minst bezwarende wijze en zal blijven bestaan, ook indien het heersend erf door opbouw, aanbouw of vernieuwing enige verandering mocht ondergaan en ongeacht de bestemming welke te eniger tijd aan het heersend of dienend erf mocht worden gegeven
.
2.8.
In dezelfde akte is tevens het volgende kettingbeding (het kettingbeding) opgenomen:

KETTINGBEDING
Koper verbindt zich bij deze jegens de comparant [naam] in privé en diens rechtsopvolger(s) in de eigendom van het perceel kadastraal bekend [perceel 2] (plaatselijk bekend als [adres 2] te [plaats] ) om de bestaande oprit, uitmakende het gedeelte van het verkochte, dat schetsmatig met arcering op de aan deze akte gehechte tekening is aangegeven zijn huidige functie als oprit te laten behouden ter ontsluiting van het verkochte en de percelen kadastraal bekend [perceel 3] en [perceel 2] (plaatselijk bekend als [adres 2] te [plaats] );
De hiervoor sub 1 gemelde verplichting zal overgaan op al degenen die het sub 1 gemeld gedeelte van het verkochte geheel danwel gedeeltelijk zullen verkrijgen, hetzij onder algemene titel hetzij onder bijzondere titel; degenen, die van de rechthebbende op het sub 1 gemeld gedeelte van het verkochte een recht van gebruik zullen verkrijgen, zijn eveneens aan de hiervoor gemelde verplichting gebonden.
3. Indien koper of diens rechtsopvolger(s) in afwijking van het bovenstaande de bestaande oprit een andere functie geeft dan zijn huidige functie als oprit of in het algemeen in strijd met het hiervoor sub 1. bepaalde handelt, verbeurt koper of diens rechtsopvolger(s) jegens de comparant [naam] in privé of diens rechtsopvolger(s) een zonder enige ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst direkt opeisbare en niet voor rechterlijke matiging vatbare boete van eenhonderdduizend euro (€ 100.000,00) ineens voor elke overtreding of niet-nakoming, onverminderd het recht van de comparant [naam] of diens rechtsopvolger(s) tot het vorderen van vergoeding van de eventueel meerder geleden schade en de overige aan de comparant [naam] en diens rechtsopvolger(s) toekomende rechten en rechtsmiddelen.
4. Bij elke vervreemding in eigendom of bij elke vestiging of vervreemding van een zakelijk genotsrecht van het geheel of een gedeelte van het sub 1 gemeld gedeelte van het verkochte, moet het hiervoor sub 1 tot en met 3 bepaalde en het onderhavige sub 4 bepaalde aan de nieuwe verkrijger in eigendom of zakelijk genotsrecht worden opgelegd, ten behoeve van de comparant [naam] en diens rechtsopvolger(s) worden bedongen en aangenomen en in elke verdere akte van vervreemding of vestiging van een zakelijk genotsrecht woordelijk worden overgenomen, zulks op verbeurte voor koper en iedere opvolgende verkrijger in eigendom of zakelijk genotsrecht die verzuimt op te leggen, te bedingen, aan te nemen of te doen opnemen, van een zonder enige ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst direkt opeisbare en niet voor rechterlijke matiging vatbare boete van eenhonderdduizend euro (€ 100.000,00) ten behoeve van de comparant [naam] of diens rechtsopvolger(s), onverminderd het recht van de comparant [naam] of diens rechtsopvolger(s) tot het vorderen van vergoeding van de eventueel meerder geleden schade en de overige aan de comparant [naam] en diens rechtsopvolger(s) toekomende rechten en rechtsmiddelen.”
2.9.
Hieronder wordt de tekening weergegeven waarnaar verwezen is in randnummer 1 van het kettingbeding:
2.10.
[eisers] hebben sinds dat zij hun woning aan de [adres 2] bewonen een of meer auto’s geparkeerd op een strook die naast hun voortuin en huis gelegen is en onderdeel is van de oprit (de strook).
2.11.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over het gebruik van de strook.

3.3. Het geschil

In conventie
3.1.
