Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden.
5.1. Dit gebrek maakt de maatregel pas onrechtmatig als de met de maatregel gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad, aangezien eisers gemachtigde na het verhoor in het kader van de ophouding aanwezig is geweest voor het gehele gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel. Zoals ook blijkt uit de M110 (het proces-verbaal van gehoor). Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de belangen die met de bewaring zijn gediend, niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek. De rechtbank zal verweerder vanwege het geconstateerde gebrek, wel veroordelen in de proceskosten.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
(25 juni 2026).De uitspraakdatum blijft ongewijzigd. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, ondertekend en bekend gemaakt op
(2 juli 2026).