ECLI:NL:RBDHA:2026:18687

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704864 / KG ZA 26-488
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:185 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot medewerking verkoop gezamenlijke woning na relatiebeëindiging

Partijen, voormalige partners en ouders van twee minderjarige kinderen, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning die onverdeeld bleef na het beëindigen van hun relatie. In een vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat de woning na twee jaar verdeeld zou worden, tenzij schriftelijk anders overeengekomen. De man verzocht de vrouw medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning en overdracht van haar aandeel vóór 1 juli 2026.

De vrouw weigerde medewerking te verlenen, stellende dat zij nog geen alternatieve woonruimte had gevonden en dat de voorgestelde termijn te kort was. De man stelde dat hij de woning wilde overnemen tegen de getaxeerde waarde en de vrouw de helft van de overwaarde zou betalen, maar kon onvoldoende aantonen dat hij de financiering tijdig rond zou krijgen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst geen concrete verplichting bevat om vóór 1 juli 2026 mee te werken aan de overdracht. Daarnaast was onvoldoende onderbouwd dat de man de woning tijdig kon overnemen. Gezien het belang van de kinderen en het ontbreken van zicht op alternatieve woonruimte voor de vrouw, kon redelijkerwijs niet van haar worden verwacht de woning binnen de gestelde termijn te verlaten. De vorderingen werden daarom afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen tot medewerking aan de verkoop en overdracht van de woning worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een concrete verplichting binnen de gevorderde termijn.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704864 / KG ZA 26-488
Vonnis in kort geding van 9 juni 2026
in de zaak van
[de man 1]te [woonplaats], gemeente [gemeente],
eiser,
advocaat mr. M.J. Zennipman te Den Haag,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats], gemeente [gemeente],
gedaagde,
advocaat mr. S. Burger te Rotterdam.
Partijen worden hierna ‘de man’ en ‘de vrouw’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4;
- de aanvullende productie 5 van de man;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 2 juni 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten verder toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord.
1.3.
Na de mondelinge behandeling volgt dit vonnis.

2.De feiten

Op grond van de stukken en op grond van wat er op de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 (hierna: de kinderen.
Partijen zijn samen eigenaar van de woning aan de [adres], [plaats] (hierna: de woning), waarin zij tot begin maart 2024 hebben samengewoond.
2.2.
Na het eindigen van hun relatie hebben partijen een ouderschapsplan opgesteld, dat zij op 16 maart 2024 hebben ondertekend. Daarin hebben zij afspraken gemaakt over de kinderalimentatie en de zorg voor de kinderen, en zijn zij overeengekomen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw is en zij (gemiddeld) 3,5 dag per week bij de man verblijven.
2.3.
Op 16 maart 2024 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst ondertekend, waarin zij onder meer hebben afgesproken dat het gebruiksrecht van de woning aan de vrouw wordt toegekend en de woning voorlopig onverdeeld blijft. In de vaststellingsovereenkomst staat daarover:

3. VERDELING GEZAMENLIJK BEZIT
(…)
3.6.
Gebruiksrecht gezamenlijke woning
3.6.1.
Aan de vrouw komt per datum ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst het gebruiksrecht van de gezamenlijke woning toe. De man beschikt inmiddels over alternatieve huisvesting, dit is de woning boven zijn café. De man zal zich op de datum van ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst laten uitschrijven van de [adres].
(…)
3.7
Woning blijft onverdeeld
3.7.1.
Partijen spreken af dat de woning onverdeeld blijft, de reden hiervoor is dat beiden het belangrijk vinden dat de vrouw met de kinderen de tijd krijgt om eigen woonruimte te vinden.
3.7.2
Ieder jaar treden partijen in overleg of het besluit om niet te verdelen herzien dient te worden. Indien één van de partijen tijdens dat overleg aangeeft dat hij of zij niet meer achter het onverdeeld laten van de woning kan staan, dan zal de woning op dat moment verdeeld worden. De woning zal in ieder geval na 2 jaar worden verdeeld, tenzij partijen schriftelijk een latere datum overeenkomen.
3.7.3
De waarde van de woning zal worden vastgesteld op datum van verdeling. Het verschil tussen de verkoopwaarde van de woning en de waarde van de hypothecaire geldlening op het moment van overdracht, na aftrek van de kosten, wordt tussen partijen bij helfte verdeed.
(…)
3.7.7
Degene die in de woning blijft zal aan de andere partij een woonvergoeding betalen van € 200,- per maand.
(…)
2.4.
In een brief van 26 maart 2026 heeft de man via zijn toenmalige advocaat aan de vrouw verzocht om mee te werken aan de verdeling van de woning. In deze brief staat, voor zover nu relevant, het volgende:

