ECLI:NL:RBDHA:2026:18669

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
09/168854-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 141 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel en toewijzing schadevergoeding

Op 8 juli 2023 pleegde de verdachte samen met mededaders openlijke geweldpleging op het terras van een horecagelegenheid te 's-Gravenhage, waarbij meerdere personen werden geslagen en geschopt. Slachtoffer 1 liep onder meer een hersenschudding en diverse verwondingen op door een trap tegen het hoofd van de verdachte.

De rechtbank heeft op 7 juli 2026 het bewezenverklaarde vastgesteld op basis van videobeelden, verklaringen en proces-verbalen. De verdediging voerde noodweer(exces) aan, maar dit werd verworpen omdat de verdachte zich had kunnen onttrekken aan het geweld.

De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 160 uur, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Tevens werden de schadevergoedingsvorderingen van twee benadeelden, respectievelijk €14.774 en €1.130, inclusief wettelijke rente, toegewezen. De rechtbank hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en het blanco strafblad van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 160 uur taakstraf, subsidiair 80 dagen hechtenis, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/168854-23
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1985 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
BRP-adres: [adres] te [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Verheesen en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. Y. Habib naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 juli 2023 te 's-Gravenhage openlijk, te weten in aanwezigheid
van een grote groep personen, in elk geval op of aan de openbare weg, te weten de
Boulevard en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten [horecagelegenheid]
, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1]
en/of andere nog onbekend gebleven personen door meermalen,
althans eenmaal te schoppen/trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van die
[slachtoffer 1] en/of anderen en/of meermalen, althans eenmaal te slaan/stompen
tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer 2] en/of een of meer anderen terwijl dit
door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding
en/of twee bulten op zijn hoofd en/of een scheur in zijn oor en/of een kapotte lip,
voor [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte primair vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023211490, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 290).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], opgemaakt op 8 juli 2023, voor zover inhoudende (p. 110):
Op zaterdag 8 juli 2023, omstreeks 03:00 werd ik wakker in de ambulance. Ik heb gehoord dat ik door een man tegen mijn hoofd ben geschopt.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2023, voor zover inhoudende (p. 120):
Ik vroeg aan [slachtoffer 1] hoe het met hem ging. Hierop hoorde ik het volgende.
ik heb twee bulten op mijn hoofd, een scheur in mijn oor en een kapotte lip.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 augustus 2023, voor zover inhoudende (p. 140-148):
Op de beelden van [horecagelegenheid] begint het incident. Op het terras van [horecagelegenheid] zie ik [naam 1], [slachtoffer 2], [naam 2], [naam 3], [naam 4] en enige andere
personen die duidelijk bij elkaar horen met elkaar staan praten. ik zie dat [medeverdachte 1] het terras opkomt en dat hij [naam 2] aanspreekt. lk zie dat [medeverdachte 1]
met zijn rechtervuist op het gezicht van [naam 2] slaat.
ik zie dat [medeverdachte 2] een stoel pakt en deze in de groep gooit.
ik zie dat [medeverdachte 2] met kracht een glas gooit naar de groep.
Ik zie dat door [medeverdachte 1] en [verdachte] meerdere vuistslagen worden uitgedeeld aan meerdere personen. ik zie dat iemand ten val komt en dat [verdachte] naar deze persoon zijn hoofd trapt. ik zie dat deze persoon op de grond blijft liggen. ik zie dat [slachtoffer 2] op [medeverdachte 2] komt afrennen en hem kennelijk wil trappen maar onderuitglijdt. Dan zie ik dat [verdachte] met kracht met zijn rechtervuist op het gezicht van [slachtoffer 2] slaat. Ik zie dat [medeverdachte 1] en [naam 2] om en om naar elkaars hoofd slaan