[eisers] vorderen – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair:
I. voor recht verklaart dat de in de akte van vestiging van 31 mei 2007 gevestigde erfdienstbaarheid van weg ten laste van het perceel [perceel 3] , aldus moet worden uitgelegd dat:
de erfdienstbaarheid uitsluitend betrekking heeft op het gedeelte van het in 2007 aanwezige “bestaande autopad” of “oprit”, waarvan de ligging volgt uit de toenmalige feitelijke situatie en zoals dit gedeeltelijk met streeparcering schetsmatig is weergegeven op de aan de leveringsakte van 31 mei 2007 gehechte en in de openbare registers ingeschreven tekening behorende bij het kettingbeding, en welk autopad niet breder is dan circa zes meter en is gesitueerd over twee percelen met kadastrale nummers [perceel 3] én [perceel 1] , en dus niet uitsluitend over [perceel 3] , althans een ligging op een in goede justitie te bepalen wijze vast te stellen;
het overige deel van [perceel 3] - waaronder de strook - niet tot het tracé van de erfdienstbaarheid behoort; alsmede
het parkeren van (auto)voertuigen door op de strook niet in strijd is met de erfdienstbaarheid van weg, noch met het in de vestigingsakte opgenomen parkeerverbod;
subsidiair:
II. voor recht verklaart dat op grond van artikel 5:73, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) beslissend is de wijze waarop de erfdienstbaarheid langdurig te goeder trouw en zonder tegenspraak is uitgeoefend, en dat deze feitelijke uitoefening meebrengt dat:
iv. het parkeren van (auto)voertuigen op de strook, zoals door [eisers] feitelijk wordt gedaan, niet in strijd is met de erfdienstbaarheid; en
v. het tracé waarover de erfdienstbaarheid wordt uitgeoefend, overeenstemt met het gedeelte van [perceel 3] dat in de periode vanaf de vestiging van de erfdienstbaarheid in 2007 feitelijk steeds als rijbaan is gebruikt voor voertuigen van en naar het heersend erf, en dat wordt begrensd door de strook, althans een tracé op een in goede justitie te bepalen wijze vast te stellen;
zowel primair als subsidiair:
III. De Dryaden verbiedt om het tracé van de erfdienstbaarheid, waarover zij ingevolge de vestigingsakte van weg gebruik mag maken, te gebruiken of te laten gebruiken voor parkeerdoeleinden, het stilzetten van voertuigen, of het op andere wijze blokkeren van de doorgang over dat tracé, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per overtreding en tevens
€ 5.000 per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van
€ 150.000, althans een dwangsom en maximum op te leggen die uw rechtbank in goede justitie meent te behoren;
IV. De Dryaden verbiedt om het [perceel 3] , daaronder begrepen de strook die geen deel uitmaakt van het tracé van de erfdienstbaarheid, te gebruiken of te laten gebruiken voor parkeerdoeleinden, het stilzetten van voertuigen of het op andere wijze blokkeren van de toegang tot de woning van , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per overtreding en tevens € 5.000 per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 150.000, althans een dwangsom en maximum op te leggen die uw rechtbank in goede justitie meent te behoren;
V. De Dryaden gebiedt ervoor zorg te dragen dat voertuigen van haar transporteurs, bezoekers en andere door haar ingeschakelde derden over het [perceel 3] rijden met een maximumsnelheid van 5 (vijf) kilometer per uur, althans een in goede justitie te bepalen maximumsnelheid, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per overtreding, met een maximum van € 50.000, althans een dwangsom en maximum op te leggen die uw rechtbank in goede justitie meent te behoren;
VI. met veroordeling van De Dryaden in de proceskosten.
3.2.
Op hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal de rechtbank hierna bij de beoordeling terugkomen.
In reconventie
3.3.
