Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[eiseres] te [woonplaats] ,2. [eiser] te [woonplaats] ,
1.1. De procedure
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 18 februari 2026, met de producties 1 tot en met 7;
- het vonnis van 11 maart 2026 waarin een mondelinge behandeling is bevolen;
2.De feiten
.”
KETTINGBEDING
3.3. Het geschil
4.De beoordelingInleiding en beoordelingsmaatstaf4.1. Partijen delen een oprit die zich uitstrekt over de percelen [perceel 3] en [perceel 1] . Op een deel van de oprit is de erfdienstbaarheid gevestigd. Tussen partijen is niet in geschil dat op het deel van de oprit waarop de erfdienstbaarheid rust parkeren niet is toegestaan. Wel is in geschil de loop en precieze afmeting van de erfdienstbaarheid. Dit geschil is ontstaan omdat [eisers] voertuigen op de strook parkeren en zij de strook op een gegeven moment hebben afgebakend met stenen. De Dryaden stelt zich op het standpunt dat de strook onderdeel is van de erfdienstbaarheid. [eisers] menen daarentegen dat de strook niet onder het bereik van de erfdienstbaarheid valt en zij de strook mogen gebruiken om auto’s en andere voertuigen te parkeren.
de thans bestaande wijze via de bestaande oprit’, dat wil zeggen de ten tijde van de vestiging bestaande oprit, en de ‘
strook ter breedte van circa zes meter over het bestaande autopad’ centraal. Bij deze beoordeling zal de rechtbank er vanuit gaan dat met de ‘
thans bestaande oprit’ hetzelfde bedoeld wordt als ‘
het bestaande autopad’, nu de tekst van de akte geen aanleiding geeft dat met de verschillende begrippen een ander deel van de oprit of een ander gebruik bedoeld is.
kettingbedingen de aan vestigingsakte gehechte schets. Uit deze schets zou volgen dat het autopad waarnaar verwezen wordt in de erfdienstbaarheid overwegend/volledig op [perceel 3] gelegen is. De rechtbank volgt [eisers] niet in deze stelling. Met het kettingbeding is beoogd om de eigenaar van [perceel 1] en diens rechtsopvolgers te binden om het deel van de oprit dat gelegen is op [perceel 1] te (blijven) gebruiken als oprit. Het kettingbeding, en vooral de bij het kettingbeding gevoegde tekening, waarop [eisers] zich beroepen, zijn weliswaar in dezelfde akte opgenomen als de erfdienstbaarheid, maar het kettingbeding heeft uitsluitend betrekking op [perceel 1] en niet op [perceel 3] . De bijgevoegde schets heeft dan ook alleen betrekking op het deel van de oprit dat gelegen is op [perceel 1] en is geen indicatie van de loop van ‘
de thans bestaande oprit’ of ‘
het bestaande autopad’.
koopovereenkomstvan 16 maart 2007 die aan de vestiging van de erfdienstbaarheid ten grondslag ligt. Deze koopovereenkomst en schets zijn geen onderdeel van de vestigingsakte en ook niet op basis van een andere titel ingeschreven in het kadastraal register. Nu de rechtbank de erfdienstbaarheid aan de hand van de vestigingsakte en voor derden kenbare gegevens die uit of via de openbare registers zijn te achterhalen moet uitleggen (zie randnummer 4.2) kan de aan de koopovereenkomst gehechte schets geen rol spelen bij de uitleg van de erfdienstbaarheid. Het beroep van De Dryaden op de bij de koopovereenkomst gevoegde schets, zal dan ook verder buiten beschouwing gelaten worden.
de strook van circa zes meter breed’ de breedte van de erfdienstbaarheid aanduidt.
uit te oefenen over een strook van circa zes meter over het bestaande autopad’tot uitdrukking wordt gebracht dat de eigenaar van het heersend erf een erfdienstbaarheid mag uitoefenen over een strook ter breedte van zes meter op het dienend erf. Deze beoordeling leidt er tevens toe dat de rechtbank niet meegaat in de stelling van [eisers] dat het midden van het autopad op grens tussen de percelen [perceel 3] en [perceel 1] ligt. Dit standpunt zou betekenen dat het deel van het autopad dat op [perceel 3] ligt drie meter breed is. De tekst van de erfdienstbaarheid biedt voor deze uitleg geen enkel aanknopingspunt.
circa zes meter’ voldoende duidelijk wordt dat de breedte van delen van de strook waarop de erfdienstbaarheid rust ook smaller kan zijn. Daarbij wordt meegewogen dat het deel van de oprit gelegen op [perceel 3] ten tijde van de vestiging dezelfde afmetingen had als nu, en de afmetingen van het deel van de oprit op [perceel 3] dus bekend waren en dat bij de vestiging van de erfdienstbaarheid hiermee rekening is gehouden.
komen van de openbare weg (….) en omgekeerd’ ook worden gerekend tijdelijke stops die onder dit gebruik vallen, zoals een stop om ruimte te geven aan een tegenligger of een vrachtbrief of andere papieren te pakken. In algemene termen kan echter niet uitputtend en precies worden verwoord welk gebruik wél en welk gebruik niet als ‘
komen van de openbare weg (…) en omgekeerd’ kan worden aangemerkt. In algemene zin heeft wel te gelden dat een stop die langer dan tien minuten duurt, in de regel niet kan worden aangemerkt als ‘
komen van de openbare weg (…) en omgekeerd’, hoewel dit onder omstandigheden wel het geval kan zijn.