ECLI:NL:RBDHA:2026:18668

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
09/168836-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 141 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling openlijke geweldpleging met taakstraf en schadevergoeding

Op 8 juli 2023 vond te ’s-Gravenhage een openlijke geweldpleging plaats waarbij verdachte samen met twee anderen meerdere personen heeft geslagen, geschopt en een glas heeft gegooid. De rechtbank heeft op 7 juli 2026 na onderzoek en zitting bewezen verklaard dat verdachte het geweld heeft gepleegd, waarbij meerdere slachtoffers lichamelijk letsel opliepen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer camerabeelden, verklaringen van getuigen en processen-verbaal van verhoren. Verdachte was onder invloed van alcohol en begon de vechtpartij zonder duidelijke aanleiding. De redelijke termijn was met 11 maanden overschreden, wat strafverminderend werd meegewogen.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Tevens werden de schadevergoedingsvorderingen van twee benadeelden hoofdelijk toegewezen, respectievelijk €14.774,- en €1.130,- aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 juli 2023. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk samen met mededaders.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 160 uur taakstraf of 80 dagen hechtenis en hoofdelijk toegewezen schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/168836-23
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1988 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
BRP-adres: [adres] te [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Verheesen en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. R. Paniagua naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 juli 2023 te ’s-Gravenhage openlijk, te weten, in aanwezigheid
van een groep personen, in elk geval op of aan de openbare weg, te weten de
Boulevard en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten de [horecagelegenheid]
, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer perso(o)n(en) door
een of meermalen te schoppen/trappen tegen het lichaam van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
en/of te slaan/stompen tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer 3]
en/of een of meer andere perso(o)n(en) en/of een glas te gooien richting personen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte met betrekking tot het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023211490, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 290).
1. Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte [verdachte], opgemaakt op 8 juli 2023, voor zover inhoudende (p. 34-36):
Op zaterdag 8 juli 2023 waren was ik, verbalisant samen met collega's belast met noodhulpsurveillance. Omstreeks 02.40 uur die dag hoorde ik via het bureaukanaal van bureau Scheveningen dat er een vechtpartij gaande was bij de [horecagelegenheid], gelegen aan de [straatnaam] te ' s-Gravenhage. Met mijn collega's ben ik ter plaatse gegaan.
Ik hoorde meerdere personen van de groep, ongeveer 6 man, door elkaar roepen dat er een van hen door een drietal Polen was getrapt en dat er een mishandeling was gepleegd. Ik zag dat zij richting de pier wezen. Ik zag dat daar drie mannen liepen.
Ik hoorde dat het drietal niet Nederlands sprak. Ik herkende ze als zijnde mannen van Poolse komaf. Ik hoorde hen zeggen dat zij met zijn drieën waren en dat de andere groep met ongeveer twintig man was. Ik probeerde hen op afstand te houden en vroeg wie er had geschopt. Ik hoorde meerderen van de groep zeggen: "Die grote met het witte shirt". Ik zag dat collega [naam 1] bij deze man transportboeien had aangelegd, dit bleek later [verdachte] te zijn.
Het werd mij wel duidelijk dat de grote groep de confrontatie wilde aangaan met het drietal Polen.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 augustus 2023, voor zover inhoudende (p. 140-148):
Op de beelden van [horecagelegenheid] begint het incident. Op het terras van [horecagelegenheid] zie ik [slachtoffer 1], [naam 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 2], [naam 3] en enige andere
personen die duidelijk bij elkaar horen met elkaar staan praten. ik zie dat [verdachte] het terras opkomt en dat hij [slachtoffer 3] aanspreekt. Ik zie dat [verdachte]
met zijn rechtervuist op het gezicht van [slachtoffer 3] slaat.
Ik zie dat [medeverdachte 1] een stoel pakt en deze in de groep gooit.
Ik zie dat [medeverdachte 1] met kracht een glas gooit naar de groep.
