Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
2.De beoordeling in het incident
€ 189(plus de verhoging als het vonnis wordt betekend;
Rechtbank Den Haag
In deze zaak betreft het een incident tot aanhouding van een schadestaatprocedure die volgt op een eindvonnis van 3 september 2025. In dat eindvonnis is vastgesteld dat gedaagde toerekenbaar tekortgeschoten is jegens eiser en is veroordeeld tot vergoeding van de helft van de schade.
Gedaagde heeft hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis en verzocht de schadestaatprocedure te schorsen of aan te houden totdat het hoger beroep is afgerond. Zij stelt dat indien het hof haar in het gelijk stelt, de schadestaatprocedure overbodig wordt, wat kosten en tijd bespaart.
De rechtbank overweegt dat de schadestaatprocedure een vorm van tenuitvoerlegging is van het eindvonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Het verzoek tot schorsing komt neer op het schorsen van de tenuitvoerlegging, waarvoor artikel 351 Rv Pro geldt. De belangenafweging leidt tot afwijzing van het verzoek, omdat het belang van eiser bij voortvarend doorprocederen zwaarder weegt dan het belang van gedaagde bij schorsing.
Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident, begroot op €803. De rechtbank houdt verdere beslissingen in de hoofdzaak aan en wijst partijen erop tijdig verhinderdata door te geven voor de mondelinge behandeling.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de schadestaatprocedure wordt afgewezen en gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.