ECLI:NL:RBDHA:2026:18678

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/09/703965 KG ZA 26-434
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming rechterlijke uitspraken over levering woning en taxatiewaarde in echtscheidingsgeschil

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk eigenaar van een woning in Spanje. De man is volgens onherroepelijke rechterlijke uitspraken eigenaar van de woning geworden en moet de vrouw de helft van de waarde vergoeden. De waarde is bindend vastgesteld op €240.000 door een door partijen gekozen taxateur. De vrouw betwist de deskundigheid van deze taxateur en stelt een hogere waarde van €371.664,02.

De rechtbank oordeelt dat partijen gebonden zijn aan de taxatie van €240.000, omdat de vrouw zelf de taxateurs heeft voorgesteld en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het taxatierapport onaanvaardbaar is. De vrouw moet haar aandeel in de woning aan de man leveren en medewerking verlenen aan de overdracht.

De man heeft een vordering van €120.280,84 op de vrouw, die hij verrekent met de helft van de taxatiewaarde. De rechtbank bevestigt dat verrekening mogelijk is, ondanks dat de vrouw een hogere partneralimentatievordering heeft. De vordering tot betaling van het restantbedrag wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

De rechtbank legt een dwangsom op voor het geval de vrouw niet meewerkt en wijst de vordering van de vrouw om af te rekenen op basis van de hogere taxatie af. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan levering woning tegen taxatiewaarde van €240.000; hogere taxatievordering wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703965 KG ZA 26-434
Vonnis in kort geding van 4 juni 2026
in de zaak van
[de man]te [woonplaats] ,
eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. J.A.J. Hendriks,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. J.A. Hoste.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 mei 2026 met producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord met voorwaardelijke eis in reconventie, met producties 1 tot en met 12;
- de door de man overgelegde pleitnotitie.
1.2.
Op 21 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunt toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2018 is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de man met ingang van 21 februari 2018 een bedrag van € 4.790 bruto per maand aan de vrouw moet betalen aan partneralimentatie.
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 mei 2018 is de partneralimentatie bij wijze van voorlopige voorziening met ingang van 21 februari 2018 gewijzigd naar € 2.654 bruto per maand.
2.4.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 januari 2019 is de echtscheiding uitgesproken. De partneralimentatie is vastgesteld op € 1.888 bruto per maand vanaf de datum dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Daarnaast heeft de rechtbank Den Haag beslist dat de woning te [plaats 1] , Spanje, [adres] (hierna: de woning) – onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand – wordt toegedeeld aan de man tegen een nog vast te stellen waarde. Die waarde wordt bindend vastgesteld door een makelaar. Daartoe moet de vrouw drie makelaars voorstellen, waaruit de man er één moet kiezen. Voor de waarde van de woning wordt uitgegaan van de waarde op de datum van de taxatie. Daarnaast heeft de rechtbank beslist dat de taxatiewaarde boven het – door partijen geïnvesteerde – bedrag van € 162.954,80 bij helfte door partijen moet worden gedeeld en dat de vrouw een bedrag van € 42.954,80 moet ontvangen wegens investeringen in de woning vanuit haar privévermogen. Indien de taxatiewaarde minder dan € 162.954,80 bedraagt, moet het mindere door partijen bij helfte worden gedeeld, zodat de man in dat geval € 42.954,80 minus de helft van het mindere aan de vrouw moet betalen.
2.5.
Op 23 mei 2019 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.6.