Artikel 3.7.2 van de overeenkomst bepaalt dat partijen ieder jaar in overleg treden over het onverdeeld laten van de woning. Indien één van de partijen aangeeft niet langer achter het onverdeeld laten van de woning te kunnen staan, dient de woning op dat moment te worden verdeeld. Voorts is expliciet overeengekomen dat de woning in ieder geval na twee jaar zal worden verdeeld, tenzij partijen schriftelijk een latere datum overeenkomen.
Nu deze termijn van twee jaar is verstreken en er geen schriftelijke afspraak tot uitstel is gemaakt, verzoekt mijn cliënt [de vrouw] vriendelijk doch dringend om vrijwillig mee te werken aan de verdeling van de gezamenlijke woning, conform de gemaakte afspraken.
De vaststellingsovereenkomst is bindend en nakoming daarvan kan in rechte worden gevorderd. Van cliënt heb ik begrepen dat u tot en met 3 april 2026 afwezig bent. Reden waarom ik u verzoek om mij uiterlijk woensdag 15 april 2026 aan te geven of uw cliënte medewerking verleent aan de verdeling. Indien zij hieraan haar medewerking niet wil verlenen of bij uitblijven van een reactie of daadwerkelijke medewerking, ziet mijn cliënt zich
genoodzaakt verdere (gerechtelijke) stappen te overwegen teneinde zijn rechten uit de overeenkomst te effectueren.
Ik verzoek u vriendelijk binnen genoemde termijn schriftelijk te bevestigen dat uw cliënte zal
meewerken aan de verdeling van de woning, zodat partijen in goed overleg uitvoering kunnen
geven aan hetgeen is overeengekomen.”
2.5.
Daarop heeft de vrouw middels haar advocaat bij e-mail van 15 april 2026 bericht dat partijen gesprekken met elkaar hebben gevoerd via bemiddeling, onder andere over de verdeling van de woning, en dat de vrouw in dat kader een voorstel heeft gedaan om een hogere gebruiksvergoeding te betalen, omdat het voor haar niet haalbaar was om per
1 april 2026 de woning te verlaten. Ook heeft de vrouw vermeld dat zij de wens tot verdeling van de man begrijpt, maar dat zij niet anders kan dan langer in de woning verblijven totdat zij een andere plek heeft om naartoe te verhuizen.
2.6.
In een brief van 23 april 2026 heeft de man via zijn huidige advocaat het volgende bericht:
“Uw cliënte woont in de woning aan de [adres], [plaats] en van welke woning partijen beiden onverdeeld eigenaar zijn. Partijen hebben bij het uit een gaan van elkaar met elkaar afgesproken dat uw cliënte tijdelijk kon blijven wonen in de woning en dat de woning ná twee jaar zou worden verkocht. Ik verwijs u hierbij naar artikel 3.7.2 van de vaststellingsovereenkomst. Partijen zijn schriftelijk geen latere datum overeengekomen.
Mijn cliënt dient zijn huidige woning uiterlijk 1 juli 2026 te verlaten, met welk gegeven uw cliënte bekend is. Om deze reden hebben partijen de woning laten taxeren en zij zijn het eens geworden over de vraagprijs, te weten € 520.000, en dat de woning zal worden toebedeeld aan mijn cliënt. Mijn cliënt kan de woning voor dit bedrag overnemen en de helft van de overwaarde betalen aan uw cliënte.
Gebleken is echter dat uw cliënte niet wil meewerken aan de verkoop van de woning aan mijn cliënt. Voor de goede orde, uw cliënt is financieel niet in staat om de woning over te nemen.
Uw cliënte heeft aangeboden om aan mijn cliënt een hogere gebruiksvergoeding te betalen, toch is dit géén optie voor mijn cliënt.
Verder geef ik uw cliënte aan dat de kinderen in de woning kunnen blijven wonen.
Uw cliënte zou bij haar moeder kunnen verblijven totdat zij andere woonruimte heeft gevonden.
Gelet op het hiervoor vermelde verzoek ik uw cliënte met spoed mee te werken aan de verkoop van de woning aan mijn cliënt, bij gebreken waarvan ik een kort geding zal starten (…)

