ECLI:NL:RBDHA:2026:18671

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
K/4502/12057950
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.P.M.G. van den Boorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:75 BWArt. 6:94 lid 1 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13/EG
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering parkeerkosten en schadevergoeding wegens treintje rijden in parkeergarage

Q-Park exploiteert een parkeergarage in Den Haag. Gedaagde parkeerde op 19 september 2025 zijn auto en verliet de garage door treintje te rijden, dat wil zeggen dicht achter een voorganger onder de slagboom doorrijden zonder te betalen. Q-Park vordert betaling van parkeerkosten, een aanvullende schadevergoeding en incassokosten.

Gedaagde erkent het treintje rijden maar stelt dat de betaalautomaat en helpknop niet functioneerden, waardoor hij niet kon betalen. Tevens verzoekt hij om matiging van de schadevergoeding wegens onredelijkheid. De kantonrechter oordeelt dat door het binnenrijden een overeenkomst tot stand kwam en dat de betaalplicht niet vervalt door vermeende defecten aan de apparatuur, die onvoldoende zijn onderbouwd.

De camerabeelden en logboeken tonen geen storing aan. Gedaagde had alternatieven kunnen onderzoeken of contact kunnen zoeken met Q-Park. De schadevergoeding van € 382,41 wordt niet als onredelijk hoog beschouwd en dient als prikkel tot nakoming. Daarnaast worden wettelijke rente, incassokosten en proceskosten toegewezen. De vordering wordt grotendeels toegewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van parkeerkosten, schadevergoeding, incassokosten en proceskosten wegens treintje rijden zonder betaling.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
RvdB b
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12057950 \ RL EXPL 26-1043
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Q-Park,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen
[gedaagde partij],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 10 december 2025 met producties 1 t/m 5;
  • de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 13;
  • de akte van Q-Park, waarin een usb met camerabeelden is gedeponeerd en aanvullende productie 6 heeft overlegd; en
  • de reactie hierop door [gedaagde partij] .
1.2.
Op 18 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens de gemachtigde van Q-Park is mevrouw [naam] verschenen. [gedaagde partij] vertegenwoordigde zichzelf. Er is toen met partijen afgesproken de zaak aan te houden tot 3 juni 2026 om te bezien of zij er onderling uit konden komen. Dat is niet gelukt.
1.3.
Tenslotte is de datum van het vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Q-Park exploiteert de parkeergarage Den Haag-Grote Markt (hierna: de ‘parkeergarage’).
2.2.
[gedaagde partij] heeft op 19 september 2025 zijn auto geparkeerd in deze parkeergarage. Bij het inrijden heeft hij gebruikgemaakt van zijn bankpas, waarmee hij bij het uitrijden ook de verschuldigde parkeerkosten wilde voldoen.
2.3.
Op diezelfde dag om 15:34 uur heeft [gedaagde partij] de parkeergarage verlaten door dicht achter een ander voertuig onder de slagboom door te rijden, zonder te betalen. Dit wordt “treintje rijden” genoemd.
2.4.
Op de door Q-Park aangeleverde camerabeelden is te zien dat de voorganger van [gedaagde partij] onder de slagboom door de parkeergarage uitrijdt. [gedaagde partij] volgt direct daarna en rijdt eveneens onder de slagboom door de parkeergarage uit.
2.5.
Op een informatiebord bij de ingang van de parkeergarage wordt verwezen naar de algemene voorwaarden. Dit informatiebord staat voor de slagboom en voor de kaartautomaat. Bij de verschillende uitgangen en op andere plekken in de parkeergarage staan betaalautomaten die een zogeheten ‘helpknop’ hebben. Deze helpknop bevindt zich ook altijd bij een slagboom van een in- en uitgang.

3.Het geschil

3.1.
Q-Park vordert veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 2,10 aan verschuldigd parkeergeld en € 382,41 aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.2.
Q-park baseert haar vordering op het volgende. [gedaagde partij] is op 19 september 2025 de parkeergarage binnengereden waardoor er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Bij het uitrijden heeft [gedaagde partij] treintje gereden en daarmee in strijd gehandeld met de overeenkomst en de algemene voorwaarden. Op grond van artikel 5.5 van de algemene voorwaarden is [gedaagde partij] het parkeergeld en een schadevergoeding verschuldigd. Omdat [gedaagde partij] deze bedragen niet heeft betaald, moet hij ook de wettelijke rente hierover betalen en de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
[gedaagde partij] erkent dat hij treintje heeft gereden, maar stelt dat hij niet kon betalen omdat de betaalautomaat en de helpknop niet werkten waardoor er geen sprake is van opzettelijk onrechtmatig handelen (artikel 6:75 Burgerlijk Pro Wetboek). [gedaagde partij] heeft verder aangevoerd dat, als hij toch schadevergoeding zou moeten betalen, dit bedrag dient te worden gematigd omdat het onredelijk hoog zou zijn.