Bij beschikking van 27 mei 2020 heeft het gerechtshof Den Haag, voor zover relevant, de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 januari 2019 vernietigd voor zover is beslist dat de taxatiewaarde boven het bedrag van € 162.954,80 bij helfte door partijen moet worden gedeeld en dat de vrouw daarnaast een bedrag van € 42.954,80 moet ontvangen dan wel dat de man € 42.954,80 minus de helft van het mindere aan de vrouw moet betalen indien de taxatiewaarde minder dan € 162.954,80 bedraagt. Het hof heeft op dit punt geoordeeld dat de man een vorderingsrecht heeft op de vrouw van € 120.280,84 en de vrouw veroordeeld om dat bedrag aan de man te betalen. Ten aanzien van de woning heeft het hof overwogen dat beide partijen het er over eens zijn dat de vrouw haar aandeel in de woning overdraagt aan de man en dat geen geschilpunt bestaat over de wijze waarop de waarde van de woning moet worden vastgesteld. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank op deze punten bekrachtigd. Verder heeft het hof de beschikking ten aanzien van de partneralimentatie vernietigd en beslist dat de man € 161 partneralimentatie aan de vrouw moet betalen vanaf de datum dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.7.
Bij beschikking van 3 augustus 2021 heeft de rechtbank Den Haag de door het hof vastgestelde partneralimentatie als volgt gewijzigd:
“- vanaf 23 mei 2019 tot en met 31 december 2019 € 6.476,- maand:
- vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 € 6.638,- per maand, en
- vanaf 1 januari 2021 € 6.837.- per maand;”
2.8.
Bij arrest van 8 april 2022 heeft de Hoge Raad de beschikking van het hof van 27 mei 2020 vernietigd voor zover niet in het dictum was beslist dat de man de helft van de vast te stellen taxatiewaarde van de gemeenschappelijke woning aan de vrouw moet voldoen. De Hoge Raad heeft vervolgens zelf bepaald dat de man de helft van de vast te stellen taxatiewaarde van de woning aan de vrouw moet voldoen.
2.9.
Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 14 december 2022 is de beschikking van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2021 bekrachtigd.
2.10.
Per e-mail van 16 mei 2024 heeft de advocaat van de vrouw de advocaat van de man onder meer als volgt bericht:
“Cliënte stelt voor dat uw cliënt kiest uit de volgende drie taxateurs:
- [taxateur 2] Real estate, gevestigd te [plaats 2] ;
- [taxateur 2] Sl, gevestigd te [plaats 3] ;
- [taxateur 3] Inmobiliaria, gevestigd te [plaats 1] .”
2.11.
De man heeft op 9 juli 2024 gekozen voor [taxateur 3] Inmobiliaria (hierna: [taxateur 3] ). Partijen hebben vervolgens op 19 juli 2024 gezamenlijk opdracht gegeven aan [taxateur 3] om de woning te taxeren buiten aanwezigheid van partijen.
2.12.
Op 24 juli 2024 heeft [taxateur 3] de woning buiten aanwezigheid van partijen getaxeerd. Op 25 juli 2024 heeft [taxateur 3] een taxatierapport uitgebracht, waarin de waarde van de woning is getaxeerd op € 240.000.
2.13.
Op verzoek van de vrouw heeft [taxateur 4] SA een tweede taxatie laten uitvoeren. In het rapport van [taxateur 4] SA van 7 maart 2025 is de woningwaarde getaxeerd op € 371.664,02.
2.14.
Ter zitting van de rechtbank Den Haag van 16 mei 2025 hebben partijen voorwaardelijk een minnelijke regeling getroffen, op basis waarvan de man – samengevat – een bedrag van € 100.000 aan de vrouw zou betalen, waarna de vrouw haar aandeel in de woning aan de man zou overdragen. Ook werd in dat geval over en weer finale kwijting verleend, ook ten aanzien van partneralimentatie.
2.15.
Op 11 juli 2025 heeft de advocaat van de vrouw de rechtbank Den Haag bericht dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan de afspraken die ter zitting van 16 mei 2025 zijn gemaakt, waarna het verzoek van de man om de partneralimentatie met ingang van 21 februari 2018 te wijzigen in die zin dat de partneralimentatie op nihil wordt vastgesteld, bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 12 december 2025 is afgewezen. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. De zaak wordt inhoudelijk behandeld op 16 juli 2026.
2.16.
Per e-mail van 1 april 2026 heeft de man verklaard dat hij zijn vergoedingsrecht van € 120.280,84 verrekent met de helft van de getaxeerde waarde van de woning (€ 120.000).

3.Het geschil

3.1.
