ECLI:NL:RBDHA:2026:18654

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19457
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in Dublinprocedure asielaanvraag

De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 2 juli 2026 behandeld, waarbij de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren, maar verzoeker zelf niet.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten en bij uitspraak van 7 juli 2026 geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet meer nodig is omdat de rechtbank op hetzelfde moment uitspraak heeft gedaan op het beroep. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank gelijktijdig uitspraak heeft gedaan op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19458

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Inleiding

1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. [1] Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek tegelijk met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van de minister en de gemachtigde van verzoeker deelgenomen. Verzoeker is zelf niet verschenen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Boordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.19457.