ECLI:NL:RBDHA:2026:18690

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL25.63145 en NL25.63146
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 30b VwVreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering risicoprofiel Gülen-aanhanger

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 8 augustus 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag bij besluit van 19 december 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening tegen zijn uitzetting.

De rechtbank behandelde het beroep op 25 juni 2026. Eiser stelde dat hij risico loopt op vervolging vanwege zijn werkzaamheden voor een bedrijf dat wordt gelinkt aan de Gülen-beweging, en vanwege bedreigingen door een persoon die hem en zijn familie bedreigde. De minister erkende de geloofwaardigheid van de asielmotieven maar concludeerde dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en niet onder het risicoprofiel van Gülen-aanhangers valt.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit tegenstrijdige passages bevat over de vraag of eiser onder het risicoprofiel valt en dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen risico loopt. Ook ontbrak een beoordeling van de algemene veiligheidssituatie voor Gülen-aanhangers in Turkije. Daarom is het besluit in strijd met artikel 3:46 Awb Pro en wordt het vernietigd.

De rechtbank draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 2.802,-.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over het risicoprofiel en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.63145 (beroep)
NL25.63146 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1988, van Turkse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Procesverloop

Eiser heeft op 8 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Bij besluit van 19 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot het verbieden van zijn uitzetting totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, A. Soydan als tolk in de Turkse taal, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Asielrelaas