4.De beoordeling

[gedaagde partij] moet de parkeerkosten betalen
4.1.
Door het binnenrijden van de parkeergarage heeft [gedaagde partij] een overeenkomst gesloten met Q-Park en de algemene voorwaarden geaccepteerd. Bij het inrijden van de parkeergarage was het namelijk voor [gedaagde partij] duidelijk zichtbaar dat hij moest betalen voor het parkeren en dat de algemene voorwaarden hierop van toepassing zijn. [gedaagde partij] heeft echter niet betaald en handelt daarmee in strijd met de overeenkomst. Of de apparatuur al dan niet functioneerde is hierbij niet relevant, omdat de betaalverplichting daarmee niet wordt weggenomen. De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagde partij] de parkeerkosten van € 2,10 moet betalen.
[gedaagde partij] moet ook schadevergoeding betalen
4.2.
[gedaagde partij] vindt dat hij geen schadevergoeding hoeft te betalen. Hij heeft gesteld dat hij niet anders kon dan treintje rijden, omdat de betaalautomaat en/of de hulpknop het op dat moment niet deed. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd waaruit blijkt dat dit het geval zou zijn geweest. De kantonrechter volgt [gedaagde partij] hierin niet.
Q-Park heeft tijdens de mondelinge behandeling onderbouwd dat het niet mogelijk is dat de hulpknop wordt ingedrukt zonder dat hiervan een registratie wordt opgenomen in het logboek. In het door Q-Park overgelegde logboek is geen melding opgenomen die overeenkomt met het tijdstip waarop [gedaagde partij] de parkeergarage heeft verlaten. Er is ook geen registratie zichtbaar in de directe nabijheid van dit uitrijmoment. Op basis daarvan bestaat er geen aanleiding om te twijfelen aan het functioneren van de apparatuur.
4.3.
Verder blijkt uit het door Q-Park overgelegde beeldmateriaal dat de voorgangers van [gedaagde partij] probleemloos de parkeergarage konden uitrijden. Ook dat is een aanknopingspunt dat de apparatuur naar behoren functioneerde. Dat er geen beelden meer zijn van de situatie die aan het treintje rijden voorafging waarmee [gedaagde partij] zijn stelling mogelijk had kunnen aantonen, komt voor zijn eigen rekening en risico. [gedaagde partij] had op eigen initiatief direct of kort na het treintje rijden contact kunnen opnemen met Q-Park om zo een beroep te kunnen doen op de camerabeelden. Dat heeft hij echter niet gedaan.
4.4.
Maar zelfs al zou de apparatuur niet hebben gefunctioneerd, dan nog leidde dat er niet toe dat [gedaagde partij] de parkeergarage mocht verlaten door treintje te rijden. In dat geval had hij eerst moeten onderzoeken of er andere mogelijkheden waren. Dat heeft hij niet gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] verklaard dat hij geen andere mogelijkheden heeft onderzocht, zoals het gebruik van een andere betaalautomaat, het uitrijden via een andere uitgang of contact zoeken met Q-Park via het algemene telefoonnummer. Naar eigen zeggen had [gedaagde partij] daartoe wel de gelegenheid, aangezien hij zijn voertuig aan de kant kon zetten zodat andere auto's konden passeren. Van omstandigheden die hem dwongen om direct achter een voorganger aan uit te rijden, is dan ook niet gebleken. [gedaagde partij] dient daarom de aanvullende schadevergoeding betalen.
De hoogte van de schadevergoeding is niet onredelijk
4.5.
Q-Park vordert schadevergoeding op grond van artikel 5.5 van haar algemene voorwaarden. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-Park de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd en of de bedingen in de gesloten overeenkomst oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EG (
Richtlijn oneerlijke bedingen). De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en in de algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen over de gevorderde hoofdsom, de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter moeten worden vernietigd. Een beding kan bijvoorbeeld oneerlijk zijn als het beding tot doel heeft om een consument die zijn verplichtingen niet nakomt een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.
4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat de schadevergoeding uit artikel 5.5 van de algemene voorwaarden niet onredelijk hoog is en in redelijke verhouding staat tot de (te verwachten) schade door het treintje rijden, zoals hierna wordt toegelicht.
4.7.
[gedaagde partij] heeft gevraagd de schadevergoeding te matigen omdat het onredelijk hoog zou zijn. Matiging op grond van artikel 6:94 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek is volgens de wet en vaste rechtspraak alleen aan de orde als toepassing ervan in die situatie tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van het bedrag, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.
4.8.
De kantonrechter ziet in de voorliggende situatie geen reden tot matiging. Artikel 5.5 is een schadevergoedingsbeding, waarin staat dat een klant die treintje rijdt een aanvullende schadevergoeding van € 382,41 moet betalen. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing van Q-Park van de hoogte van de schadevergoeding, is dit bedrag ook in dit geval niet onredelijk. Het forfaitaire bedrag van € 382,41 dient volgens Q-Park namelijk als prikkel tot nakoming (uitrijden nadat er is betaald) en mag in dat opzicht voldoende afschrikwekkend zijn om te ontmoedigen dat direct achter de voorganger naar buiten wordt gereden. Bovendien staat het in redelijke verhouding tot het belang van Q-Park en dient het voor vergoeding van algemenere schade, zoals de inzet van personeel en apparatuur met betrekking tot het voorkomen van en klachten over treintje rijden. Verder kan treintje rijden leiden tot kopieergedrag, schade aan de slagboom bij het uitrijden en een onveilig gevoel in de parkeergarage.
Wettelijke rente
4.9.
Omdat [gedaagde partij] het parkeergeld en de schadevergoeding niet op tijd heeft betaald, is hij de wettelijke rente verschuldigd. Deze zal worden toegewezen vanaf de datum van het treintje rijden, namelijk 19 september 2025.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
Q-Park vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom controleert de kantonrechter of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Q-Park heeft aan [gedaagde partij] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 57,68 worden toegewezen.
[gedaagde partij] moet de proceskosten betalen
4.11.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Q-Park worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
474,78

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 384,51, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 57,68 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 464,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart de veroordelingen in 5.1. tot en met 5.3. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.M.G. van den Boorn en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.