ECLI:NL:RBDHA:2026:18682

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/09/690865 / HA ZA 25-752
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:52 BWArt. 6:89 BWArt. 6:131 BWArt. 6:136 BWArt. 6:233 BW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling en aansprakelijkheid voor werkzaamheden aan stoomketelinstallatie en reparaties

De zaak betreft een geschil tussen twee bedrijven over drie overeenkomsten betreffende onderhoud, reparatie en installatie van een stoomketelinstallatie. [partij A] vordert betaling van een onbetaalde factuur voor werkzaamheden onder Overeenkomst III. [partij B] verzet zich met een beroep op verrekening en opschorting vanwege schade door een eerdere drukexplosie en gebrekkige uitvoering van werkzaamheden onder Overeenkomst I.

De rechtbank oordeelt dat [partij B] de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [partij A] heeft aanvaard, maar niet gebonden is aan de uitsluiting van opschorting en verrekening. Het beroep op verrekening wordt afgewezen omdat de tegenvorderingen niet eenvoudig vast te stellen zijn. Het beroep op opschorting slaagt echter voor de factuur van Overeenkomst III vanwege de samenhang met de schadeclaim uit Overeenkomst II, die reeds deels is toegewezen in een eerdere procedure.

In reconventie vordert [partij B] gedeeltelijke ontbinding en schadevergoeding wegens gebrekkige uitvoering van Overeenkomst I. De rechtbank oordeelt dat deze vorderingen zijn verjaard omdat de verjaringstermijn van twee jaar na ingebrekestelling is verstreken. De vorderingen worden daarom afgewezen. Beide partijen worden veroordeeld in de proceskosten van de tegenpartij.

Uitkomst: De vordering tot betaling wordt afgewezen wegens geslaagd beroep op opschorting; de reconventionele vorderingen wegens gebrekkige uitvoering worden afgewezen wegens verjaring.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/690865 / HA ZA 25-752
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[partij A] B.V., te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. D. Poelsma, te Amsterdam,
tegen
[partij B] B.V., te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. R.J. Stoop, te Alphen aan den Rijn.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 26 augustus 2025, met de producties 1 tot en met 16;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met de producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- het proces-verbaal van de op 16 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling;
- de tijdens de mondelinge behandeling door mr. Poelsma voorgedragen en overgelegde spreekaantekeningen;
- de nadere akte van [partij B] van 6 mei 2026;
- de nadere antwoordakte van [partij A] van 20 mei 2026.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[partij A] is een familiebedrijf dat is gespecialiseerd in het onderhouden en reviseren van ketels. [partij B] produceert en verkoopt ambachtelijke kipspecialiteiten, maaltijden en soepen.
2.2.
Op 29 augustus 2019 heeft [partij B] een koopovereenkomst gesloten met de
curator van het gefailleerde bedrijf [bedrijfsnaam 1] B.V. Per 1 september 2019 heeft [partij B] de activa van de failleerde onderneming overgenomen, waaronder de installaties in de productieruimten waartoe ook de kookketelinstallatie behoorde.
Overeenkomst I
2.3.
Eind september 2019 is tussen [partij B] en [partij A] een
overeenkomst gesloten (hierna: Overeenkomst I) op basis van een mondelinge opdracht van de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) namens [partij B] aan [partij A] . Op grond van deze overeenkomst zou [partij A] de gehele stoomketelinstallatie van [partij B] , inclusief het stoomketelsysteem en eventuele toebehoren, controleren, onderhouden, verbeteren en vervolgens keuren. [partij A] heeft deze werkzaamheden verricht in de periode van 1 oktober 2019 tot en met december 2019. Hiervoor heeft [partij A] de factuur van 10 maart 2020 van € 42.746,91 aan [partij B] verstuurd. Deze factuur is betaald.
Overeenkomst II
2.4.
Op 26 september 2019 heeft [partij B] aan [partij A] een mondelinge opdracht gegeven om een lekkage aan de kookketel te repareren (hierna: Overeenkomst II). Diezelfde dag heeft [partij A] een reparatie uitgevoerd, waarna in de ochtend van 27 september 2019 een drukexplosie heeft plaatsgevonden, met ernstige (letsel)schade en stillegging van de onderneming tot gevolg.
2.5.