De Dryaden vordert in reconventie dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat ten behoeve van [perceel 1] en ten laste van [perceel 3] een erfdienstbaarheid van weg geldt, zoals gevestigd bij notariële akte van 31 mei 2007, welke wordt uitgeoefend over het tracé dat vanaf de openbare weg naar de achterliggende bedrijfslocatie loopt en is gelegen direct ten westen van het [perceel 2] en zich op dat tracé uitstrekt over de volle breedte van [perceel 3] , één en ander zoals aangegeven op de als productie 3 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie overgelegde tekening; [1]
II. [eisers] verbiedt maatregelen te treffen die inbreuk maken op de erfdienstbaarheid ten behoeve van [perceel 1] , waaronder in elk geval begrepen de oprit te gebruiken voor parkeerdoeleinden, opslag van materiaal en/of andere belemmeringen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per overtreding en tevens € 5.000 per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 150.000, althans een dwangsom op te leggen die uw rechtbank in goede justitie meent te behoren;
III. [eisers] gebiedt alle voertuigen en/of objecten die inbreuk maken op de erfdienstbaarheid ten behoeve van de percelen van De Dryaden te verwijderen en verwijderd te houden, waaronder in elk geval begrepen de op de uitweg geparkeerde auto’s, aanhangwagens en andere obstakels, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per overtreding en tevens € 5.000 per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 150.000, althans een dwangsom op te leggen die uw rechtbank in goede justitie meent te behoren;
met veroordeling van De Dryaden in de proceskosten.
3.4.
Op hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal de rechtbank hierna bij de beoordeling terugkomen.

4.De beoordelingInleiding en beoordelingsmaatstaf4.1. Partijen delen een oprit die zich uitstrekt over de percelen [perceel 3] en [perceel 1] . Op een deel van de oprit is de erfdienstbaarheid gevestigd. Tussen partijen is niet in geschil dat op het deel van de oprit waarop de erfdienstbaarheid rust parkeren niet is toegestaan. Wel is in geschil de loop en precieze afmeting van de erfdienstbaarheid. Dit geschil is ontstaan omdat [eisers] voertuigen op de strook parkeren en zij de strook op een gegeven moment hebben afgebakend met stenen. De Dryaden stelt zich op het standpunt dat de strook onderdeel is van de erfdienstbaarheid. [eisers] menen daarentegen dat de strook niet onder het bereik van de erfdienstbaarheid valt en zij de strook mogen gebruiken om auto’s en andere voertuigen te parkeren.

4.2.
Nu partijen verschillende lezingen hebben over de afmeting en ligging van de erfdienstbaarheid, zal voor de beoordeling van de vorderingen de erfdienstbaarheid moeten worden uitgelegd. Voor de uitleg van een erfdienstbaarheid is de regeling van art. 5:73, eerste lid, BW van belang. In dat wetsartikel is geregeld dat de inhoud en uitoefening van een erfdienstbaarheid worden bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw gedurende geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend. Verder volgt uit vaste rechtspraak dat het bij de uitleg van een notariële akte, waarin de erfdienstbaarheid is vastgelegd, aankomt op de in die akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, af te leiden uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uitgelegd naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte en de voor derden kenbare gegevens die uit of via de openbare registers zijn te achterhalen. [2]
Uitleg aan de hand van de tekst erfdienstbaarheid
4.3.
Het partijdebat heeft zich toegespitst op de uitleg van de volgende passage van de erfdienstbaarheid:
“de erfdienstbaarheid van weg om op de thans bestaande wijze via de bestaande oprit, te voet en met alle gangbare voertuigen in het kader van de sierteelt te komen van de openbare weg ( [straatnaam] te [plaats] ) naar het heersend erf en omgekeerd, uit te oefenen over een strook ter breedte van circa zes meter over het bestaande autopad, onder de navolgende bepalingen:
(…)”
4.4.
In de beoordeling staan de passages ‘
de thans bestaande wijze via de bestaande oprit’, dat wil zeggen de ten tijde van de vestiging bestaande oprit, en de ‘
strook ter breedte van circa zes meter over het bestaande autopad’ centraal. Bij deze beoordeling zal de rechtbank er vanuit gaan dat met de ‘
thans bestaande oprit’ hetzelfde bedoeld wordt als ‘
het bestaande autopad’, nu de tekst van de akte geen aanleiding geeft dat met de verschillende begrippen een ander deel van de oprit of een ander gebruik bedoeld is.
4.5.
