ECLI:NL:RBDHA:2026:18636

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
NL25.17111
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.M. van Veelen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vwparagraaf C2/4.1 Vcparagraaf C2/4.1.2.2 Vcparagraaf B7/3.1.1 VcWerkinstructie 2024/4
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken huwelijksgelijkwaardige partnerrelatie

Eiseres, partner van een asielvergunninghouder, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De minister wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat er sprake was van een partnerrelatie die gelijk te stellen is aan een huwelijk op het peilmoment van binnenkomst van de referent in Nederland.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de relatie sinds 2016 bestond en duurzaam was, de feitelijke gezinsband ontbrak. Eiseres en referent hadden elkaar sinds 2016 niet meer fysiek gezien en onderhielden contact via chat en video. De verklaringen en overgelegde stukken toonden geen duurzame en exclusieve relatie aan zoals vereist.

De rechtbank verwierp het betoog dat sprake was van samenwoning en oordeelde dat de minister de hoorplicht niet had geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgewezen wegens ontbreken van een huwelijksgelijkwaardige partnerrelatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17111

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Procesverloop

Op 16 augustus 2022 heeft [naam] (verder: referent) voor eiseres een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Als tolk was [naam] aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
1.1
Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1986 en heeft de Filipijnse nationaliteit. Zij is de partner van referent. Referent is geboren op [geboortedatum 2] 1995 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij is op 11 oktober 2021 Nederland ingereisd en is in het bezit van een asielvergunning. Op 16 augustus 2022 heeft hij een aanvraag om verlening van een mvv nareis voor eiseres ingediend.
1.2
Referent en eiseres hebben elkaar in de zomer van 2016 in Zahla in Libanon leren kennen en hebben in juni 2016 een relatie gekregen. Eiser werkte daar in het restaurant van een hotel en eiseres was in Libanon voor een training nagelverzorging voor haar werk. Na vijf maanden is referent terug gegaan naar Syrië om zijn studie af te ronden. Eiseres is terug gegaan naar Dubai, waar zij nu nog woont. Het was de bedoeling dat referent na zijn studie naar eiseres toe zou gaan, maar dat is er vanwege de situatie in Syrië niet van gekomen. Sinds 2016 hebben referent en eiseres elkaar niet meer gezien. Zij houden contact via de telefoon.
1.3
Op 8 mei 2024 heeft de minister een gehoor nareis gehouden met referent.
Het bestreden besluit
2. De minister heeft het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat op het peilmoment (de datum van inreis van referent in Nederland op 11 oktober 2021) sprake was van een partnerrelatie die gelijk te stellen is aan een huwelijk. Er is namelijk geen sprake van een feitelijke gezinsband tussen referent en eiseres. Daarnaast hebben eiseres en referent sinds 2016 beperkt invulling gegeven aan hun relatie: zij hebben elkaar sinds 2016 niet meer in levenden lijve gezien en geven invulling aan hun relatie via chatgesprekken en (video)bellen. Zo’n relatie zonder feitelijke invulling kan volgens de minister in Nederland evengoed op afstand worden voortgezet.
De gronden van beroep
3.1
Eiseres heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen duurzame relatie tussen hen zou bestaan op het peilmoment. Referent heeft tijdens het gehoor verklaard dat hij met eiseres heeft samengewoond en dat hij om redenen buiten zijn invloed om Libanon heeft moeten verlaten. Als het aan hen had gelegen hadden eiseres en referent nog altijd samengewoond. Zij kunnen zich niet vinden in de stelling van de minister dat zij slechts beperkt invulling aan hun relatie hebben gegeven. Dit is buiten hun invloedssfeer om gebeurd. Bovendien kunnen duurzame relaties tegenwoordig op verschillende manieren plaatsvinden.
3.2
Op zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangevuld dat de minister de hoorplicht heeft geschonden.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
4.1
Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw [1] kan een asielvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan een partner, als deze op het tijdstip van binnenkomst van de referent behoorde tot zijn gezin.