Bij deze rechtbank is een procedure gevoerd over de drukexplosie. Bij vonnis van 17 september 2025 heeft de rechtbank [partij A] veroordeeld tot vergoeding van 50% van de door [partij B] geleden schade, nader op te maken bij schadestaat. Tegen dit vonnis is beroep ingesteld.
Overeenkomst III
2.6.
Op of omstreeks 18 februari 2020 is tussen [partij B] en [partij A] een derde (mondelinge) overeenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst zag op de levering en installatie van een spuitank en spuikranen, die onderdeel uitmaken van de stoomketelinstallatie (hierna: Overeenkomst III). De werkzaamheden hebben in de periode van 25 maart 2020 tot en met 6 mei 2020 plaatsgevonden. Hiervoor heeft [partij A] op 22 juni 2020 een factuur van € 17.268,15 aan [partij B] verstuurd. Deze factuur is onbetaald gebleven.
Onderzoek Standard Fasel
2.7.
In opdracht van [partij B] heeft Standard Fasel op 15 januari 2021 een technisch onderzoek bij [partij B] uitgevoerd naar de status van het stoom- en condensaatnet. Hiervan heeft Standard Fasel op 17 januari 2021 een rapport uitgebracht.
Correspondentie
2.8.
Bij brief van 29 juni 2020 heeft [partij B] [partij A] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als een gevolg van de onder 2.4 genoemde drukexplosie.
2.9.
Bij brief van 14 juli 2020 heeft [partij B] aan [partij A] medegedeeld dat zij met betrekking tot de factuur van overeenkomst III een beroep doet op verrekening met de vordering tot schadevergoeding die zij stelt op [partij B] te hebben naar aanleiding van de drukexplosie. Daarnaast doet zij een beroep op opschorting.
2.10.
Bij brief van 29 maart 2021 heeft [partij A] betwist dat [partij B] een beroep toekomt op verrekening of opschorting, en nogmaals om betaling van de factuur van overeenkomst III verzocht.
2.11.
In reactie hierop heeft [partij B] bij brief van 8 april 2021 onder meer geschreven:
‘Overigens geldt ten aanzien van de werkzaamheden waarop de factuur betrekking heeft,
het volgende. De werkzaamheden van uw cliënte waarop de factuur, hadden betrekking
op de opbouw van nieuwe installaties en de keuring van een stoomketel. Na afronding
van de werkzaamheden, heeft cliënte diverse keren bij uw cliënte gereclameerd omtrent
gebreken en storingen in het systeem. Daarop is echter niet door uw cliënte gereageerd.
Een door cliënte ingeschakelde partij heeft vervolgens geconstateerd dat het door uw
cliënte opgeleverde systeem niet aan de wettelijke normen en richtlijnen voldoet. De
door cliënte ingeschakelde partij verschaft op korte termijn een schriftelijke rapportage.
Cliënte is op grond van het bovenstaande aldus tevens van mening dat uw cliënte
toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen in de door
haar uit te voeren werkzaamheden, om welke reden zij (tevens) van mening is de factuur
van uw cliënte niet (geheel) verschuldigd te zijn. Zodra cliënte de rapportage ontvangt,
zal ik u daarover nader berichten.’
2.12.
Bij brief van 29 april 2021 heeft [partij B] aan [partij A] onder meer geschreven:
‘In mijn voornoemde brief gaf ik reeds aan dat na afronding van de werkzaamheden door
uw cliënte, die betrekking hadden op de opbouw van nieuwe installaties en de keuring
van een stoomketel, diverse gebreken aan het licht zijn gekomen. Hoewel cliënte
daarover diverse keren heeft gereclameerd, onder meer omtrent gebreken en storingen
in het systeem, is daarop door uw cliënte niet gereageerd.
Door de gebreken en storingen kwam de productie bij cliënte stil te liggen. Omdat uw cliënte niet reageerde op de reclamaties van cliënte en omdat zich diverse gebreken openbaarden, heeft cliënte een gespecialiseerd bedrijf ingeschakeld en de opdracht gegeven om een onderzoek te verrichten naar de status van de installaties en het inventariseren van knelpunten en noodzakelijke aanpassingen.
