ECLI:NL:RBDHA:2026:18689

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.664 en NL26.665
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs toegedichte afvalligheid en verslavingsproblematiek

Eiser, een Somalische asielzoeker, diende in februari 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag in maart 2025 af. De rechtbank Utrecht vernietigde dit besluit in juni 2025 wegens gebreken in de beoordeling, met name het ontbreken van specifieke vragen over toegedichte afvalligheid van de islam.

De minister nam een nieuw besluit in december 2025, waarin de asielaanvraag opnieuw werd afgewezen. Eiser verscheen niet op twee aanvullende gehoorzittingen en onderbouwde zijn gestelde verslavingsproblematiek niet met medische documenten. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de identiteit en herkomst geloofwaardig achtte, maar de overige asielmotieven, waaronder de toegedichte afvalligheid en verslaving, ongeloofwaardig vond.

De rechtbank verwierp het beroep van eiser en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat onvoldoende onderbouwde medische problematiek en het niet verschijnen op hoorzittingen kunnen leiden tot afwijzing van een asielaanvraag.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.664 (beroep)
NL26.665 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1987, van Somalische nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Procesverloop

Eiser heeft op 16 februari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 31 maart 2025 afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft dit beroep bij uitspraak van 25 juni 2025 [1] gegrond verklaard, het besluit van 31 maart 2025 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser.
Bij besluit van 31 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser opnieuw afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot het verbieden van zijn uitzetting totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting meegedeeld dat zij niet op de zitting zouden verschijnen.