De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis volledige medewerking te verlenen aan de levering van haar onverdeelde aandeel (van ½) in de woning gelegen aan [adres] , [plaats 1] , Spanje, aan de man, in overeenstemming met de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 januari 2019, zoals bekrachtigd door het hof en de Hoge Raad, waarbij de waarde van de woning wordt bepaald op € 240.000 conform het bindende taxatierapport van [taxateur 3] ;
II. de vrouw veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis:
a. hetzij in persoon naar Spanje te reizen en bij een Spaanse notaris de notariële akte van beëindiging van mede-eigendom te ondertekenen en volmacht te verlenen aan de in Spanje bevoegde gestoria en advocaat voor alle werkzaamheden die vallen onder de beëindiging van het mede-eigendom;
b. hetzij bij een notaris in Nederland een notariële volmacht te laten opmaken en te ondertekenen, voorzien van een Spaanse apostille, waarin zij aan de in Spanje bevoegde gestoria en advocaat volmacht verleent om in haar naam de notariële akte van beëindiging van mede-eigendom te ondertekenen en alle verdere werkzaamheden die vallen onder de beëindiging van het mede-eigendom uit te voeren, zulks op kosten van de vrouw;
III. de vrouw veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de man te betalen een bedrag van € 280,84 te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 120.280,84 vanaf 27 mei 2020 tot aan de dag van betaling;
IV. de vrouw veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 1.000 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 50.000 voor het geval de vrouw niet binnen de gestelde termijn voldoet aan de veroordelingen zoals gevorderd onder I. en II., met dien verstande dat de man wordt gemachtigd om de rechtshandelingen onder I. en II. zelf te verrichten namens de vrouw als het maximum aan dwangsommen is bereikt;
V. de vrouw veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De verplichting tot levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man vindt zijn grondslag in een reeks bindende rechterlijke uitspraken over de verdeling van de woning. Partijen hebben in overeenstemming met deze uitspraken uitvoering gegeven aan de taxatieopdracht en de waarde van de woning is bindend vastgesteld op € 240.000. De vrouw is gerechtigd tot de helft van dit bedrag, aldus tot een bedrag van € 120.000. Die vordering van de vrouw op de man valt weg tegen de vergoedingsvordering die hij op haar heeft van € 120.280,84. Na verrekening resteert een betalingsverplichting van de vrouw aan de man van € 280,84, te vermeerderen met wettelijke rente over € 120.280,84 vanaf 27 mei 2020.
3.3.
De vrouw is het daarmee niet eens en voert het volgende aan. De rechtbank heeft bepaald dat de woning door een deskundige makelaar moest worden getaxeerd. [taxateur 3] is – zo is inmiddels gebleken – geen deskundige makelaar en wordt niet als taxateur erkend door Spaanse banken. De woning is dus niet getaxeerd op de door de rechtbank en het hof bedoelde manier en de taxatie is reeds daarom niet bindend. Verder is het taxatierapport van [taxateur 3] te summier, inhoudelijk onjuist en wijkt de taxatiewaarde van [taxateur 3] te veel af van de taxatiewaarde van [taxateur 4] SA, een erkend taxatiekantoor dat wel deskundig is. De man kan geen beroep doen op verrekening omdat de vrouw een hogere vordering op hem heeft vanwege partneralimentatie. Zij heeft steeds aanspraak gemaakt op betaling van de vastgestelde bedragen en verrekening door de man is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
3.4.
De vrouw vordert op haar beurt in voorwaardelijke reconventie, namelijk onder de voorwaarde dat de vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan de levering van de woning aan de man, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat de overdracht plaatsvindt op basis van de door [taxateur 4] SA vastgestelde taxatiewaarde van € 371.664,02, en dat de overdracht zal plaatsvinden nadat de man de helft daarvan, € 185.832,01, aan de vrouw heeft voldaan of daarvoor genoegzaam zekerheid heeft gesteld, met veroordeling van de man in de proceskosten.

4.De beoordeling van het geschil

inleiding
4.1.