Uit het onderzoek van dit gespecialiseerde bedrijf blijkt dat er diverse uiteenlopende gebreken kleven aan de door uw cliënte verrichte werkzaamheden. Samenvattend blijkt dat de werkzaamheden niet volgens de regels en richtlijnen zijn uitgevoerd en dat de algehele installatie niet goed is aangebracht, niet goed functioneert en leidt tot een gevaarzettende situatie.
Vanwege het feit dat het verhelpen van enkele gebreken, vanwege de gevaarlijke en onwenselijke situatie en omdat de productie stil was komen te liggen, geen uitstel kon lijden, zijn die gebreken reeds (al dan niet tijdelijk) verholpen door dit gespecialiseerde bedrijf.
Diverse gebreken en tekortkomingen dienen echter op zeer korte termijn hersteld te worden. Zo zijn in het ketelhuis de reduceerventielen en overdrukventielen niet juist op elkaar afgesteld. In de huidige situatie geven de reduceerventielen drie bar en de overdrukventielen staan ook op drie bar afgesteld. Dit zorgt onder meer voor energieverlies. De leidingen van de overdrukventielen komen aan de buitenzijde naar buiten, maar hier is geen condensleiding bevestigd, waardoor de leidingen kunnen vollopen met neerslag en condens. Hierdoor ontstaat een onveilige situatie, omdat de overdrukklep vast kan komen te zitten. Op de zolder zijn de reduceerventielen en overdrukventielen ook niet juist op elkaar afgesteld. Beiden staan namelijk afgesteld op één bar, terwijl de condensaatleiding zes meter lager zit, zodat dit systeem nimmer kan functioneren.’
2.13.
In reactie hierop heeft [partij A] bij brief van 1 juni 2021 het volgende geschreven:
‘Uit uw brief maak ik op dat uw cliënte van mening is dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van mijn cliënte ten aanzien van werkzaamheden uitgevoerd in de periode tussen 1 oktober 2019 en 14 januari 2020. Dit betrof herstel- en reparatiewerkzaamheden aan de bij uw cliënte aanwezige stoomketel. U stelt dat uw cliënte naar aanleiding van de voornoemde werkzaamheden meerdere gebreken aan de stoomketel ervaart en hier ook meermaals over gereclameerd heeft.
[partij A] heeft haar werkzaamheden conform de geldende veiligheidsvoorschriften uitgevoerd. De afsteldrukken van de beveiligingen van de stoomketel zijn geselecteerd aan de hand van het door de leverancier van de stoomketel aangegeven maximale drukniveau en de in de stoomketel-vergunning vermelde beveiligingsdruk. Reduceerventielen hebben een variabele insteldruk. Die insteldruk is door mijn cliënte afgesteld tijdens het (weer) in bedrijf stellen van de stoomketel. Alle n- en afstellingen daarvan zijn bovendien ook afgestemd met uw cliënte en akkoord bevonden. Voorts wijs ik u erop dat deze instellingen regelmatig door uw cliënte (of een door haar ingeschakelde deskundige partij) gecontroleerd dienen te worden, waarbij het membraam en de impulsleiding van de reduceertoestellen op reguliere basis vakkundig onderhoud behoeven. Mogelijk zijn eventuele ervaren gebreken aan de reduceertoestellen terug te voeren op onvoldoende en/of onkundige controle- en onderhoudswerkzaamheden door uw cliënte.
(…)
Tot slot nog dit. Het is evident dat de door u gestelde - maar non existente - toerekenbare tekortkoming in de nakoming geen grond voor opschorting en/of verrekening kan opleveren. Cliënte behoudt zich ten opzichte van de nog openstaande factuur d.d. 20 juni 2020 (met factuurnummer: Er.11703.130220) dan ook alle rechten voor.’

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I [partij B] veroordeelt tot betaling aan [partij A] van € 17.268,15, te vermeerderen met de contractuele rente van 12% per jaar, althans de wettelijke handelsrente, vanaf 7 juli 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;
II [partij B] veroordeelt tot vergoeding van een bedrag van € 1.583,41 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dagtekening van het vonnis, indien en voor zover [partij B] deze kosten niet voordien heeft voldaan;
III [partij B] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.2.
[partij A] legt aan de vorderingen, samengevat, ten grondslag dat [partij B] in gebreke is gebleven met de betaling voor de onder Overeenkomst III door [partij A] verrichte werkzaamheden.