Ik zie dat door [verdachte] en [medeverdachte 2] meerdere vuistslagen worden uitgedeeld aan meerdere personen. ik zie dat iemand ten val komt en dat [medeverdachte 2] naar deze persoon zijn hoofd trapt. ik zie dat deze persoon op de grond blijft liggen. Ik zie dat [naam 2] op [medeverdachte 1] komt afrennen en hem kennelijk wil trappen maar onderuitglijdt. Dan zie ik dat [medeverdachte 2] met kracht met zijn rechtervuist op het gezicht van [naam 2] slaat. Ik zie dat [verdachte] en [slachtoffer 3] om en om naar elkaars hoofd slaan
Ik zie dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] weglopen en dat politieagenten er achteraan gaan. Ook zie ik dat de groep waarmee ruzie is erachter aan lopen.
Ik zie dat [verdachte] met zijn handen geboeid op zijn rug naar de groep toeloopt en schopt naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Ik zie dat [verdachte] met zijn schouder een duw geeft aan een onbekend gebleven persoon.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 september 2023, voor zover inhoudende (p. 275):
Ik zie dat [verdachte] op een gegeven moment met zijn rechterhand een glas van de tafel pakt. Daarna zie ik deze persoon achter een felle lamp verplaatsen waardoor op deze beelden niet te zie is wat hij met het glas doet.
Daarom heb ik de beelden van TTT nogmaals bekeken en zie ik dat [verdachte] dit glas met kracht richting het terras gooit en daarbij en val komt.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 september 2023, voor zover inhoudende (p. 280):
Op de beelden zie ik dat:
NN1 betreft [slachtoffer 3], [geboortedatum 2] 1998
NN2 betreft [naam 2], [geboortedatum 3] 2003
NN3 betreft [benadeelde 1], [geboortedatum 4] 1998
NN4 betreft [slachtoffer 1], [geboortedatum 5] 1995
NN7 betreft wederom [naam 2], [geboortedatum 3] 2003
5. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte], opgemaakt op 8 juli 2023, voor zover inhoudende (p. 208):
V: Welke Discotheek was dit?
A: [horecagelegenheid]
V: Met wie was u?
A: Met mijn broer en mijn vriend.
V: Wat zijn hun namen?
A: [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].
6. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], opgemaakt op 8 juli 2023, voor zover inhoudende (p. 212):
Verbalisant toont de camerabeelden aan de verdachte.
V: Herkent u uzelf?
A: Ja
V: We zien dat u uit het niets iemand slaat. Wat u daarover zeggen?
A: Ik zie dat ik iemand sla.
3.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 8 juli 2023 te ’s-Gravenhage openlijk, te weten, in aanwezigheid
van een groep personen, in elk geval op of aan de openbare weg, te weten de
Boulevard en op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten de [horecagelegenheid]
, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen door
te schoppen tegen het lichaam van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
en te slaan/stompen tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer 3]
en/of een of meer andere personen en een glas te gooien richting personen.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een lagere taakstraf op te leggen dan gevorderd, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden (hij is vader van minderjarige kinderen en heeft door deze zaak ruzie met zijn vrouw gehad) en de overschrijding van de redelijke termijn.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich, samen met twee anderen, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Verdachte heeft tijdens de openlijke geweldpleging mede een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit aangetast.
Op de camerabeelden is te zien dat er ten tijde van het geweld veel uitgaanspubliek aanwezig was. Deze omstanders waren ongewild getuige van geweldshandelingen. Het hoeft geen betoog dat hierdoor gevoelens van angst en onveiligheid bij deze passanten,
maar ook in de samenleving in het algemeen, worden versterkt.
Getuige zijn van openlijke geweldpleging verpest voor velen wat een leuk en zorgeloos avondje uit had moeten zijn en weerhoudt sommigen ervan om zich nogmaals op een nachtelijk tijdstip in het uitgaansgebied te begeven. Verdachte verkeerde tijdens het plegen van de feiten onder invloed van alcohol, een dusdanige hoeveelheid dat hij zelf niet meer weet wat er precies is gebeurd, en is degene die de vechtpartij is begonnen.
Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank rekent hem dit alles aan. Helaas was de verdachte niet aanwezig ter terechtzitting zodat de rechtbank niet bekend is geworden hoe de verdachte op zijn handelen terugkijkt en of hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 mei 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig misdrijf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze door zijn raadsman ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. Deze omstandigheden zijn echter niet van dien aard dat zij in strafmatigende zin meewegen bij het bepalen van de straf.
Redelijke termijn
De rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden met 11 maanden. De rechtbank houdt hier in strafmatigende zin rekening mee.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen degene is die de vechtpartij is begonnen, zonder dat daar enige duidelijke aanleiding voor was. De verdachte heeft daarmee de start gegeven voor een grote vechtpartij waarbij mensen een groot risico liepen op letsel. Meerdere personen zijn ook daadwerkelijk gewond geraakt. Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis en met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partijen hebben zich gevoegd:
[benadeelde 2]. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 14.774,-. Dit bedrag bestaat in zijn geheel uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde 1]. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 1.130,-. Dit bedrag bestaat in zijn geheel uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van zowel de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] als de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1].
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van beide vorderingen benadeelde partij verzocht om de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren omdat nader onderzoek dient plaats te vinden over de oorzaak van het letsel bij de benadeelde partijen. Een dergelijk onderzoek zou een onevenredige belasting vormen voor het strafproces.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De wet regelt in artikel 6:106 BW Pro de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW Pro komt ander nadeel onder meer voor vergoeding in aanmerking wanneer sprake is van lichamelijk letsel of een aantasting van de persoon op andere wijze.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde 2]
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het letsel bij [benadeelde 2] is veroorzaakt door het openlijke geweld dat heeft plaatsgevonden.
Dat geweld is begonnen door de verdachte. De verdachte en zijn mededaders zijn immers uit de [horecagelegenheid] gezet en vervolgens heeft de verdachte de confrontatie met de andere groep gezocht op het terras. Voor het zoeken van de confrontatie was geen aanwijsbare aanleiding. Als de verdachte en zijn mededaders waren vertrokken, dan had dit geweld niet plaatsgevonden.
De benadeelde partij heeft aansluiting gezocht bij een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam waarbij sprake was van vergelijkbare omstandigheden. Voorts past het gevorderde bedrag binnen de bandbreedte van de Rotterdamse Schaal. Het doel van deze schaal is bij te dragen aan rechtsgelijkheid en consistentie in de toekenning van immateriële schadevergoedingen.
Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van
€ 14.774,- .
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering in zijn geheel toewijzen tot een bedrag van € 14.774,-, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 8 juli 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [benadeelde 2] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 14.774,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,
ten behoeve van [benadeelde 2].
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1]
De rechtbank is van oordeel dat ook de benadeelde partij [benadeelde 1] recht heeft op vergoeding van immateriële schade, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het letsel bij [benadeelde 1] is veroorzaakt door het openlijke geweld dat heeft plaatsgevonden, nu hij door medeverdachte [medeverdachte 2] tegen het hoofd is geschopt.
De benadeelde partij heeft aansluiting gezocht bij een uitspraak van de rechtbank Gelderland waarbij sprake was van vergelijkbare omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. Gelet hierop zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.130,-.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering in zijn geheel toewijzen tot een bedrag van € 1.130,-, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 8 juli 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [benadeelde 1] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.130,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,
ten behoeve van [benadeelde 1].
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 22c, 22d, 36f, 141 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
160 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
80 DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
vordering benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 14.774,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 2];
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.774,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde 2];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 73 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 1.130,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1];
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.130,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde 1];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 11 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.L.E. Bakels, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. K.M. de Groes, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I. Verhagen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.