ECLI:NL:RBDHA:2026:18686

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704386 / KG ZA 26-455
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot medewerking verkoop woning en schadevergoeding in kort geding

Partijen, gehuwd sinds 2019 en in echtscheidingsprocedure sinds 2025, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning die zij in november 2025 te koop hebben aangeboden. Na een bod van €570.000 is een koopovereenkomst opgesteld. De vrouw weigerde aanvankelijk de koopovereenkomst te ondertekenen vanwege onenigheid over de lijst van roerende zaken, maar tekende uiteindelijk op 12 mei 2026.

De man vorderde in kort geding dat de vrouw wordt veroordeeld tot volledige medewerking aan de verkoop en levering van de woning, met dwangsommen bij niet-naleving. De vrouw vorderde in reconventie vergoeding van €1.300 voor kosten die zij maakte om bij de zitting aanwezig te zijn, omdat de man het kort geding niet introk.

De voorzieningenrechter oordeelde dat onvoldoende aannemelijk is dat de vrouw de levering zal tegenwerken, mede omdat de koopovereenkomst is getekend en er geen concrete aanwijzingen zijn voor obstructie. De vordering van de man wordt daarom afgewezen. De schadevergoeding van de vrouw wordt ook afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onzekerheid over toewijzing door de bodemrechter. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen tot medewerking verkoop woning en tot schadevergoeding worden afgewezen; partijen dragen eigen proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704386 / KG ZA 26-455
Vonnis in kort geding van 9 juni 2026
in de zaak van
[de man]te [woonplaats],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. L. Rijsdam te Leiden,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. S. Ray te Rotterdam.
Partijen worden hierna ‘de man’ en ‘de vrouw’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 6.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 2 juni 2026. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en op grond van wat er op de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn op 19 juli 2019 met elkaar gehuwd.
2.2.
Momenteel zijn partijen verwikkeld in een echtscheidingsprocedure, die sinds 1 augustus 2025 aanhangig is bij deze rechtbank (bekend onder zaak- en rolnummer C/09/689474 / FA RK 25-5847).
2.3.
Partijen zijn samen eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Partijen hebben afgesproken de woning te zullen verkopen en zij hebben de woning in november 2025 via [makelaarskantoor] (hierna: de makelaar) te koop aangeboden voor een vraagprijs van € 579.000. Er is een bod gedaan van € 570.000 en daarmee hebben partijen ingestemd. Vervolgens heeft de makelaar een koopovereenkomst opgesteld en aan partijen voorgelegd.
2.4.
Bij e-mail van 17 april 2026 heeft de makelaar een ‘lijst van zaken’ aan de vrouw gestuurd. Daarop heeft de vrouw bij e-mail van 22 april 2026 gereageerd dat zij de lijst heeft bestudeerd en verzocht om (een deel van) de roerende zaken van de lijst te verwijderen.
2.5.
Bij e-mail van 23 april 2026 heeft de makelaar een aangepaste koopovereenkomst aan de vrouw gestuurd en de volgende dag heeft de makelaar aan de vrouw verzocht om te laten weten of zij met de koopovereenkomst kan instemmen.
2.6.
Op 25 april 2026 heeft de vrouw aan de makelaar bericht dat zij nog wacht op de aangepaste versie van de ‘lijst van zaken’ en dat de makelaar verder kan gaan met het opstellen van de definitieve koopovereenkomst.
2.7.
Op 11 mei 2026 heeft de man de vrouw in kort geding gedagvaard.
2.8.
Op 12 mei 2026 heeft de vrouw de koopovereenkomst ondertekend. Haar advocaat heeft op 13 mei 2026 de advocaat van de man verzocht om een bevestiging dat het kort geding zal worden ingetrokken.
2.9.
In reactie daarop heeft de advocaat van de man bij op 14 mei 2026 bericht dat de man het kort geding in stand wenst te houden als spreekwoordelijke stok achter de deur.
2.10.
Op 15 mei 2026 heeft de advocaat van de vrouw bericht dat de vrouw zich als gevolg daarvan genoodzaakt ziet om een vliegticket naar Nederland en een hotel voor drie dagen te boeken om bij het kort geding aanwezig te kunnen zijn.
2.11.
Bij e-mail van 21 mei 2026 heeft de advocaat van de man bericht dat het kort geding zal worden ingetrokken als de vrouw toezegt haar volledige medewerking te zullen verlenen aan:
(i) het onthouden van het zoeken van contact met de kopers;
(ii) het ondertekenen van de leveringsakte op 15 juni 2026;
(iii) het akkoord gaan met uitbetaling van het deel van de overwaarde waar tussen partijen geen geschil over is; en
(iv) het onthouden van frustreren van het verkoopproces op enige andere wijze.
2.12.
De overdracht van de woning zal plaatsvinden op 26 juni 2026.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
In de dagvaarding die op 11 mei 2026 werd uitgereikt aan de advocaat van de vrouw, staat dat de man vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw veroordeelt tot het verlenen van volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan verkoop en levering van de woning en uitkering van de overwaarde op basis van de huwelijkse voorwaarden;
II. bepaalt dat het vonnis zo nodig in de plaats zal treden van de benodigde medewerking/toestemming/ondertekening van de vrouw van de verkoop- en leveringsakte en eventuele andere documenten welke nodig zijn voor overdracht van de woning en uitkering van de overwaarde op basis van de huwelijkse voorwaarden;