4.2
Volgens paragraaf C2/4.1. van de Vc [2] moet de referent de feitelijke gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen onderbouwen. In paragraaf C2/4.1.2.2. van de Vc is opgenomen dat aan een partner uitsluitend een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw wordt verleend als het partnerschap al bestond voordat de referent Nederland is ingereisd en tussen hen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie.
4.3
In paragraaf B7/3.1.1. van de Vc staat dat verweerder aanneemt dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie als de relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen.
4.4
Uit werkinstructie 2024/4 [3] in paragraaf 4.3 volgt dat sterke indicatoren hiervoor zijn samenwonen, het voeren van een gezamenlijke huishouding en het bestaan van wederzijdse afhankelijkheid. Geen van de indicatoren is op zichzelf doorslaggevend, het gaat om het gehele plaatje. Daarnaast wordt in de werkinstructie ook opgemerkt dat het belangrijk is te onthouden waar nareis voor is bedoeld: namelijk het herstellen van de feitelijke gezinsband zoals die bestond voor binnenkomst van de referent in Nederland.
Is sprake van een met een huwelijk gelijk te stellen relatie tussen eiseres en referent?
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat sprake is van een relatie tussen eiseres en referent en dat die relatie sinds 2016 bestaat. In die zin is de relatie duurzaam en bestond die ook al op het moment van inreis van referent in Nederland, het peilmoment.
6.1
In geschil is de vraag of eiseres en referent aannemelijk hebben gemaakt dat hun relatie gelijk te stellen is met een huwelijk. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dit niet het geval is.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiseres en referent overgelegde chatberichten, foto’s en de verklaring van de broer van eiseres niet blijkt dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie en een feitelijke gezinsband als hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 bedoeld. Dit blijkt ook niet uit de verklaringen van referent. Hoewel referent bij de mvv-aanvraag en in de gronden van beroep heeft aangegeven dat hij in 2016 in Libanon vier maanden heeft samengewoond met eiseres, heeft hij tijdens het Gehoor nareis uitdrukkelijk verklaard dat hij en eiseres niet hebben samengewoond. Referent is hier tijdens het Gehoor nareis specifiek naar gevraagd. [4] Dat sprake moet zijn van een misvertaling, zoals door de gemachtigde van eiseres op zitting is betoogd, volgt de rechtbank niet. Uit het gehoor blijkt immers dat hierover is doorgevraagd en dat referent tijdens dat gehoor expliciet heeft aangegeven dat eiseres niet bij hem woonde maar op bezoek kwam. [5]
6.3
Verder acht de rechtbank van belang dat gezinshereniging het herstel beoogt van de feitelijke gezinsband zoals die bestond voor de komst van de referent in Nederland. Nu eiseres en referent elkaar sinds november 2016 niet meer in levenden lijve hebben gezien en sindsdien invulling hebben geven aan hun relatie via chatgesprekken en videobellen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat zij hun relatie kunnen voortzetten zoals zij dat sinds 2016 hebben gedaan. Dat eiseres en referent door omstandigheden niet meer invulling kunnen hebben geven aan hun relatie, doet hier niet aan af. Dat eiser Libanon moest verlaten om zijn studie af te ronden en het in Syrië cultureel en sociaal gezien niet mogelijk is om te trouwen met iemand van een ander geloof zijn immers geen omstandigheden waarvoor nareis is bedoeld.
Hoorplicht
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht in dit geval niet heeft geschonden.
Van het horen in bezwaar kan worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de inhoud van de gronden van het bezwaar van eiseres, mocht de minister afzien van het horen van eiseres en/of referent. In bezwaar zijn immers geen nieuwe argumenten of gezichtspunten aangevoerd over de feitelijke gezinsband zoals die tussen eiseres en referent op het peilmoment en ook nu bestaat. Bovendien heeft de minister referent voorafgaand aan het primaire besluit op 8 mei 2024 in verband met deze mvv-aanvraag gehoord.

Conclusie en gevolgen

8. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.H. van Veen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingencirculaire 2000.
3.WI 2024/4 Instructie behandeling nareis (asiel).
4.Rapport Gehoor nareis – referent p. 9 onder
5.Rapport Gehoor nareis – referent p. 9 onder