3.3.
[partij B] concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[partij B] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I voor recht verklaart dat [partij A] toerekenbaar tekort is geschoten jegens [partij B] in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van overeenkomst I en dat [partij A] aansprakelijk is voor de door [partij B] geleden schade als gevolg van de tekortkoming zijdens [partij A] ;
II de koopovereenkomst I gedeeltelijk ontbindt en [partij A] veroordeelt om aan [partij B] te betalen een bedrag van in totaal € 12.222,24 ter zake vermindering van de prijs, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie tot de dag van algehele voldoening;
III [partij A] veroordeelt tot betaling aan [partij B] van een nader in een schadestaatprocedure te bepalen bedrag uit hoofde van aanvullende schadevergoeding ex artikel 6:74 Burgerlijk Pro Wetboek (BW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie tot de dag der algehele voldoening;
IV [partij A] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan.
3.6.
[partij B] legt aan de vorderingen, samengevat, ten grondslag dat uit het rapport van Standard Fasel is gebleken dat de door [partij A] onder Overeenkomst I uitgevoerde werkzaamheden gebrekkig zijn. [partij A] is in gebreke gebleven om de gebreken te herstellen, zodat het verzuim is ingetreden. Daarom kan [partij B] aanspraak maken op gedeeltelijke ontbinding van Overeenkomst I en aanvullende schadevergoeding.
3.7.
[partij A] concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.8.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Overeenkomst III
4.1.
De zaak in conventie heeft betrekking op betaling voor de werkzaamheden onder Overeenkomst III. [partij B] betwist niet dat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd.
Toerekenbare tekortkoming
4.2.
Het primaire verweer van [partij B] houdt in dat zij niet tot betaling gehouden is, omdat [partij A] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen ten aanzien van de door haar geleverde zaken en uitgevoerde installatiewerkzaamheden.
4.3.
Dit verweer gaat niet op. De enkele stelling dat [partij A] toerekenbaar is tekortgeschoten brengt niet mee dat [partij B] niet tot betaling gehouden is, nu zij Overeenkomst III niet heeft ontbonden en ook geen ontbinding van deze overeenkomst vordert.
Mag er worden verrekend of opgeschort?
4.4.
Het subsidiaire verweer van [partij B] strekt tot verrekening dan wel opschorting met de schadevorderingen die zij stelt te hebben op [partij A] met betrekking tot de Overeenkomsten I en II.
Zijn de Metaalunievoorwaarden 2019 van toepassing?
4.5.
[partij A] beroept zich op dit punt op de in artikel 17.4 van de Metaalunievoorwaarden 2019 (hierna: de algemene voorwaarden) opgenomen uitsluiting van opschorting en verrekening. [partij B] betwist dat zij de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden heeft aanvaard. Als de algemene voorwaarden wel van toepassing zijn, stelt [partij B] zich op het standpunt dat de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn, omdat zij geen redelijke mogelijkheid heeft gekregen om van de inhoud daarvan kennis te nemen. Ten slotte acht zij de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat de Overeenkomst III tot stand is gekomen (mede) op basis van een offerte van [partij A] van 14 februari 2020 (onderdeel van productie 1 van [partij A] ) aan een zustervennootschap van [partij B] ( [bedrijfsnaam 2] ), in welke offerte is vermeld dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Uit de e-mail van 18 februari 2020 volgt dat [partij B] vervolgens mondeling opdracht heeft gegeven om, conform de offerte, de werkzaamheden uit te voeren. Voor zover er tussen [bedrijfsnaam 2] en [partij B] ruis is ontstaan over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden, is dat een risico dat aan [partij B] is toe te rekenen. Zij heeft immers gekozen voor deze werkwijze door te communiceren via een zustervennootschap en verwacht mag worden dat de contactpersoon dergelijke relevante informatie doorgeeft, te meer nu zowel [bedrijfsnaam 2] als [partij B] worden aangestuurd door dezelfde personen, namelijk [naam 1] dan wel bedrijfsleider ‘ [naam 2] ’. Nu er na de opdracht niet is geprotesteerd tegen de toepasselijkheid van deze algemene voorwaarden en partijen overeenkomstig aan de slag zijn gegaan, mag worden aangenomen dat [partij B] deze algemene voorwaarden heeft aanvaard. Bovendien heeft [partij A] ook in haar facturen met betrekking tot de eerder gesloten Overeenkomsten I en II al vermeld dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn, zodat voor [partij B] kenbaar was dat [partij A] wilde contracteren onder toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat [partij B] de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden op Overeenkomst III heeft aanvaard.