1. Eiser heeft op 8 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft hieraan het volgende asielrelaas ten grondslag gelegd. Hij heeft verklaard dat hij in Turkije heeft gewerkt voor het bedrijf [bedrijf] en dat dit bedrijf aan FETÖ (de Gülen-beweging) wordt gelinkt. Een aantal vrienden van eiser zijn opgepakt en eiser werd bang dat ook hij opgepakt zou worden. Nadat hij was vertrokken bij [bedrijf] , heeft eiser anderhalf jaar zonder legaal werk gezeten. Bedrijven wilden hem namelijk niet aannemen toen hij vertelde dat hij bij [bedrijf] had gewerkt. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij in Nederland bij de rechtbank heeft verklaard over de illegale activiteiten van [persoon] , een persoon die hem heeft geholpen bij het verkrijgen van een visum voor Bulgarije. Nadat [persoon] hiermee bekend was geworden, heeft hij eiser en zijn familieleden bedreigd. Verder heeft eiser verklaard dat er in Turkije een rechtszaak tegen hem is geopend wegens witwassen. Omdat eiser niet voor de rechter is verschenen, is een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser door de Turkse autoriteiten te worden vervolgd en gevangen te worden genomen of door [persoon] te worden gedood.
Besluitvorming
2. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege werkzaamheden voor [bedrijf] ;
Problemen met de autoriteiten wegens witwassen;
Problemen vanwege bedreigingen [persoon] .
De minister heeft al deze asielmotieven geloofwaardig geacht. De minister meent echter dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt.
2.1.
Wat betreft de werkzaamheden van eiser voor [bedrijf] volgt de minister dat collega’s van eiser wegens (toegedichte) banden met de Gülen-beweging zijn opgepakt. Eiser is zelf echter niet opgepakt door de autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na zoveel jaren nog steeds in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Dat hij na zijn ontslag in 2017 nog zeven jaar probleemloos in Turkije heeft kunnen wonen, terwijl hij in deze periode wel met de autoriteiten in aanraking is gekomen wegens witwassen, is een sterke indicatie dat hij niet wordt gezocht wegens zijn werkzaamheden.
2.2.
Ten aanzien van de strafrechtelijke procedure wegens witwassen stelt de minister zich op het standpunt dat dit een commuun delict betreft. Personen die voor een dergelijk delict worden vervolgd, komen in beginsel niet voor een asielvergunning in aanmerking, tenzij sprake is van een onevenredig zware bestraffing of discriminatoire vervolging. Dit is volgens de minister in het geval van eiser niet gebleken. De minister volgt eiser niet in zijn stelling dat hier sprake is van een verkapte politieke vervolging. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk niet dat er tegen eiser een strafzaak loopt wegens het zijn van een Gülen-aanhanger.
2.3.
Eiser heeft volgens de minister verder niet aannemelijk gemaakt dat hij voor de problemen met [persoon] geen bescherming kan inroepen van de Turkse autoriteiten. De minister volgt eiser niet in zijn stelling dat hij bij de autoriteiten te boek staat als Gülenist of dat [persoon] invloed kan uitoefenen op de Turkse autoriteiten.
2.4.
De minister concludeert dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op de grond dat eiser zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen en te verijdelen [1] en omdat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. [2]
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen risico op vervolging of ernstige schade loopt?
Standpunt eiser
3. Eiser voert aan dat hij voldoet aan het risicoprofiel van Gülenisten, nu hij jarenlang heeft gewerkt voor [bedrijf] en de minister heeft erkend dat medewerkers van dit bedrijf zijn opgepakt vanwege hun (toegedichte) banden met de Gülen-beweging. De minister stelt ten onrechte dat hij zonder problemen in Turkije heeft kunnen verblijven. Eiser heeft immers verklaard dat hij wegens zijn werk voor [bedrijf] nergens meer werd aangenomen en enkel zwart werk kon verrichtten. De minister kan niet redelijkerwijs van eiser verlangen dat hij de rest van zijn arbeidsleven uitsluitend zwart werk kan verrichten. Eiser wijst er daarnaast op dat de jacht op Gülenisten in Turkije nog altijd gaande is. Hij loopt een verhoogd persoonlijk risico omdat hij voor een ‘Gülen-bedrijf’ heeft gewerkt en omdat hij al bij de Turkse autoriteiten in de belangstelling staat wegens de vervolging voor witwassen. Hij meent dat hij risico loopt onevenredig bestraft te worden omdat hij als Gülenist te boek staat. Er is daarmee sprake van een verkapte politieke vervolging. Verder meent eiser dat de minister ten onrechte aanneemt dat de Turkse autoriteiten hem als vermeend Gülenist zullen beschermen tegen [persoon] . Bovendien beschikt [persoon] over veel connecties met de overheid.
Juridisch kader
3.1.
De minister merkt op grond van zijn landgebonden beleid voor Turkije (toegedichte) Gülen-aanhangers aan als risicoprofiel. [3] De minister kan een groep als risicoprofiel aanwijzen, als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. [4] Het behoren tot een groep die is aangemerkt als risicoprofiel is op zichzelf onvoldoende voor vluchtelingschap of het verlenen van subsidiaire bescherming. Voor een vreemdeling die onder een risicoprofiel valt, geldt volgens het beleid van de minister namelijk nog steeds het individualiseringsvereiste. Dit houdt in dat de vreemdeling aan de hand van specifieke individuele kenmerken aannemelijk moet maken waarom juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een risico loopt op vervolging of ernstige schade.
Het oordeel van de rechtbank
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Turkije. De minister heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat eiser niet onder het risicoprofiel van (toegedichte) Gülen-aanhangers valt, omdat niet is gebleken dat eiser door de Turkse autoriteiten als een Gülen-aanhanger wordt gezien en om die reden in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Dit standpunt volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet duidelijk uit de besluitvorming. Uit verschillende passages in het voornemen en het bestreden besluit volgt namelijk dat de minister juist wel aanneemt dat eiser in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat of heeft gestaan en onder het risicoprofiel voor (toegedichte) Gülenisten valt. In de eerste plaats heeft de minister het asielmotief ‘problemen wegens werkzaamheden [bedrijf] ’ geloofwaardig geacht. De rechtbank leidt uit de bewoordingen van dit asielmotief af dat de minister niet enkel aanneemt dat [bedrijf] in algemene zin problemen heeft ondervonden wegens de (gestelde) banden met de Gülen-beweging, maar dat eiser ook persoonlijk problemen heeft gehad wegens zijn werkzaamheden voor dit bedrijf.
3.3.
De minister heeft verder in het voornemen bij de beoordeling of sprake is van vluchtelingschap een kopje ‘Risicoprofiel’ opgenomen, waarin staat dat (toegedichte) Gülen-aanhangers als risicoprofiel gelden, maar dat het individualiseringsvereiste blijft gelden. De minister heeft vervolgens aan de hand van het asielrelaas van eiser beoordeelt of eiser als vluchteling dient te worden aangemerkt. In het bestreden besluit wordt door de minister eveneens benoemd dat (toegedichte) Gülen-aanhangers als risicoprofiel gelden, maar dat nog altijd een individuele beoordeling moet worden gemaakt of van een gegronde vrees of een reëel risico op ernstige schade sprake is. De minister concludeert vervolgens: ‘In uw individuele beoordeling is niet gebleken dat er tot vluchtelingschap of ernstige schade kan worden geconcludeerd’. Hieruit lijkt te volgen dat de minister aanneemt dat eiser tot het risicoprofiel behoort, maar dat niet is gebleken dat hij in zijn individuele geval risico op vervolg of ernstige schade loopt.
3.4.
Het bestreden besluit bevat echter ook passages waaruit juist lijkt te volgen dat de minister eiser
nietonder het risicoprofiel schaart. Zo wordt in het bestreden besluit overwogen dat de minister eiser niet als toegedicht Gülen-aanhanger ziet, uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat er een strafzaak tegen eiser loopt wegens het zijn van een Gülen-aanhanger en dat de stelling dat eiser te boek staat als Gülenist bij de autoriteiten niet wordt gevolgd. [5]
3.5.
De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat het bestreden besluit tegenstrijdige passages bevat met betrekking tot de vraag of eiser onder het risicoprofiel valt en daarmee niet inzichtelijk maakt hoe de gestelde vrees van eiser is beoordeeld. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook niet deugdelijk gemotiveerd.
3.6.
Voor zover wordt aangenomen dat eiser behoort tot het risicoprofiel van (toegedichte) Gülen-aanhangers, merkt de rechtbank nog het volgende op. Uit het beleid [6] van de minister volgt dat als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, de minister de individuele omstandigheden van het geval beoordeelt, afgezet tegen de positie van de groep en de algemene (veiligheids)situatie in het land van herkomst. De minister is in het bestreden besluit echter enkel ingegaan op het persoonlijke asielrelaas, zonder daarbij ook in te gaan op de situatie voor Gülen-aanhangers en de algemene veiligheidssituatie in Turkije. Het bestreden besluit is op dit punt ook onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is genomen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige gronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, omdat de minister opnieuw een beoordeling dient te maken of eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij een terugkeer naar Turkije. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
5. Omdat met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek hiertoe daarom af.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.63145:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer: NL25.63146:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken,
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen
1 weekna de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Artikel 30b, eerste lid, onder f, van de Vw.
2.Artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw.
3.Dit staat in paragraaf C9/34.4.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
4.Dit staat in paragraaf C3/2.4. van de Vc.
5.Zie pagina 3 van het bestreden besluit.
6.Zie voetnoot 4.