[eisers] hebben ter onderbouwing van hun stellingen in de eerste plaats een beroep gedaan op het
kettingbedingen de aan vestigingsakte gehechte schets. Uit deze schets zou volgen dat het autopad waarnaar verwezen wordt in de erfdienstbaarheid overwegend/volledig op [perceel 3] gelegen is. De rechtbank volgt [eisers] niet in deze stelling. Met het kettingbeding is beoogd om de eigenaar van [perceel 1] en diens rechtsopvolgers te binden om het deel van de oprit dat gelegen is op [perceel 1] te (blijven) gebruiken als oprit. Het kettingbeding, en vooral de bij het kettingbeding gevoegde tekening, waarop [eisers] zich beroepen, zijn weliswaar in dezelfde akte opgenomen als de erfdienstbaarheid, maar het kettingbeding heeft uitsluitend betrekking op [perceel 1] en niet op [perceel 3] . De bijgevoegde schets heeft dan ook alleen betrekking op het deel van de oprit dat gelegen is op [perceel 1] en is geen indicatie van de loop van ‘
de thans bestaande oprit’ of ‘
het bestaande autopad’.
4.6.
De Dryaden heeft ter onderbouwing van haar stellingen een beroep gedaan op de schets bij de
koopovereenkomstvan 16 maart 2007 die aan de vestiging van de erfdienstbaarheid ten grondslag ligt. Deze koopovereenkomst en schets zijn geen onderdeel van de vestigingsakte en ook niet op basis van een andere titel ingeschreven in het kadastraal register. Nu de rechtbank de erfdienstbaarheid aan de hand van de vestigingsakte en voor derden kenbare gegevens die uit of via de openbare registers zijn te achterhalen moet uitleggen (zie randnummer 4.2) kan de aan de koopovereenkomst gehechte schets geen rol spelen bij de uitleg van de erfdienstbaarheid. Het beroep van De Dryaden op de bij de koopovereenkomst gevoegde schets, zal dan ook verder buiten beschouwing gelaten worden.
4.7.
Voor de uitleg is de feitelijke ligging en loop van de oprit in 2007 van belang, nu in de tekst van de erfdienstbaarheid verwezen wordt naar de ten tijde van de vestiging bestaande oprit. De Dryaden heeft luchtfoto’s in het geding gebracht over de periode 2007 tot en met 2020 waaruit de ligging van de oprit, en veranderingen die daarin hebben plaatsgevonden in de loop van de jaren, kan worden afgeleid (productie 7 bij conclusie van antwoord).
Luchtfoto 2007
Uit deze luchtfoto’s volgt dat de huidige ligging van de oprit / het autopad ten opzichte van [perceel 2] en de woning van [eisers] overeenkomt met de ligging uit 2007. De rechtbank stelt op basis van deze foto’s ook vast dat de ligging van het deel van de oprit dat gelegen is op [perceel 3] ongewijzigd gebleven is.
4.8.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord welke breedte de erfdienstbaarheid heeft. Gaat het om een autopad van zes meter breed, zoals door [eisers] bepleit, of om een erfdienstbaarheid van zes meter breed, zoals door De Dryaden bepleit? De rechtbank is van oordeel dat het laatste het geval is. In een erfdienstbaarheid is vastgelegd welke last op het dienend erf rust – in dit geval [perceel 3] – en op welke wijze de eigenaar van het heersend erf – in dit geval [perceel 1] – zijn of haar rechten mag uitoefenen. Logischerwijs kan in een vestigingsakte alleen een last op het dienend erf – in dit geval [perceel 3] – worden vastgelegd en niet tevens een last op het heersend erf. Dit betekent dus dat dat ‘
de strook van circa zes meter breed’ de breedte van de erfdienstbaarheid aanduidt.
4.9.
Verder leidt de rechtbank uit de woordkeuze en -volgorde af dat de strook over het autopad loopt, en dus niet het gehele breedte van het autopad omvat, en het autopad dus breder moet zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met de passage ‘
uit te oefenen over een strook van circa zes meter over het bestaande autopad’tot uitdrukking wordt gebracht dat de eigenaar van het heersend erf een erfdienstbaarheid mag uitoefenen over een strook ter breedte van zes meter op het dienend erf. Deze beoordeling leidt er tevens toe dat de rechtbank niet meegaat in de stelling van [eisers] dat het midden van het autopad op grens tussen de percelen [perceel 3] en [perceel 1] ligt. Dit standpunt zou betekenen dat het deel van het autopad dat op [perceel 3] ligt drie meter breed is. De tekst van de erfdienstbaarheid biedt voor deze uitleg geen enkel aanknopingspunt.
4.10.