Partijen zijn getrouwd geweest en inmiddels al jaren gescheiden. Zij hadden geen gemeenschap van goederen, maar zijn wel samen eigenaar van een de woning in Spanje. Bij de echtscheiding was duidelijk dat de man (enig) eigenaar zou worden van de woning, waarbij hij de vrouw de helft van de waarde zou vergoeden. Over de waarde waren partijen het niet eens en ook niet over de bedragen die vanwege investeringen verrekend zouden moeten worden. De rechtbank en het hof hebben daarover beslissingen genomen waaraan partijen gebonden zijn. In navolging van die beslissingen is het huis getaxeerd. De man wil dat uitvoering wordt gegeven aan de verdeling tegen de getaxeerde waarde, waarbij hij een beroep op verrekening met zijn door het hof vastgestelde vergoedingsvordering op de vrouw van ruim €120.000. De vrouw is het daarmee niet eens. Het is voor haar onverteerbaar dat zij de facto niets krijgt en de man nog moet betalen, met name omdat zij al sinds 2017 ondanks onherroepelijke beslissingen daarover geen partneralimentatie heeft ontvangen. Zij vindt de taxatie onbegrijpelijk laag, betoogt dat op grond van een in opdracht van haar verrichte taxatie moet worden afgerekend en dat haar ten aanzien van de vergoedingsvordering van de man een beroep op verrekening toekomt vanwege de beslissingen over de partneralimentatie.
4.2.
De voorzieningenrechter zal vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie en de daarvoor relevante feiten en omstandigheden, die vorderingen gezamenlijk beoordelen en eerst ingaan op de voorvraag of de vordering in kort geding kunnen worden behandeld.
4.3.
De vrouw betwist dat de man spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, omdat sinds de beschikking van het hof van 27 mei 2020 al duidelijk is dat de vrouw haar aandeel in de woning aan de man moet overdragen en de man in de jaren daarna geen enkele actie heeft ondernomen om tot de overdracht van de woning over te gaan. Het tijdsverloop leidt ertoe dat een spoedeisend belang volgens de vrouw ontbreekt.
4.4.
Dat verweer wordt gepasseerd. Het tijdsverloop doet niet af aan het belang van de man bij naleving van de onherroepelijke beslissing van het hof, waardoor hij enig eigenaar wordt van het huis in Spanje.
4.5.
De vrouw heeft verder als verweer gevoerd dat de vorderingen zich niet lenen voor een behandeling in kort geding, omdat sprake is van een groot aantal geschilpunten van feitelijke en juridische aard over de verdeling van de woning. Volgens de vrouw is nader feitenonderzoek en/of nadere bewijslevering nodig om tot een afgewogen oordeel te komen en daarvoor is in kort geding geen plaats. De voorzieningenrechter volgt de vrouw daarin niet. Op basis van de stukken en de toelichting daarop van partijen kan de voorzieningenrechter in dit kort geding een beslissing nemen over de vorderingen.
inhoudelijke beoordeling
4.6.
De rechtbank en het hof hebben beslist dat een deskundige makelaar de woning moest taxeren om de waarde te bepalen en dat de vrouw daartoe drie makelaars aan de man moest voorstellen, waaruit de man er één moest kiezen. Verder is beslist dat die taxatie voor partijen bindend zou zijn.
4.7.
De door de vrouw aangevoerde bezwaren tegen het taxatierapport en de deskundigheid van [taxateur 3] maken naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende aannemelijk dat partijen in weerwil van de onherroepelijke beslissing daarover niet aan de taxatie gebonden zijn. Daarbij ligt de lat hoog; een bindend advies kan enkel worden aangetast als gebondenheid aan het advies in verband met inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is hier naar het zich laat aanzien niet aan de orde. Daartoe is het volgende redengevend.
4.8.
Overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank en het hof is de woning getaxeerd door een van de drie door de vrouw geselecteerde makelaars. Zij kan nu niet achteraf met succes klagen over het feit dat het uitvoeren taxaties niet op de website van [taxateur 3] wordt genoemd onder de dienstverlening en het feit dat [taxateur 3] niet op een lijst staat van door Spaanse banken erkende makelaars. Als zij dat van belang had gevonden had zij dat bij haar selectie destijds moeten laten meewegen.