3.Het geschil

3.1.
De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw veroordeelt haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de overdracht van de woning aan de man vóór 1 juli 2026;
II. de vrouw veroordeelt tot verlening van haar medewerking aan tekening van de notariële akten en alle overige handelingen die nodig zijn voor de levering van de woning;
III. bepaalt dat bij gebreke van de medewerking van de vrouw tot levering van de woning, aan de man het te wijzen vonnis de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaring van de vrouw zal vervangen en te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de wilsverklaring van de vrouw en van de akten of een deel daarvan, die opgemaakt dienen te worden uit hoofde van de uitvoering van het te wijzen vonnis;
IV. de vrouw veroordeelt om per 1 juli 2026 de woning te verlaten en bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning, voort te zetten;
V. aan de nakoming van de vordering onder I tot en met IV een dwangsom verbindt van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw de veroordeling niet nakomt, met een maximum van € 25.000;
met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
3.2.
Aan de vorderingen legt de man – samengevat – het volgende ten grondslag. Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat de woning na twee jaar zal worden verkocht, tenzij partijen schriftelijk anders zijn overeengekomen. Dat is niet het geval. De vrouw moet dus meewerken aan de overdracht van de woning aan de man maar weigert dat. Het spoedeisend belang van de man bij de vordering is erin gelegen dat hij de woning die hij huurt per 1 juli 2026 moet verlaten en geen vervangende woonruimte heeft, terwijl de vrouw ruim twee jaar de tijd heeft gehad voor het zoeken van eigen woonruimte en zij – gelet op de gebruiksvergoeding die zij nu betaalt en het bedrag dat zij bij verkoop van de woning ontvangt – een wat hogere huur kan betalen voor vervangende woonruimte.
3.3.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in kort geding op basis van een voorlopig oordeel een beslissing wordt gegeven bij wijze van voorlopige voorziening, voor het geval een beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Als je, zoals in deze zaak, vordert dat iemand wordt veroordeeld om ergens aan mee te werken, dan moet dus al voldoende duidelijk zijn dat diegene inderdaad verplicht is om dat te doen. In deze zaak is niet voldoende duidelijk dat de vrouw inderdaad jegens de man verplicht is om mee te werken aan de overdracht van haar aandeel in het huis aan de man vóór 1 juli aanstaande. Dat wordt hieronder uitgelegd.
4.2.
Partijen hebben op 16 maart 2024 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is afgesproken dat de woning na twee jaar zal worden verdeeld, tenzij partijen schriftelijk een latere datum overeenkomen. Inmiddels is die periode van twee jaar verstreken en partijen hebben geen latere datum voor verdeling afgesproken. Dat betekent dat partijen moeten overgaan tot verdeling van de woning, zoals terecht niet ter discussie staat.
4.3.
De vaststellingsovereenkomst bevat echter geen afspraken over de manier waarop de verdeling moet plaatsvinden en op welke termijn de verdeling uitgevoerd moet zijn. Anders dan de man stelt, bestaat er op basis van de vaststellingsovereenkomst dus geen concrete verplichting voor de vrouw om mee te werken aan de overdracht van haar aandeel in de woning aan de man voor 1 juli 2026. Reeds om die reden moeten de vorderingen I en II (die overigens op hetzelfde neerkomen) en III worden afgewezen.
4.4.