De erfdienstbaarheid valt dan (bijna helemaal) samen met het hele deel van de oprit dat op [perceel 3] gelegen is. Ter hoogte van de woning van [eisers] is de oprit echter smaller dan ter hoogte van de openbare weg. Hoewel dit niet exact is uitgemeten, is wel duidelijk geworden dat het deel van oprit op [perceel 3] ter hoogte van de woning smaller dan zes meter is. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze omstandigheid niet leiden tot de door [eisers] bepleite uitleg, nu uit keuze voor de woorden ‘
circa zes meter’ voldoende duidelijk wordt dat de breedte van delen van de strook waarop de erfdienstbaarheid rust ook smaller kan zijn. Daarbij wordt meegewogen dat het deel van de oprit gelegen op [perceel 3] ten tijde van de vestiging dezelfde afmetingen had als nu, en de afmetingen van het deel van de oprit op [perceel 3] dus bekend waren en dat bij de vestiging van de erfdienstbaarheid hiermee rekening is gehouden.
4.11.
Verder heeft te gelden dat in het kettingbeding bepaald is dat het deel van de oprit dat gelegen is op [perceel 1] als oprit ingericht dient te blijven. Juist in de combinatie van het kettingbeding en de erfdienstbaarheid kan steun worden gevonden voor de uitleg dat het ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid de bedoeling geweest is dat de hele oprit als oprit gebruikt wordt en deze met dat oogmerk vrijgehouden moet worden. Die combinatie met het kettingbeding is dan ook een bevestiging van de uitleg dat de erfdienstbaarheid het hele deel van de oprit dat gelegen is op [perceel 3] omvat.
4.12.
De uitleg van de erfdienstbaarheid aan de hand van de inhoud van de akte leidt tot de conclusie dat op het deel van de oprit dat gelegen is op [perceel 3] een erfdienstbaarheid van (circa) zes meter breed rust en dat de strook binnen het bereik van de erfdienstbaarheid valt.
Plaatselijke gewoonte en langdurig gebruik kunnen geen rol spelen in de beoordeling
4.13.
Nu aan de hand van een tekstuele uitleg van de vestigingsakte de inhoud en afmeting van de erfdienstbaarheid voldoende duidelijk zijn, kunnen zoals bepaald in art. 5:73, eerste lid, BW de plaatselijke gewoonte en het (gestelde) langdurig gebruik verder geen rol spelen in de beoordeling. De rechtbank zal dan ook geen aandacht besteden aan het partijdebat dat betrekking heeft op het langdurig gebruik van de strook door [eisers] en hun rechtsvoorganger voor parkeerdoeleinden en de (in dat verband aangebrachte) letters NP. De rechtbank gaat ook voorbij aan de stelling van [eisers] dat vrachtwagens feitelijk voldoende manoeuvreerruimte hebben als voertuigen op de strook geparkeerd staan. De Dryaden heeft voldoende toegelicht dat voertuigen en andere objecten die op de strook geplaatst zijn weldegelijk het vrachtwagenverkeer belemmeren. Daar komt bij dat het parkeren op het deel van [perceel 3] waarop de erfdienstbaarheid rust expliciet verboden is.
Stilstaan/parkeren en te hard rijden
4.14.
[eisers] hebben aangevoerd dat chauffeurs die De Dryaden aandoen, hun voertuigen op [perceel 3] ter hoogte van de woning van [eisers] stilzetten of parkeren en dat zij met hoge snelheid over de oprit rijden. Zij hebben de betreffende vordering onderbouwd met een aantal foto’s en een video-opname, waaruit in ieder geval kan worden afgeleid dat de gestelde gedraging een aantal keer heeft plaatsgevonden. Uit de omstandigheid dat partijen ook voor het geschil over de erfdienstbaarheid met elkaar hebben gecommuniceerd over geparkeerde/stilstaande vrachtwagens en dat zij in onderling overleg hebben besloten een bord te plaatsen om aan te geven dat op de oprit maximaal vijf kilometer per uur gereden mag worden, kan worden afgeleid dat voormelde problematiek niet incidenteel is en al langer speelt.
4.15.