4.9.
Ook de inhoud van het taxatierapport maakt niet dat voldoende aannemelijk is dat partijen daaraan niet gebonden zijn. Uit het taxatierapport van [taxateur 3] volgt dat rekening is gehouden met onder meer de staat van de woning en met referentiepanden. Dat het rapport kort is en de taxatie naar het oordeel van de vrouw onvoldoende is onderbouwd is daarvoor niet genoeg. Daarbij is ook van belang dat zij na het uitkomen van het rapport niet – in overleg met de man – om een verdere onderbouwing heeft gevraagd. Ook het feit dat de taxatiewaarde significant afwijkt van de taxatie door [taxateur 4] SA kan de vrouw niet baten, reeds omdat [taxateur 4] SA slechts een geveltaxatie uitvoerde, waarbij is uitgegaan van een goede staat van onderhoud en, naar door de vrouw niet is weersproken, geen rekening is gehouden met het feit dat het zwembad en de kelder niet gelegaliseerd zijn.
4.10.
De vrouw heeft verder aangevoerd dat zij vermoedt dat [taxateur 3] door de man is beïnvloed, omdat de helft van de taxatiewaarde vrijwel gelijk is aan het vorderingsrecht van de man op de vrouw. Dat vermoeden is echter op geen enkele manier onderbouwd, zodat niet aannemelijk is geworden dat de man enige ongeoorloofde invloed op [taxateur 3] heeft uitgeoefend.
4.11.
De conclusie is dat niet voldoende aannemelijk is dat de vrouw niet is gebonden aan de door [taxateur 3] getaxeerde waarde zodat zij haar haar aandeel in de woning aan de man moet overdragen tegen betaling door hem van de helft daarvan, € 120.000.
4.12.
Op grond van de onherroepelijke beschikking van het hof van 27 mei 2020 moet de vrouw aan de man € 120.280,84 betalen. De man heeft op 1 april 2026 een beroep gedaan op verrekening en verklaard dat hij zijn vergoedingsrecht van € 120.280,84 verrekent met de vordering van de vrouw die bestaat uit de helft van de getaxeerde waarde van de woning (€ 120.000).
4.13.
Voor een geslaagd beroep op verrekening is vereist dat (i) partijen over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn, (ii) de prestatie aan de schuld beantwoordt, (iii) sprake is van bevoegdheid tot betaling en (iv) nakoming van de vordering afdwingbaar is.
4.14.
Voldoende aannemelijk is dat aan die vier vereisten is voldaan. De man en de vrouw moeten elkaar immers over en weer geldsommen betalen. De vergoedingsvordering van de staat vast en inmiddels is ook duidelijk wat hij aan de vrouw moet betalen bij de verdeling van de woning. De vrouw heeft na de verrekeningsverklaring van de man van 1 april 2026 geen beroep op een weigeringsgrond heeft gedaan en heeft niet de werking daaraan ontnomen door (onverwijld) gebruik te maken van een eigen bevoegdheid tot verrekening. De vrouw voert nu aan dat zij bevoegd is tot verrekening van de vergoedingsvordering met de door de man de betalen partneralimentatie, maar zij heeft zelf geen verrekeningsverklaring uitgebracht. Dat zij (vooralsnog) een hogere vordering heeft op de man, die mogelijk ook ouder is dan zijn vordering op haar, staat volgens de wettelijke regeling niet aan zijn beroep op verrekening in de weg.
4.15.
De voorzieningenrechter begrijpt dat voor de vrouw buitengewoon zuur is dat zij nu, na verrekening, bij verdeling van de woning per saldo een bedrag aan de man moet betalen terwijl hij haar nog niets heeft betaald. Toch maakt dat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onaanvaardbaar dat zij nu uitvoering moet geven aan de eerdere beslissingen over verdeling van de woning en de vergoedingsvordering van de man.
conclusies ten aanzien van de vorderingen van de man, in conventie
4.16.