III. de vrouw verbiedt om het verkooptraject en/of de overdracht en oplevering van de woning op enigerlei wijze te verhinderen (waaronder het rechtstreeks contact opnemen met de kopers), op straffe van een dwangsom van € 2.500 per overtreding met een maximum van € 50.000;
IV. de vrouw veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn eis verminderd voor zover die ziet op de totstandkoming van de koopovereenkomst.
3.3.
De man vreest dat de vrouw geen medewerking zal verlenen aan de levering van de woning op 26 juni 2026 omdat zij zonder goede aanleiding weigerde om de koopovereenkomst te ondertekenen en hun onderlinge verstandhouding is verstoord.
3.4.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.5.
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter de man veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.300.
3.6.
Daartoe voert de vrouw het volgende aan. De man heeft nadat zij de koopovereenkomst op 12 mei 2026 alsnog had ondertekend ten onrechte geweigerd het kort geding in te trekken zodat zij onnodig kosten heeft moeten maken (vliegtickets, hotel, taxi- en advocaatkosten) om bij de mondelinge behandeling van het kort geding aanwezig te kunnen zijn.
3.7.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie
4.1.
Vast staat dat de woning op 26 juni aanstaande aan de kopers moet worden geleverd door het passeren van een notariële akte. Daar moeten de man en de vrouw als huidige eigenaars en verkopers allebei aan meewerken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet voldoende aannemelijk dat de vrouw dat niet zal doen, zodat er geen grond is voor de gevorderde veroordeling. De voorzieningenrechter legt dat oordeel hieronder uit.
4.2.
De vrees van de man dat de vrouw niet zal meewerken, is met name ingegeven door het feit dat de vrouw aanvankelijk niet de koopovereenkomst wilde ondertekenen. Dat is niet genoeg om te vrezen dat zij niet zal meewerken aan de levering van de woning, of de levering zelfs zal tegenwerken. Uit de door partijen overgelegde correspondentie volgt dat medio april 2026 discussie is ontstaan over de lijst met roerende zaken die aan de kopers van de woning zouden worden overgedragen. Op 17 april 2026 heeft de makelaar deze lijst aan de vrouw gestuurd en in reactie daarop heeft zij op 22 april 2026 aan de makelaar verzocht om (een deel van) de roerende zaken van de lijst te verwijderen. De vrouw heeft toegelicht dat zij niet zonder meer akkoord wilde gaan met het achterlaten van haar meubels en de overige roerende zaken en dat vervolgens, in overleg met de makelaar en de kopers, is afgesproken dat de lijst van zaken geen deel zou uitmaken van de koopovereenkomst. Toen dat duidelijk was heeft de vrouw de koopovereenkomst alsnog ondertekend. Deze gang van zaken, die door de man niet is weersproken, kan niet worden aangemerkt als het bewust tegenwerken van de verkoop.
4.3.
Verder heeft de man geen enkel (ander) aanknopingspunt geboden op grond waarvan eraan zou moeten worden getwijfeld dat de vrouw zal meewerken aan de levering van de woning aan de kopers en de verdeling van de verkoopopbrengst. Integendeel: het is juist in het belang van beide partijen dat de levering op de afgesproken datum plaatsvindt. Niet alleen om te voorkomen dat partijen schadeplichtig worden tegenover de kopers, maar ook omdat beide partijen belang hebben bij uitkering van hun deel van de overwaarde. De voorzieningenrechter begrijpt dat de verhoudingen verstoord zijn en dat het – over en weer – lastig is om erop te vertrouwen dat de ander niet toch nog in de aanloop naar de levering drempels zal opwerpen. Partijen moeten immers in onderling overleg regelen dat de notaris de akte kan passeren (waarbij zij al of niet zelf vertegenwoordigd zijn) en dat de woning dan leeg en schoon is en de sleutels kunnen worden overhandigd. Concrete aanleiding om in dat kader nu een gebod of verbod uit te spreken en daar een dwangsom aan te verbinden, is er echter niet. De vorderingen van de man zullen daarom worden afgewezen.
in reconventie
4.4.
De vrouw vordert in reconventie dat de man de door haar gemaakte kosten van
in totaal € 1.300 vergoedt, bestaande uit € 369,20 voor vliegtickets, € 538,80 voor vier hotelovernachtingen, € 204 aan taxikosten en € 188 aan eigen bijdrage voor haar advocaat. De voorzieningenrechter begrijpt uit de stellingen van de vrouw dat zij vindt dat de man onrechtmatig jegens haar handelt door het kort geding door te zetten en daarom is gehouden om de hiervoor genoemde kosten bij wijze van schadevergoeding aan haar te vergoeden.
4.5.
In kort geding worden geldvorderingen alleen toegewezen als daarbij spoedeisend belang bestaat en in hoge mate aannemelijk is dat een bodemrechter die vordering zou toewijzen. Dat is hier niet het geval. De vrouw heeft ten eerste niet onderbouwd waarom zij een spoedeisend belang heeft bij vergoeding van die kosten. Verder geldt dat de man de vordering betwist en dat niet op voorhand duidelijk is dat de door de vrouw gemaakte kosten integraal door de man zouden moeten worden vergoed. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
proceskosten in conventie en in reconventie
4.6.
Omdat partijen gehuwd zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
bw/fjs