[eisers] hebben op basis van de erfdienstbaarheid te dulden dat alle gangbare voertuigen in het kader van de sierteelt over het deel van de oprit dat op hun perceel gelegen is komen en gaan. Op basis van hun eigendomsrecht mogen zij gebruik van hun grond dat buiten het bereik van de erfdienstbaarheid valt verbieden, ook als dat gebruik geen hinder veroorzaakt. In die zin is de vordering toewijsbaar. Op de basis van een objectieve uitleg moet naar het oordeel van de rechtbank onder ‘
komen van de openbare weg (….) en omgekeerd’ ook worden gerekend tijdelijke stops die onder dit gebruik vallen, zoals een stop om ruimte te geven aan een tegenligger of een vrachtbrief of andere papieren te pakken. In algemene termen kan echter niet uitputtend en precies worden verwoord welk gebruik wél en welk gebruik niet als ‘
komen van de openbare weg (…) en omgekeerd’ kan worden aangemerkt. In algemene zin heeft wel te gelden dat een stop die langer dan tien minuten duurt, in de regel niet kan worden aangemerkt als ‘
komen van de openbare weg (…) en omgekeerd’, hoewel dit onder omstandigheden wel het geval kan zijn.
4.16.
Het ligt op de weg van De Dryaden om derden die ten behoeve van haar onderneming gebruik maken van de erfdienstbaarheid te wijzen op de juiste uitoefening van de erfdienstbaarheid. Schendingen van het eigendomsrecht van [eisers] kunnen aan haar worden toegerekend. Nu [eisers] voldoende hebben onderbouwd dat meer dan incidenteel inbreuk is gemaakt op hun eigendomsrecht, zal rechtbank het gevorderde verbod, zoals nader toegelicht in randnummer 4.21, en de dwangsom toewijzen op de wijze zoals in het dictum bepaald.
4.17.
Het gevorderde gebod dat De Dryaden ervoor dient te zorgen dat transporteurs, bezoekers en andere derden die haar percelen aandoen niet harder dan vijf kilometer per uur over het [perceel 3] mogen rijden kan niet worden toegewezen. In de vestigingsakte is geen maximumsnelheid vermeld. Uit de algemene wettelijke norm dat een erfdienstbaarheid op de voor het dienend erf minst bezwarende wijze moet worden uitgeoefend, welk norm ook in de vestigingsakte is aangehaald, kan deze maximumsnelheid ook niet worden afgeleid. Verder heeft De Dryaden voldoende toegelicht dat de plaatsing van een verkeersbord met een maximumsnelheid van vijf kilometer per uur niet op basis van een juridische verplichting heeft plaatsgevonden en dat daaruit niet kan worden afgeleid dat zij met een haar bindende maximumsnelheid heeft ingestemd.
4.18.
Tegelijkertijd heeft te gelden dat de erfdienstbaarheid op de voor het dienend erf minst bezwarende wijze moet worden uitgeoefend. De rechtbank is met [eisers] van oordeel dat met een te hoge snelheid rijden over hun deel van de oprit onnodig bezwarend is, terwijl dit niet nodig is voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Dat met een relatief hoge snelheid over hun deel van de oprit gereden wordt, blijkt uit de video-opname die zij in het geding gebracht hebben. Tegen de achtergrond van het gebruik waarvoor de erfdienstbaarheid gevestigd is, acht de rechtbank een snelheid van meer dan vijftien kilometer per uur in strijd met de regeling van art. 5:74 BW Pro dat de erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze moet worden uitgevoerd. Ook in dit verband geldt dat het op de weg van De Dryaden ligt ervoor zorg te dragen dat derden die ten behoeve van haar percelen gebruik maken van de erfdienstbaarheid in overeenstemming met de erfdienstbaarheid handelen en het eigendomsrecht van [eisers] respecteren. Eventuele schendingen kunnen aan haar worden toegerekend. De rechtbank zal het gevorderde gebod en dwangsom toewijzen op de wijze zoals in het dictum bepaald.
Conclusie en proceskosten
4.19.
Uit het voorgaande volgt dat de in conventie primair en subsidiair gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. De door De Dryaden in reconventie gevorderde verklaring voor recht onder I. wordt toegewezen op de in het dictum vermelde wijze. Uit de vordering van De Dryaden kan worden afgeleid dat zij enkel een verklaring voor recht wensen ten aanzien van het deel van de erfdienstbaarheid dat wordt weergegeven door de volgende schets die zij als productie 3 bij conclusie van antwoord en eis in reconventie heeft gevoegd:
4.20.