Ik zie dat [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1] weglopen en dat politieagenten er achteraan gaan. Ook zie ik dat de groep waarmee ruzie is erachter aan lopen.
Ik zie dat [medeverdachte 1] met zijn handen geboeid op zijn rug naar groep toeloopt en schopt naar [naam 1] en [naam 3]. Ik zie dat [naam 3] met zijn rechtervuist naar [medeverdachte 1] slaat. Ik zie dat [medeverdachte 1] met zijn schouder een duw geeft aan een onbekend gebleven persoon.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2023, voor zover inhoudende (p. 156-159):
[verdachte] loopt richting het terras van de "[horecagelegenheid]" waar er op dat moment een vechtpartij is ontstaan. Vervolgens probeert hij over het hek te klimmen en krijgt hij een duw van een persoon die een wit T-shirt met vierkant opdruk op de rug aanheeft. Dit blijkt de latere verdachte [naam 2] te zijn. Door deze duw valt [verdachte] op de grond. Ik zie dat [verdachte] opstaat en klappen uitdeelt. Het is niet te zien wie er door hem geslagen wordt. Dan zie ik dat een persoon met een wit shirt valt, ik zie dat [verdachte] deze persoon tegen zijn hoofd schopt. Deze persoon is slachtoffer [slachtoffer 1]. Vervolgens rent [verdachte] achter de latere verdachte [slachtoffer 2] aan en slaat hem kennelijk met kracht met zijn rechtervuist.
Uit de opgenomen en geanalyseerde camerabeelden bleek dat [verdachte] voor het terras van de "[horecagelegenheid]" navolgende strafbare gedragingen heeft geuit richting/ tegenover diverse personen:
• Meerdere keren slaan van onbekend gebleven personen
• Bewusteloos schoppen van [slachtoffer 1]
• Vuistslagen met kracht op hoofd van [slachtoffer 2]
5. Het proces-verbaal van bevindingen , opgemaakt op 2 september 2023, voor zover inhoudende (p. 280):
Op de beelden zie ik dat:
NN1 betreft [naam 2], [geboortedatum 2] 1998
NN2 betreft [slachtoffer 2], [geboortedatum 3] 2003
NN3 betreft [slachtoffer 1], [geboortedatum 4] 1998
NN4 betreft [naam 1], [geboortedatum 5] 1995
NN7 betreft wederom [slachtoffer 2], [geboortedatum 3] 2003
6. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan in raadkamer, van de videobeelden met bestandsnaam beginnend met “[bestandsnaam]” voor zover inhoudende:
De rechtbank neemt waar dat op minuut 03.08 [slachtoffer 1] opspringt. De rechtbank neemt waar dat op minuut 03.09 [slachtoffer 1] valt ter hoogte van een tafel met bank. Op minuut 03:10 ziet de rechtbank dat de verdachte [verdachte] schopt in de richting van [slachtoffer 1] en hem tegen het achterhoofd raakt. Te zien is dat het hoofd bij het raken van de voet van de verdachte [verdachte] als het ware een stukje naar voren schiet. [slachtoffer 1] valt vervolgens achterover en blijft bewegingloos liggen.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de strafverzwarende omstandigheid in de tenlastelegging, te weten het enig lichamelijk letsel tot gevolg hebbend, een specificerend onderdeel is van de tenlastelegging. Dit onderdeel kan volgens de verdediging niet worden bewezen en zonder bewezenverklaring van dat onderdeel kan volgens de verdediging de tenlastelegging in zijn geheel niet worden bewezen.
De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd schopt, nadat [slachtoffer 1] op de grond is gevallen, en dat [slachtoffer 1] direct na de schop bewegingloos op de grond ligt. Er is derhalve geen sprake van een gelijktijdige val waarbij [slachtoffer 1] zijn hoofd zou hebben gestoten. [slachtoffer 1] wordt vervolgens pas wakker in de ambulance. De rechtbank ziet daarin voldoende aanleiding om aan te nemen dat de schop van de verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer 1] het letsel heeft veroorzaakt. De rechtbank verwerpt het verweer.
Op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd terwijl dit geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 8 juli 2023 te 's-Gravenhage openlijk, te weten in aanwezigheid
van een grote groep personen, in elk geval op of aan de openbare weg, te weten de
Boulevard en op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten [horecagelegenheid]
, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1]
en door eenmaal te schoppen tegen het hoofd van die
[slachtoffer 1] en eenmaal te stompen
tegen het hoofd van [slachtoffer 2] en een of meer anderen terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten twee bulten op zijn hoofd en een scheur in zijn oor en een kapotte lip, voor [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

