Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Bezittingen
- Bank- en spaartegoeden € 191.000
- Aandelen en obligaties € 79.552
- Onroerende zaken in NL
- Andere schulden € 2.938.598
- Drempel
€ 2.932.198-/-
€ 100.000-/-
moment(dan wel genietingstijdstip) voor box 3 ontbreekt, waardoor de verschuldigde box 3-heffing nihil bedraagt. Als gevolg van het ontbreken van een wetsbepaling die het genietingsmoment definieert, is volgens eiser de Wet IB 2001 voor wat betreft de box 3-heffing in strijd is met artikel 17 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), alsook met artikel 1 EP Pro EVRM en ook met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het legaliteitsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
moment, zoals neergelegd in artikel 3.146 Wet IB 2001 of het huidige artikel 5.34 Wet IB 2001, niet nodig.
voetnoten door de rechtbank weggelaten]:
momentin box 3 acht de rechtbank onjuist. Dat in het voorgestelde box 3-stelsel [3] wel is voorzien in een duidelijke, expliciete bepaling van het genietingsmoment, maakt dat niet anders. De rechtbank acht de wettelijke bepalingen inzake de box 3-heffing, zeker in samenhang bezien met de vele jurisprudentie daarover, op dit punt ook voldoende duidelijk en ziet geen aanleiding daarover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad of aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.