4.7.
Met betrekking tot het beroep op vernietiging wordt het volgende overwogen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:233 aanhef Pro, sub b BW, geldt dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is indien de gebruiker van de algemene voorwaarden aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Artikel 6:234, eerste lid, BW bepaalt, voor zover nu van belang, dat de gebruiker die mogelijkheid geboden heeft indien hij de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand heeft gesteld. Het ligt op de weg van de gebruiker van de algemene voorwaarden, in dit geval [partij A] , om aan te tonen dat zij een redelijke mogelijkheid als hiervoor bedoeld heeft geboden.
4.8.
Over de terhandstelling is namens [partij A] ter zitting verklaard dat zij in het verleden onder de algemene voorwaarden heeft gecontracteerd met andere bedrijven van [naam 1] en dat [partij A] die voorwaarden tot 2018/2019 altijd afdrukte op de achterkant van haar offertes en facturen. Sinds [partij A] digitaal werkt heeft zij de algemene voorwaarden niet structureel gemaild, maar vast wel eens toegestuurd, aldus nog steeds [partij A] .
4.9.
De rechtbank stelt vast dat uit hetgeen [partij A] heeft verklaard, niet valt af te leiden dat de algemene voorwaarden (al dan niet via [bedrijfsnaam 2] ) aan [partij B] ter hand zijn gesteld voor of bij het aangaan van Overeenkomst III. Niet in geschil is dat [partij B] geen rechtspersoon is als bedoeld in artikel 6:235 BW Pro. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [partij B] niet is gebonden aan de in artikel 14.7 van de algemene voorwaarden opgenomen uitsluiting van opschorting en verrekening.
Beroep op verrekening ten aanzien van Overeenkomst I
4.10.
Ten aanzien van het beroep op verrekening met betrekking tot Overeenkomst I overweegt de rechtbank het volgende. Zoals hierna zal blijken, is de vordering in reconventie die betrekking heeft op Overeenkomst I verjaard. Art. 6:131 lid 1 BW Pro bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening van een vordering niet eindigt door verjaring van die vordering. In dit geval is de vordering op grond van Overeenkomst I niet verjaard op het moment dat de vordering op grond van Overeenkomst III ontstond. Het is dus alsnog voor [partij B] mogelijk om zich op verrekening met deze vordering te beroepen.
4.11.
De rechtbank is echter van oordeel dat er geen sprake is van een verweer waarvan de gegrondheid op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 BW Pro). [partij A] heeft de vordering van [partij B] op grond van Overeenkomst I betwist en daartoe meerdere verweren aangevoerd. Zowel aan de zijde van [partij B] als [partij A] zijn ten aanzien van alle verweren gemotiveerde standpunten ingenomen die een uitgebreide beoordeling van de rechtbank vergen. Nu de rechtbank in reconventie oordeelt dat de vordering is verjaard, worden bij die beoordeling de andere verweren niet beoordeeld. Dit betekent dat de rechtbank deze verweren in conventie alsnog, in het kader van het beroep op verrekening, zou moeten beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat er bij die stand van zaken geen sprake is van een tegenvordering die op eenvoudige wijze is vast te stellen. Dit brengt mee dat het beroep op verrekening met betrekking tot Overeenkomst I wordt afgewezen.
Beroep op verrekening ten aanzien van Overeenkomst II
4.12.
Voor het beroep op verrekening met betrekking tot Overeenkomst II geldt dat er op dit moment nog een procedure loopt over deze tegenvordering, waarin verwijzing naar de schadestaatprocedure is gevraagd. In deze procedure wordt de vordering door [partij A] betwist. Nu zowel de gegrondheid als de omvang van de vordering nog niet vaststaat, is er geen sprake van een verweer waarvan de gegrondheid op eenvoudige wijze is vast te stellen. Daarom slaagt ook het beroep van [partij B] op verrekening ten aanzien van Overeenkomst II niet.
Beroep op opschorting ten aanzien van Overeenkomst II
4.13.
