ECLI:NL:RBDHA:2026:18654
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in Dublinprocedure asielaanvraag
De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 2 juli 2026 behandeld, waarbij de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren, maar verzoeker zelf niet.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten en bij uitspraak van 7 juli 2026 geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet meer nodig is omdat de rechtbank op hetzelfde moment uitspraak heeft gedaan op het beroep. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank gelijktijdig uitspraak heeft gedaan op het beroep.