Tevens worden [eisers] veroordeeld tot verwijdering en het verwijderd houden van alle zaken die op het deel van de oprit waarop een erfdienstbaarheid rust (vordering in reconventie onder III). Onvoldoende toegelicht is welk belang De Dryaden bij het in reconventie onder II. gevorderde verbod heeft nu de vordering in reconventie onder III deels is toegewezen, zodat deze vordering bij gebrek aan belang wordt afgewezen. De door De Dryaden gevorderde dwangsom wordt toegewezen op de in het dictum vermelde wijze.
4.21.
De rechtbank zal ook de vordering die betrekking heeft op het parkeren/stilstaan toewijzen. Nu alleen de erfdienstbaarheid gebruikt mag worden voor verkeer ten behoeve van De Dryaden, zal de vordering worden toegewezen voor het deel van [perceel 3] waarop de erfdienstbaarheid rust (vordering in conventie onder III). [eisers] hebben onvoldoende toegelicht welk belang zij nog hebben bij hun vordering in conventie onder IV. Vordering III wordt toegewezen op de wijze zoals bepaald in het dictum. Ook de vordering ten aanzien van de maximumsnelheid (vordering in conventie onder V) wordt toegewezen. De door [eisers] gevorderde dwangsommen worden toegewezen op de in het dictum vermelde wijze.
4.22.
Nu [eisers] in conventie deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten in conventie gecompenseerd.
4.23.
[eisers] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld in de reconventionele procedure. De toegewezen vordering van De Dryaden vloeit voort uit de in conventie ingestelde vordering, zodat de advocaatkosten worden gewaardeerd op een half punt. De proceskosten aan de zijde van De Dryaden in reconventie worden begroot op twee keer een half punt van € 653 en de nakosten € 189, dus in totaal € 842. Daarnaast worden toegewezen de verhoging van de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten, zoals nader in het dictum bepaald.

5.5. De beslissing

De rechtbank:
In conventie
5.1.
verbiedt De Dryaden om de erfdienstbaarheid die rust op [perceel 3] te gebruiken of te laten gebruiken op een andere wijze dan ‘te voet of met alle gangbare voertuigen in het kader van de sierteelt te komen van de openbare weg ( [straatnaam] te [plaats] ) naar het heersend erf en omgekeerd’, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per overtreding, en tevens € 500 per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 10.000;
5.2.
gebiedt De Dryaden ervoor zorg te dragen dat voertuigen van haar transporteurs, bezoekers en andere door haar ingeschakelde derden over het [perceel 3] rijden met een maximumsnelheid van vijftien kilometer per uur, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per overtreding, met een maximum van € 10.000;
5.3.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
5.4.
verklaart de veroordeling in 5.1 en 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie
5.6.
verklaart voor recht dat ten behoeve van [perceel 1] en ten laste van [perceel 3] de erfdienstbaarheid van weg geldt, zoals gevestigd bij notariële akte van 31 mei 2007, welke wordt uitgeoefend over het tracé dat vanaf de openbare weg naar de achterliggende bedrijfslocatie loopt en is gelegen direct ten westen van het [perceel 2] en zich op dat tracé uitstrekt over de volle breedte van [perceel 3] tot aan het punt waar de grens van [perceel 2] een knik in noordoostelijke richting maakt, waarna het verder in een rechte lijn doorloopt tot de achterzijde van [perceel 3] , één en ander zoals aangegeven op de in randnummer 4.19 opgenomen tekening;
5.7.
veroordeelt [eisers] alle voertuigen en/of objecten die inbreuk maken op de erfdienstbaarheid te verwijderen en verwijderd te houden, waaronder in elk geval begrepen de op de uitweg geparkeerde auto’s, aanhangwagens en andere obstakels, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per overtreding en tevens € 500 per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 20.000;
5.8.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 842, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis. Indien [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [eisers] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.9.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over de proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn voldaan;
5.10.
verklaart de veroordelingen in 5.7, 5.8 en 5.9 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; en
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op
8 juli 2026.

Voetnoten

1.Een kopie van deze schets is opgenomen in randnummer 4.19 van dit vonnis.
2.Vgl. HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904