De vraag is vervolgens of [partij B] wel mag opschorten. Op grond van artikel 6:52, eerste lid, BW kan [partij B] haar verplichting tot betaling alleen dan opschorten als [partij B] één of meer opeisbare vorderingen heeft én tussen de verplichting tot betaling aan de ene kant en de opeisbare (tegen-)vorderingen aan de andere kant voldoende samenhang bestaat die de opschorting van de betalingsverplichting kan rechtvaardigen. Samenhang kan onder meer worden aangenomen wanneer de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan (artikel 6:52, tweede lid, BW).
4.14.
Ten aanzien van het vereiste van opeisbaarheid overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het feit dat de omvang van een vordering voorshands nog niet vaststaat, niet meebrengt dat die vordering nog niet opeisbaar is. Ook indien de omvang van een vordering tot schadevergoeding pas in een later stadium komt vast te staan – bijvoorbeeld na bewijslevering, dan wel in een afzonderlijke procedure zoals een schadestaat is die vordering opeisbaar vanaf het moment dat de schade is geleden en aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan. Het ligt op de weg van [partij B] om de door haar gestelde tegenvordering en de omvang daarvan voldoende te onderbouwen, mede in het licht van hetgeen [partij A] op dit punt heeft aangevoerd. Het is vervolgens aan de rechtbank om te onderzoeken of de gestelde tegenvordering bestaat en of de omvang daarvan voldoende is om het beroep op een opschortingsrecht te kunnen rechtvaardigen. Indien nog bewijslevering of een afzonderlijke procedure moet volgen voordat (de omvang van) de tegenvordering vaststaat, zal de rechtbank moeten volstaan met een voorshands oordeel omtrent (de omvang van) die tegenvordering.
4.15.
Vast staat dat [partij A] ter zake van Overeenkomst II bij vonnis van 17 september 2025 is veroordeeld tot vergoeding van 50% van de door [partij B] geleden schade, nader op te maken bij schadestaat. Ten aanzien van deze schadeclaim heeft [partij A] ter zitting aangevoerd dat zij in hoger beroep is gegaan tegen dit vonnis en heeft geklaagd over de vastgestelde feiten en over het oordeel. Zij heeft dat niet verder toegelicht. Bij deze stand van zaken sluit de rechtbank bij haar voorlopig oordeel aan bij het oordeel zoals weergegeven in het vonnis van 17 september 2025 en wordt uitgegaan van een (deels) toegewezen vordering van [partij B] . De vordering van [partij B] is daarmee opeisbaar, zodat in dat kader een beroep kan worden gedaan op opschorting.
4.16.
Met betrekking tot het vereiste van samenhang is de rechtbank van oordeel dat er voldoende samenhang bestaat tussen de vordering van [partij A] uit hoofde van Overeenkomst III en de schadeclaim van [partij B] uit hoofde van de Overeenkomst II. Beide verbintenissen vloeien voort uit zaken die partijen regelmatig en voor een langere periode met elkaar hebben gedaan. Daarnaast acht de rechtbank het beroep op opschorting, gezien deze mate van samenhang en gelet op alle omstandigheden van het geval, ook gerechtvaardigd. Het gaat om een relatief ‘laag’ bedrag in verhouding tot de omvang van de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot Overeenkomst II (die, blijkens de stukken, meerdere tonnen bedraagt) en wordt, zoals gezegd, ingeroepen tussen twee partijen die over een langere periode en regelmatig met elkaar zaken doen. De rechtbank acht het beroep op opschorting daarmee ook proportioneel.
4.17.
Het voorgaande betekent dat het beroep op opschorting met betrekking tot de schadevordering die [partij B] stelt te hebben op [partij A] met betrekking tot Overeenkomst II, slaagt.
Beroep op opschorting ten aanzien van Overeenkomst I
4.18.
Nu het beroep op opschorting met betrekking tot Overeenkomst II slaagt, behoeft het beroep op opschorting ten aanzien van Overeenkomst I verder geen bespreking.
Conclusie
4.19.
Nu [partij B] de betaling van het volledige gevorderde bedrag kan opschorten, komt de vordering van [partij A] niet voor toewijzing in aanmerking.
Proceskosten
4.20.
