ECLI:NL:RBDHA:2026:18696

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.7916
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c Vw 2000WI 2023/7
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buiten behandeling stellen opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende toelichting identiteitsgroei

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 28 januari 2026 een opvolgende asielaanvraag in met als grond dat hij biseksueel is en sprake is van identiteitsgroei. De minister stelde deze aanvraag buiten behandeling omdat eiser geen persoonlijke en concrete toelichting gaf over zijn asielmotief, ondanks de mogelijkheid om dit nader toe te lichten.

Eiser voerde aan dat het formulier M35-O niet geschikt is om zijn biseksuele geaardheid volledig te onderbouwen en dat hij een affidavit van zijn biologische moeder had overgelegd ter ondersteuning. De rechtbank oordeelde dat de minister niet verplicht was een gehoor te bieden om de aanvraag nader toe te lichten en dat de affidavit niet inging op de identiteitsgroei, maar op ervaringen in Nigeria.

De rechtbank volgde de minister in zijn standpunt dat eiser onvoldoende informatie had verstrekt om de aanvraag inhoudelijk te behandelen. De eerdere asielprocedure had de geloofwaardigheid van de biseksuele geaardheid van eiser al betwijfeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanvraag bleef buiten behandeling.

Uitkomst: De opvolgende asielaanvraag wordt buiten behandeling gesteld en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7916

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep. De rechtbank komt tot het oordeel dat het buiten behandeling laten van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de asielaanvraag niet compleet is. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Procesverloop

1. Eiser heeft eerder, namelijk op 27 juli 2022, een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 november 2024 afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 9 juli 2025 is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. [2] Tegen deze uitspraak heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. Daarmee staat het besluit van 27 november 2024 in rechte vast.
1.1.
Op 28 januari 2026 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 5 februari 2026 buiten behandeling gesteld. [3]
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. [4] Hierop volgt afzonderlijk een uitspraak.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. Het onderzoek is op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat hij biseksueel is, dat sprake is van identiteitsgroei en dat hij door de contacten met de lhbti-gemeenschap beter kan verklaren over zijn gevoelens en gedachten.
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag volgens hem niet compleet was. Eiser heeft volgens de minister geen persoonlijke en concrete toelichting gegeven over de reden waarom hij opnieuw asiel heeft gevraagd. Uit de door eiser bij de zienswijze overgelegde e-mails van zijn ex-partner en partner is hiervan nog altijd niet gebleken.
Beoordeling van het beroep
4. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag buiten behandeling heeft gesteld, zonder hem eerst in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag nader toe te lichten met een gehoor opvolgende aanvraag. Hij wijst erop dat het gehoor juist bedoeld is om duidelijkheid te verkrijgen over de asielmotieven. Bij een opvolgende aanvraag met de gestelde seksuele geaardheid als asielmotief leent het formulier M35-O zich niet goed voor het volledig onderbouwen van dat asielmotief. Eiser beschikt over een affidavit, een beëdigde verklaring van zijn biologische moeder, om zijn gestelde biseksuele geaardheid nader te onderbouwen.
5. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026, heeft de minister de bevoegdheid om een asielaanvraag buiten behandeling te stellen wanneer de vreemdeling nalaat om de voor zijn asielaanvraag van wezenlijk belang zijnde informatie te verstrekken.
5.1.
Uit de uitspraak van de Afdeling [5] van 21 februari 2019 [6] volgt dat van een vreemdeling kan worden verwacht dat hij, op het moment dat hij met het formulier M35-O een opvolgende aanvraag indient, in of bij dat formulier toelicht om welke redenen hij een opvolgende aanvraag indient en dat daarbij zo nodig bewijsmiddelen moeten zijn gevoegd. Uit die uitspraak volgt ook dat de minister een aanvraag buiten behandeling kan stellen, als de informatie die een vreemdeling heeft verstrekt bij het formulier M35-O onvoldoende is om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen, en een vreemdeling ook naar aanleiding van een later verzoek om informatie, bijvoorbeeld in het voornemen, in gebreke blijft die nadere informatie te verstrekken. De minister handelt dan ook niet onzorgvuldig door de (opvolgende) aanvraag niet inhoudelijk te behandelen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser buiten behandeling heeft mogen stellen. In het bestreden besluit, en in het voornemen van 28 januari 2026, heeft de minister dat voldoende deugdelijk gemotiveerd.
6.1.
De minister heeft bij zijn standpunt kunnen betrekken dat eiser op het formulier M35-O heeft ingevuld dat sprake is van identiteitsgroei en dat hij beter kan verklaren over zijn gevoelens en gedachten, en dat eiser hiermee geen persoonlijke en concrete toelichting heeft gegeven over de reden waarom hij opnieuw asiel heeft aangevraagd, zoals bedoeld in WI [7] 2023/7. Daarbij heeft de minister kunnen stellen dat eiser met de bij de zienswijze overgelegde e-mails, die zijn geschreven door zijn ex-partner en partner, geen concrete en persoonlijke toelichting heeft gegeven en zijn aanvraag niet alsnog compleet heeft gemaakt. De minister heeft in dit verband van belang mogen vinden dat met de e-mails een persoonlijke verklaring mist vanuit eisers kant waarin hij zijn identiteitsgroei toelicht. De stelling van eiser dat de minister hem de gelegenheid had moeten geven om zijn gestelde biseksuele geaardheid als asielmotief nader toe te lichten met een gehoor opvolgende aanvraag, heeft de minister niet hoeven volgen. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting gesteld dat eiser op het formulier M35-O en met de zienswijze geen persoonlijke toelichting heeft gegeven waarom bij hem sprake is van identiteitsgroei, waaruit dat bestaat en waaruit de contacten van eiser met de lhbti-gemeenschap bestaan. De rechtbank volgt de gemachtigde van de minister hierin. Dat eiser in beroep een affidavit, een beëdigde verklaring van zijn biologische moeder, ter onderbouwing van de door hem gestelde (bi)seksuele geaardheid heeft overgelegd, doet hieraan niet af. Zoals de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld, ziet de verklaring van de moeder op wat eiser in Nigeria zou hebben meegemaakt en niet op zijn identiteitsgroei. Zij heeft daarbij benadrukt dat in de eerdere asielprocedure de gestelde biseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is bevonden. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat hij met de in beroep overgelegde affidavit van de biologische moeder van eiser geen reden heeft hoeven zien om zijn opvolgende asielaanvraag alsnog in behandeling te nemen. De stelling van eiser op de zitting dat hij niet meer heeft kunnen doen dan wat hij op het formulier M35-O heeft ingevuld en wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd, leidt – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet tot een ander oordeel. Hoewel het formulier M35-O niet bedoeld is om de asielmotieven volledig te onderbouwen, had eiser op dat formulier dan wel in de zienswijze een persoonlijke en concrete toelichting en onderbouwing moeten geven over zijn gestelde identiteitsgroei. Dat heeft eiser niet gedaan.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de opvolgende aanvraag van eiser buiten behandeling mogen stellen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Zaaknummer NL24.51168.
3.Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Zaaknummer NL26.7917.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Werkinstructie 2023/7 Opvolgende asielaanvragen.