Uit de stukken en de toelichting daarop tijdens de zitting begrijpt de voorzieningenrechter dat de man de vrouw wil uitkopen tegen de getaxeerde waarde, waarbij hij de lening overneemt en haar de helft van de netto overwaarde vergoedt en die verdeling wordt uitgevoerd voor 1 juli 2026 en hij per die datum dus enig eigenaar is en ook in de woning kan gaan wonen. In een procedure zou dat neerkomen op het vaststellen van de wijze van verdeling van de woning wordt vastgesteld (in de zin van artikel 3:185 BW Pro), en wel aldus dat (i) de woning aan de man wordt toegedeeld, (ii) hij aan de vrouw de helft van de overwaarde betaalt, uitgaande van de taxatiewaarde van € 520.000, en (iii) hij de hypothecaire geldlening overneemt of oversluit en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontheven, waarbij (iv) de overdracht onder deze voorwaarden plaatsvindt voor 1 juli 2026 en de vrouw wordt veroordeeld om daaraan haar medewerking te verlenen, bij gebreke waarvan dit vonnis dezelfde kracht heeft als haar rechtshandelingen daartoe. In de vorderingen van de man staat niets over de betaling van de overwaarde aan de vrouw en de hypothecaire geldlening, welke aspecten bij de verdeling wel wezenlijk zijn. De vrouw hoeft immers niet haar aandeel in de eigendom aan de man over te dragen als de man haar niet – kort gezegd – kan uitkopen.
4.5.
Voor zover de man meent dat zijn vorderingen zo moeten worden begrepen als in 4.4 uiteengezet en dat langs die lijnen moet worden beslist, geldt het volgende.
4.6.
De vrouw is het met de door de man voorgestelde wijze van verdeling eens. Zij vindt het goed dat de man de woning overneemt, maar 1 juli 2026 is voor haar te snel en zij voert aan dat de man ook niet heeft onderbouwd dat hij dat kan financieren en haar daadwerkelijk kan uitkopen. Dat verweer slaagt.
4.7.
De man heeft een e-mailbericht overgelegd van 19 mei 2026 van – de voorzieningenrechter begrijpt – zijn financieel adviseur, waaruit slechts blijkt dat een eerste inschatting is gemaakt en zijn inkomen “goede kans biedt” om de benodigde financiering zelfstandig te kunnen dragen. Om de financieringsaanvraag concreet te kunnen maken en in te dienen, is volgens de financieel adviseur aanvullende informatie nodig. De man heeft in het geheel niet toegelicht dat, en zo ja wanneer, die benodigde informatie voorhanden is en de aanvraag zal worden ingediend. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat de man de woning kan overnemen, laat staan dat dit vóór 1 juli 2026 rond zou zijn. Het kost in de regel immers weken om dat rond te krijgen zodat het benodigde geld daadwerkelijk beschikbaar is, en voor de overdracht moet vervolgens ook nog een notariële verdelingsakte worden gepasseerd.
4.8.
Als dat al anders zou zijn, dan kan van de vrouw redelijkerwijs niet verwacht worden dat zij vóór 1 juli 2026 de woning verlaat. De man heeft gelijk dat zij er inmiddels al geruime tijd met de kinderen heeft kunnen wonen en dat er nu verdeeld moet worden, maar dat betekent nog niet dat de vrouw nu direct moet vertrekken terwijl zij geen zicht heeft op andere woonruimte, ook niet tijdelijk. Daarbij is van belang dat de minderjarige kinderen van partijen hun hoofdverblijf bij haar hebben. De man heeft voorgesteld dat de kinderen vooralsnog bij hem in de woning kunnen blijven – en dat de vrouw bij haar moeder intrekt – maar daarover zijn partijen het niet eens. Hij heeft ook, voor zover de voorzieningenrechter nu kan zien, pas in april 2026 voor het eerst concreet voorgesteld om zelf de woning over te nemen waarbij de vrouw op korte termijn zou moeten vertrekken. Hij kan nu niet afdwingen dat zij over drie weken de woning verlaat.
4.9.
Gelet op dit alles zullen de vorderingen van de man worden afgewezen.
4.10.
De voorzieningenrechter benadrukt dat deze beslissing niet betekent dat de huidige situatie nog lang moet voortduren. Het is zaak dat partijen daadwerkelijk tot verdeling van de woning komen en de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat zij zich daarvoor maximaal zullen inspannen, mede in het belang van de kinderen.
4.11.
Omdat partijen een affectieve relatie hebben gehad en samen de ouders zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zal de voorzieningenrechter bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
fjs