4.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft subsidiair bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat er sprake is geweest van noodweer(exces). De verdachte heeft zichzelf moeten verdedigen en is zelf belaagd, althans heeft gehandeld onder invloed van een hevige gemoedsbeweging.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich aan het geweld had kunnen en moeten onttrekken, dat van noodweer(exces) geen sprake is en dat het bewezenverklaarde strafbaar is.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is vereist dat – in casu – het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] en het stompen tegen het hoofd van [slachtoffer 2] door verdachte, geboden was ter noodzakelijke verdediging tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lichaam. Vereist is dat de gedraging van de verdachte is "geboden door de noodzakelijke verdediging", waarmee de subsidiariteits- als de proportionaliteitseis voor noodweer tot uitdrukking is gebracht.
De noodzaak tot verdediging ontbreekt indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is, dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.
In dit geval was de verdachte samen met zijn mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de [horecagelegenheid] uit gezet. In plaats van te vertrekken liepen zij naar het terras en heeft [medeverdachte 1] een klap uitgedeeld aan iemand van een andere groep bezoekers waarna een grote vechtpartij ontstond met deze groep. Er zijn vervolgens meerdere momenten geweest waarop de verdachte zich kon onttrekken aan het geweld. In plaats van dit te doen heeft hij zelfs een trap uitgedeeld aan iemand die op dat moment op de grond lag en die dus ook geen bedreiging voor hem vormde. Er is geen sprake geweest van een situatie waarin niet van de verdachte kon worden gevergd dat hij zich onttrok aan de aanranding omdat dit geen reëel alternatief was. De rechtbank is van oordeel dat derhalve van een noodweersituatie geen sprake is geweest. De rechtbank verwerpt het verweer.
Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een noodweersituatie behoeft het verweer dat sprake was van noodweerexces geen bespreking. De rechtbank verwerpt het verweer.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om, mocht de rechtbank komen tot oplegging van een straf, een straf op te leggen die recht doet aan het blanco strafblad, het door de verdachte opgelopen letsel als gevolg van de vechtpartij en de overschrijding van de redelijke termijn.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich, samen met twee anderen, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Verdachte heeft tijdens de openlijke geweldpleging mede een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit aangetast. De verdachte heeft daarnaast een groot risico genomen door te schoppen tegen het hoofd van slachtoffer [slachtoffer 1], hij had hiermee levensbedreigend letsel kunnen toebrengen. Op de camerabeelden is te zien dat er ten tijde van het geweld veel uitgaanspubliek aanwezig was. Deze omstanders waren ongewild getuige van geweldshandelingen. Het hoeft geen betoog dat hierdoor gevoelens van angst en onveiligheid bij deze passanten, maar ook in de samenleving in het algemeen, worden versterkt.
Getuige zijn van openlijke geweldpleging verpest voor velen wat een leuk en zorgeloos avondje uit had moeten zijn en weerhoudt sommigen ervan om zich nogmaals op een nachtelijk tijdstip in het uitgaansgebied te begeven. De verdachte verkeerde tijdens het plegen van de feiten onder invloed van alcohol, een dusdanige hoeveelheid dat hij zelf niet meer weet wat er precies is gebeurd. De verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank rekent hem dit alles aan. Helaas was de verdachte niet aanwezig ter terechtzitting zodat de rechtbank niet bekend is geworden hoe de verdachte op zijn handelen terugkijkt en of hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 mei 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig misdrijf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze door zijn raadsman ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. Deze omstandigheden zijn echter niet van dien aard dat zij in strafmatigende zin meewegen bij het bepalen van de straf. Dat de verdachte zelf letsel heeft opgelopen als gevolg van de vechtpartij, acht de rechtbank een voor de verdachte voorzienbare omstandigheid gelet op de geweldplegingen waarmee de verdachte en zijn mededaders zijn begonnen.
Redelijke termijn
De rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden met 11 maanden. De rechtbank houdt hier in strafmatigende zin rekening mee.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] een ernstig risico in het leven heeft geroepen op levensbedreigend letsel. Daarbij komt ook dat één van de twee personen waarmee verdachte bij [horecagelegenheid] was, de vechtpartij is gestart zonder duidelijke aanleiding. Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis en met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partijen hebben zich gevoegd:
[benadeelde]. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 14.774,-. Dit bedrag bestaat in zijn geheel uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 1]. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 1.130,-. Dit bedrag bestaat in zijn geheel uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van zowel de vordering van benadeelde partij [benadeelde] als de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1].
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] verzocht om de vordering af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren nu het causale verband tussen de schade en het handelen van de verdachte ontbreekt. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde] heeft de verdediging verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat elke grondslag voor aansprakelijkheid van de verdachte ontbreekt.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De wet regelt in artikel 6:106 BW Pro de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW Pro komt ander nadeel onder meer voor vergoeding in aanmerking wanneer sprake is van lichamelijk letsel of een aantasting van de persoon op andere wijze.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde]
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het letsel bij [benadeelde] is veroorzaakt door het openlijke geweld dat heeft plaatsgevonden.
Dat geweld is begonnen door de groep van de verdachte. Verdachte en zijn mededaders zijn immers uit de [horecagelegenheid] gezet en vervolgens heeft [medeverdachte 1], één van de mededaders waarmee verdachte daar aanwezig was, de confrontatie met de andere groep gezocht op het terras. Voor het zoeken van de confrontatie was geen aanwijsbare aanleiding. Als de verdachte en zijn mededaders waren vertrokken, dan had dit geweld niet plaatsgevonden.
De benadeelde partij heeft aansluiting gezocht bij een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam waarbij sprake was van vergelijkbare omstandigheden. Voorts past het gevorderde bedrag binnen de bandbreedte van de Rotterdamse Schaal. Het doel van deze schaal is bij te dragen aan rechtsgelijkheid en consistentie in de toekenning van immateriële schadevergoedingen.
Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van
€ 14.774,- .
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering in zijn geheel toewijzen tot een bedrag van € 14.774,-, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 8 juli 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [benadeelde] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 14.774,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,
ten behoeve van [benadeelde].
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]
De rechtbank is van oordeel dat ook deze benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het letsel bij [slachtoffer 1] is veroorzaakt door een schop tegen het hoofd door de verdachte en dat deze schop in het kader van het openlijke geweld in vereniging heeft plaatsgevonden.
De benadeelde partij heeft aansluiting gezocht bij een uitspraak van de rechtbank Gelderland waarbij sprake was van vergelijkbare omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. Gelet hierop zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.130,-.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering in zijn geheel toewijzen tot een bedrag van € 1.130,-, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 8 juli 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [slachtoffer 1] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.130,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,
ten behoeve van [slachtoffer 1].
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 22c, 22d, 36f, 141 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
160 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
80 DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.
vordering benadeelde partij [benadeelde]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 14.774,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde];
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.774,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 73 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 1.130,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1];
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.130,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [slachtoffer 1];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 11 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.L.E. Bakels, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. K.M. de Groes, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I. Verhagen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.