[partij A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van [partij B] als volgt worden begroot:
- griffierecht € 2.995
- salaris advocaat € 1.306 (2 punten à € 653, volgens tarief II)
- nakosten
€ 189(plus de verhoging zoals vermeld onder de beslissing)
Totaal: € 4.490
4.21.
De over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.
in reconventie
Overeenkomst I
4.22.
De vorderingen in reconventie hebben betrekking op Overeenkomst I.
Klachtplicht / verjaring
4.23.
De rechtbank zal eerst ingaan op de meest verstrekkende verweren van [partij A] , dat [partij B] niet tijdig heeft geklaagd (artikel 6:89 BW Pro), althans dat de vorderingen zijn verjaard (artikel 7:761, eerste lid, BW). Volgens [partij A] heeft [partij B] tot de conclusie van eis in reconventie nooit melding gemaakt van enige gebrek in de uitvoering van Overeenkomst I.
4.24.
De rechtbank is met [partij B] van oordeel dat zij wel eerder heeft geklaagd. In de onder 2.9 genoemde brief van 14 juli 2020 is dat nog niet gebeurd, maar in de onder 2.11 genoemde brief van 8 april 2021 en met name in de onder 2.12 genoemde brief van 29 april 2021 is dat wel het geval. In laatstgenoemde brief wordt onder meer gesteld dat ‘de algehele installatie niet goed is aangebracht, niet goed functioneert en leidt tot een gevaarzettende situatie’. Dat [partij A] deze brief ook zo heeft opgevat blijkt uit de onder 2.13 bedoelde brief van 1 juni 2021, nu daar is vermeld ‘Uit uw brief maak ik op dat uw cliënte van mening is dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van mijn cliënte ten aanzien van werkzaamheden uitgevoerd in de periode tussen 1 oktober 2019 en 14 januari 2020’. Die periode valt binnen het tijdsbestek waarin de werkzaamheden onder Overeenkomst I zijn uitgevoerd.
4.25.
De rechtbank kan echter in het midden laten of [partij B] tijdig heeft geklaagd in de zin van artikel 6:89 BW Pro, omdat de vorderingen van [partij B] zijn verjaard. Dit blijkt uit het volgende.
4.26.
Uit de vorderingen in reconventie maakt de rechtbank op dat [partij B] Overeenkomst I ziet als een koopovereenkomst. Niet in geschil is echter dat [partij A] onder Overeenkomst I werkzaamheden van stoffelijke aard heeft verricht (het verbeteren van de installaties van [partij B] ). Overeenkomst I moet dan ook (in overwegende mate) worden gekwalificeerd als een overeenkomst van aanneming van werk (artikel 7:750 BW Pro).
4.27.
Artikel 7:761 eerste Pro lid, BW bepaalt dat elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaren nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd. Indien de opdrachtgever de aannemer een termijn heeft gesteld waarbinnen deze het gebrek zal kunnen wegnemen, begint de verjaring pas te lopen bij het einde van die termijn, of zoveel eerder als de aannemer te kennen heeft gegeven het gebrek niet te zullen herstellen.
4.28.
[partij B] heeft in haar brief van 29 april 2021 [partij A] in gebreke gesteld en haar gesommeerd uiterlijk 5 mei 2021 te beginnen met de herstelwerkzaamheden. [partij A] heeft hieraan geen gevolg gegeven. Dat betekent dat de verjaringstermijn is aangevangen op 5 mei 2021. Niet gesteld of gebleken is dat deze verjaring binnen twee jaar na 5 mei 2021 is gestuit. Dit betekent dat de vorderingen van [partij B] met betrekking tot overeenkomst I zijn verjaard.
Conclusie
4.29.
De slotsom is dat de vorderingen van [partij B] worden afgewezen.
Proceskosten
4.30.
[partij B] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van [partij A] als volgt worden begroot:
- salaris advocaat € 1.632,50 (2,5 punten à € 653, volgens tarief II)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld onder de beslissing)
Totaal: € 1.821,50
4.31.
De over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [partij A] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [partij B] tot op heden begroot op € 4.490, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij A] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.3.
verklaart de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
5.4.
wijst het gevorderde af;
5.5.
veroordeelt [partij B] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [partij A] tot op heden begroot op € 1.821,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij B] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.6.
verklaart de veroordeling onder 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
type: 1554