De vrouw moet haar volledige medewerking verlenen aan de levering van haar aandeel in de woning aan de man op basis van het taxatierapport van [taxateur 3] . De man heeft zijn vorderingen nader gespecificeerd in die zin dat de vrouw moet worden veroordeeld om ofwel naar Spanje moet afreizen om bij een Spaanse notaris een notariële akte van beëindiging van mede-eigendom te ondertekenen en daarbij volmacht te verlenen aan de in Spanje bevoegde gestoria en advocaat voor alle werkzaamheden die vallen onder de beëindiging van het mede-eigendom, ofwel bij een notaris in Nederland een notariële volmacht te laten opmaken en te ondertekenen, voorzien van een apostille, waarin zij aan de in Spanje bevoegde gestoria en advocaat volmacht verleent om in haar naam de notariële akte van beëindiging van mede-eigendom te ondertekenen en alle verdere werkzaamheden die vallen onder de beëindiging van het mede-eigendom uit te voeren, op kosten van de vrouw. Nu de man hier voldoende belang bij heeft en de vrouw hiertegen geen verweer heeft gevoerd, zal de voorzieningenrechter de vrouw hiertoe veroordelen.
4.17.
De vrouw heeft tot op heden geweigerd om haar medewerking te verlenen aan de overdracht van haar aandeel in de woning aan de man. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is daarom aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. De gevorderde machtiging om de rechtshandelingen namens de vrouw te verrichten wordt afgewezen, nu de man met de op te leggen dwangsom een voldoende effectief dwangmiddel in handen heeft.
4.18.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is ook terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die uit hoofde van onverwijlde spoed meebrengen dat een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede moet betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
4.19.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het belang om betaling te verkrijgen een algemeen belang is dat inherent is aan het hebben van een geldvordering, maar dit maakt de vordering ten aanzien van het restantbedrag, te vermeerderen met wettelijke rente, nog niet spoedeisend. Voor de toewijzing van deze vordering in kort geding heeft de man onvoldoende gesteld terzake het spoedeisend belang. De vordering wordt daarom afgewezen.
4.20.
In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
conclusies ten aanzien van de vorderingen van de vrouw, in voorwaardelijke reconventie
4.21.
De vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan de levering van haar aandeel in de woning aan de man, zodat is voldaan aan de voorwaarde waaronder de voorwaardelijke vordering in reconventie door de vrouw is ingesteld. Uit het voorgaande volgt dat haar vordering om daarbij af te rekenen op grond van de door [taxateur 4] SA getaxeerde waarde wordt afgewezen omdat partijen zijn gebonden aan de taxatie door [taxateur 3] .
4.22.
Ook in reconventie worden de proceskosten gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis volledige medewerking te verlenen om haar aandeel in de woning gelegen aan [adres] , Ciudad [plaats 1] , Spanje (kadastraal bekend als [kadastraal nummer] ) aan de man te leveren, waarbij de waarde van de woning wordt bepaald op € 240.000 en waarbij de vrouw op haar kosten:
ofwel bij een Spaanse notaris de notariële akte van beëindiging van mede-eigendom moet ondertekenen en daarbij volmacht moet verlenen aan de in Spanje bevoegde gestoria en advocaat voor alle werkzaamheden die vallen onder de beëindiging van het mede-eigendom,
ofwel bij een notaris in Nederland een notariële volmacht moet laten opmaken en ondertekenen, voorzien van een apostille, waarin zij aan de in Spanje bevoegde gestoria en advocaat volmacht verleent om in haar naam de notariële akte van beëindiging van mede-eigendom te ondertekenen en alle verdere werkzaamheden die vallen onder de beëindiging van het mede-eigendom uit te voeren;
5.2.
bepaalt dat, indien de vrouw niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen twee dagen voldoet aan enige verplichting tot het verlenen van medewerking als bedoeld in 5.1 onder a. en b. een dwangsom verschuldigd is van € 100 per overtreding en voor elke dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 20.000;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.6.
wijst de vordering af;
5.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
3556