Overwegingen

Asielrelaas

1. Eiser heeft op 3 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft hieraan het volgende asielrelaas ten grondslag gelegd. Hij heeft verklaard dat hij onder druk van zijn familie in 2015 uit Somalië is vertrokken wegens een erfrechtelijke kwestie en omdat hij een doelwit was wegens zijn werkzaamheden voor de veiligheidsdienst. Eiser heeft daarnaast verklaard dat hij vreest voor Al Shabaab en dat hij niet terug kan keren naar Somalië wegens zijn bekering tot het christendom. Bij terugkeer naar Somalië vreest hij te worden gedood door zijn familie of Al Shabaab.
Het besluit van 31 maart 2025
2. De minister heeft de asielaanvraag van eiser bij besluit van 31 maart 2025 afgewezen als ongegrond. In dit besluit heeft de minister de volgende vier asielmotieven geïdentificeerd:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege een erfenis binnen zijn familie;
Problemen met Al Shabaab;
Bekering tot het christendom.
De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, maar de overige drie asielmotieven niet geloofwaardig bevonden. Eiser komt gelet hierop volgens de minister niet in aanmerking voor een asielvergunning.
De uitspraak van de rechtbank van 3 juli 2025
3. Bij uitspraak van 3 juli 2025 [2] heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep van eiser tegen het besluit van 31 maart 2025 gegrond verklaard. De rechtbank heeft kortgezegd geoordeeld dat de minister in het nader gehoor van 17 maart 2025 ten onrechte geen specifieke vragen heeft gesteld over eisers gestelde afvalligheid van de islam, los van de bekering, en dat de enkele overweging in het besluit dat de afvalligheid onderdeel is van de gestelde bekering onvoldoende is. De minister heeft daarmee volgens de rechtbank in strijd gehandeld met zijn (destijds geldende) Werkinstructie 2022/3 [3] . Omdat de minister tijdens het gehoor niet heeft gevraagd naar de afvalligheid van eiser, heeft de minister eisers verklaringen daarover niet kunnen betrekken bij de beoordeling of er bij de terugkeer van eiser sprake zou zijn van toegedichte afvalligheid. Ook dit vormt een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank heeft het beroep gelet op de geconstateerde gebreken gegrond verklaard, het besluit van 31 maart 2026 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. De minister heeft eiser op 15 oktober 2025 uitgenodigd voor een aanvullend gehoor op 29 oktober 2025. Eiser is niet op dit gehoor verschenen en heeft voorafgaand aan het gehoor ook niet laten weten dat hij niet zou verschijnen. De minister heeft eiser op 8 december 2025 opnieuw uitgenodigd voor een aanvullend gehoor, ditmaal op 22 december 2025. Eiser is ook op dit gehoor niet verschenen en heeft voorafgaand aan het gehoor niet laten weten dat hij niet zou verschijnen.
4.1.
In het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser opnieuw afgewezen als ongegrond. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende vijf asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met Al-Shabaab;
Problemen wegens een ergernis binnen eisers familie;
Bekering tot het christendom;
(Toegedichte) afvalligheid van de islam.
De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht en de overige asielmotieven ongeloofwaardig bevonden. Ten aanzien van de (toegedichte) afvalligheid werpt de minister aan eiser tegen dat hij tweemaal niet voor een aanvullend gehoor is verschenen. Daarom heeft eiser geen oprechte inspanning geleverd om zijn asielaanvraag te staven. Dat eiser in gesprekken met zijn gemachtigde zijn aversie tegen de islam naar voren heeft gebracht, doet hier niet aan af. De stelling van eiser dat hij wegens zijn alcoholgebruik in de problemen komt in Somalië, volgt de minister niet. De minister stelt zich op het standpunt dat van eiser terughoudendheid mag worden verwacht in zijn alcoholconsumptie in Somalië.
Beroepsgronden eiser
5. Eiser voert aan dat de medische aspecten in deze zaak onbelicht zijn gebleven. Eiser gebruikt al jarenlang drugs en alcohol en wordt daarom regelmatig de toegang tot de COA-opvang ontzegd. Eiser is dikwijls verward en niet in staat zijn afspraken na te komen. Ten tijde van de geplande aanvullende gehoren sliep eiser op straat en was hij niet bereikbaar. Eiser voert verder aan dat hij wel degelijk een afvallige van de islam is, waar in Somalië de doodstraf op staat. Het standpunt dat van eiser terughoudendheid mag worden verwacht in zijn alcoholconsumptie, kan volgens eiser niet in stand blijven. Eiser is op dit moment niet in staat om te stoppen met drinken en loopt bij alcoholgebruik in Somalië het risico op zware straffen. Op dit moment is uitzetting daarom onverantwoord. Het had op de weg van eiser gelegen om uitstel van vertrek te verlenen. De minister heeft onvoldoende navraag gedaan bij het COA over het alcohol- en drugsprobleem van eiser.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van medische problematiek die betrokken had moeten worden bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. Eiser is tweemaal een afspraak aangeboden om te beoordelen of sprake was van beperkingen waar bij het horen rekening mee moest worden gehouden. In het adviesformulier van MedTadvies van de afspraak van 6 januari 2025 wordt vermeld dat van dergelijke beperkingen geen sprake was. Daarnaast staat in dit formulier dat eiser is gewezen op regels ten aanzien van middelengebruik ten tijde van het horen. Eiser is vervolgens uitgenodigd voor een nieuwe afspraak met MedTadvies op 13 november 2025. Eiser is niet op deze afspraak verschenen. Eiser heeft verder geen (medische) documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij lijdt aan verslavingsproblematiek. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische situatie. Nu eiser zijn gestelde medische problematiek op geen enkele manier heeft onderbouwd, bestond er voor de minister ook geen aanleiding om bij het COA navraag te doen over het gestelde alcohol- of drugsprobleem van eiser of om hem uitstel van vertrek te verlenen.
6.1.
Voor zover eiser aanvoert dat hem wegens zijn gestelde middelengebruik niet kan verweten kan worden dat hij twee keer niet is verschenen voor een aanvullend gehoor, kan deze stelling om dezelfde reden niet slagen. Eiser heeft verder geen andere redenen aangevoerd voor het niet verschijnen voor dit gehoor. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn asielaanvraag, waaronder zijn gestelde (toegedichte) afvalligheid van de islam, te staven. Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank verder geen concrete aanknopingspunten waardoor de gestelde (toegedichte) afvalligheid toch aannemelijk moet worden geacht. De enkele stelling van eiser dat hij wel degelijk afvallige van de islam is en het een feit van algemene bekendheid is dat hierop in Somalië de doodstraf staat, is hiervoor onvoldoende. De minister heeft dit asielmotief dan ook terecht niet geloofwaardig geacht.
6.2.
Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij lijdt aan een alcohol- of drugsverslaving, kan eiser evenmin worden gevolgd in zijn stellingen dat van hem bij terugkeer naar Somalië geen terughoudendheid in zijn middelengebruik mocht worden verwacht en dat hij wegens de straffen die de consumptie van alcohol staan een reëel risico loopt op ernstige schade.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
8. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.664:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.665:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen
1 weekna de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zaaknummer: NL25.15900.
2.Zie vorige voetnoot.
3.‘Bekeerlingen en afvalligen’.